‘Mister Opwekking’ Peter Vlug (1931) is door het weerbarstige leven voorzichtiger geworden. Van overgeestelijke zaken komen brokken, leerde hij. “Als je deze punten aanhaalt, breekt er veel in mij.”

 tekst Wilfred Hermans beeld Albert Jan ten Napel

1. De dag van vandaag

“Toen we een huis zochten, stonden we daar bij die prullenbak naar dit huis te kijken en zeiden: wat zou het geweldig zijn om hier te wonen! We baden ervoor en liepen daarna om dit huis heen. Achter het raam stond een papegaai naar ons te knikken. Nou, hoe vind je die?

De afgelopen vijf jaar zijn voor ons niet makkelijk geweest. Mijn vrouw is hartpatiënt, en de laatste maanden heb ik veel mantelzorg voor haar moeten doen omdat ze in het ziekenhuis heeft gelegen. Toen we onze kaart rondstuurden in verband met ons zestigjarig huwelijksjubileum, ben ik even bang geweest dat ik er een rouwkaart achteraan moest sturen. We leven dus best onder spanning, maar dat zie je niet aan ons af. We zijn positieve, gelovige mensen. Zelf heb ik vanaf 2005 een chronische spierziekte gehad, myasthenia gravis. Op een wonderbaarlijke wijze ben ik daar begin 2015 van genezen. Wel moet ik voortdurend blijven bewegen, maar dat gaat vanzelf. We fietsen veel en ik heb een prachtige tuin die ik bijhoud.

‘Natuurlijk hebben wij ook geschreeuwd tot God, of onze kleinzoon niet hoefde sterven’

Elke week komen hier wel mensen over de vloer die zeggen: ‘Peter, broeder Vlug, hoe zou u dit doen? Ik ben gevraagd om oudste te worden. ‘Ik zit in een scheiding.’ ‘Ik heb een geldprobleem.’ ‘Ik heb een probleem met mijn kinderen.’ ‘Ik ben ontslagen.’ Dus: ik ben ook een pastorale man. Ik wil mezelf niet op de borst slaan, maar jíj vraagt waar ik m’n dag mee vul.”

2. De dag dat ik honger had

“Ik groeide op in een rijtjeshuis in Haarlem, in een heel arm arbeidersgezin. Mijn vader werkte keihard in een gelddrukkerij. Mijn moeder kwam uit een gelovig gezin, maar mijn vader was zeer dominant, dus ze mocht haar geloof niet uitleven.

Als veertienjarig jongetje heb ik de hongerwinter van 1944 meegemaakt. Soms hadden we drie dagen niks te eten, niets! Op mijn knieën, met een kort broekie aan, had ik bij de gaarkeuken twee aardappels en een handje erwten van de straat geraapt. M’n moeder was daar heel blij mee, ze kon er soep van maken. Die aardappels waren voor mij als goud! Ik vergeet nooit meer dat zo’n Duitser, net toen ik een aardappel wilde pakken, op mijn hand trapte. Er zat ijzer onder zijn schoenen. Ik weet ook nog dat we op een dag het manna uit de hemel zagen vallen: dat waren de wittebroden uit Zweden.

Ik heb er tot de dag van vandaag verdriet van dat mijn ouders niet geloofden. Dat is een pijnpunt in mijn leven, want in je jeugd wordt het fundament van je leven gelegd. Tussen twee haakjes: daarom vind ik kindersamenkomsten in de kerk zo verschrikkelijk belangrijk! Mijn ene broer heb ik in geen vijftig jaar meer gezien, met de andere heb ik alleen contact op verjaardagen. ‘Praat alsjeblieft niet over God’, zeggen ze, heel halsstarrig. Toen Else en ik zestig jaar waren getrouwd, stuurden we een mooie foto rond met de tekst dat we de Heer dankbaar waren. Mijn broer reageerde: ‘De foto was prachtig, maar die flauwekul had er niet bij gehoeven!’ Daar heb ik nog best verdriet van.”

3. De dag dat ik tot bekering kwam

“Else en ik zijn hartstikke één! We vullen elkaar helemaal aan en hebben elkaar keihard nodig. We schamen ons voor geen méter voor het evangelie. Dat wij elkaar gevonden hebben, is een wonder waar ik de Heer nog dagelijks om prijs. Zij kwam mij, een atheïst, op een kinderlijke wijze vertellen over God. Ze werkte drie maanden in een kindertehuis met achterstandskinderen waar ik jeugdleider was. Tot die tijd kende ik de naam van God enkel via het vloeken van mijn vader. Er ontstond een vriendschap die uitgroeide tot liefde. Ze zag dat ik óók van kinderen hield. Op een dag zei ze: ‘Nu onze vriendschap steeds dieper gaat, moet ik je zeggen dat ik ook van een ander houd.’ ‘Van wie dan?’, vroeg ik verbaasd. ‘Van Jezus’, zei ze. Oh, dacht ik, daar kan ik wel tegenop. Else heeft toen buiten mijn weten met een paar vrienden dagelijks gebeden of ik tot bekering mocht komen. Dat is uiteindelijk gebeurd: ik zag wat zij had en ik miste. Ik voel mij als een stuk hout dat uit het vuur is gerukt.

Kijk, dit is mijn eerste bijbeltje. Ik kreeg het van mijn vrouw nadat ik tot bekering kwam, 5 december 1953. Maar het moest nog tot leven komen, want ik ben een bekeerde atheïst. Ik heb toen twee weken een bijbelcursus gevolgd, en daar is een profetie over mij uitgesproken. God zei: ‘Ik zal je laten zien wat van Mij is en wat van de boze’. Dat is voor mij goud geweest.
Toen ik mijn vader – op en top socialist – op mijn 22e vertelde over mijn bekering, schreeuwde hij: ‘Wát?! Een christen geworden? In dit huis mag je nóóit over God spreken!’ Helaas zijn mijn ouders nooit tot bekering gekomen, ook mijn moeder niet; er mocht niet eens een bijbel in huis zijn. Toen mij werd gevraagd om fulltime in de bediening van de Heer te gaan werken, vroeg ik: ‘Hoeveel ga ik dan verdienen?’ Ik was net getrouwd. ‘Dat moet je aan de Heer vragen’, was het antwoord. Van honderd gulden konden we destijds een maand leven. Toen heb ik gebeden – het was 7 augustus: ‘Heer, wilt U heel duidelijk maken wat uw wil is?’ Als teken vroeg ik of we binnen een maand geld voor één maandsalaris mochten krijgen. Op 31 augustus viel er laat in de avond een klein envelopje door de brievenbus met honderd euro, plus de tekst: Ik zal voor je zorgen tot in lengte van dagen, het zal je aan niets ontbreken. Puur van de Heer, ik heb nooit geweten van wie dat was.”

4. De dag dat ik stopte met Stromen van Kracht

“Mijn schoonvader Karel Hoekendijk is de oprichter van de organisatie Stromen van Kracht. Er waren overzeese evangelisatiecampagnes en de organisatie had zendelingen in het buitenland, maar zij werden financieel min of meer aan hun lot overgelaten. De organisatie kostte veel geld, maar de stroom van giften droogde opeens op; wat was er aan de hand? Ik hielp Hoekendijk bij alles, ik was zijn rechterhand. Met mijn vrouw bezocht ik alle zendelingen en we ontdekten waarom de zegen van geld was opgehouden: Hoekendijk werd op een voetstuk gezet, alles draaide om hem. Ik had nog één teken van God nodig om tegen mijn schoonvader te zeggen dat ik met Stromen van Kracht zou stoppen. Mijn schoonmoeder zei op een moment – nota bene toen honderd mensen bij Stromen van Kracht werden gedoopt: ‘Ik ben doodongelukkig.’ Nou, een duidelijker teken had ik niet nodig. Die avond praatte ik met Hoekendijk. Ik zei: ‘Vader, we hebben een grote schuld en daar ben jij medeschuldig aan. Je hebt toegelaten dat je op een voetstuk bent geplaatst, terwijl alle zendelingen moeite met je hebben. Ik stop ermee.’ Toen zei hij: ‘Jij snotneus, wie ben jij dan wel?’ Daarna ben ik heel erg ziek geworden, zwaar burn-out. Ik liep als een oud mannetje aan de arm van mijn vrouw naar de dokter. Die zei: ‘Als jij niet oppast, word je geen veertig. Je moet nu direct stoppen met werk en elke week hier terugkomen.”

5. De dag dat ik de medeoprichter van Opwekking vergaf

“Mijn zwager Ben Hoekendijk stopte met Opwekking omdat hij het te groot vond worden. Hij was jaloers; de boeken van Else verkochten beter dan de zijne, hij kon de zon niet in het water zien schijnen. Bovendien had hij een gat in zijn wapenrusting. Op details ga ik niet in, maar zijn wapenrusting was niet gesloten. Hij is niet voor niets gescheiden. Daar begreep ik niets van, hij had een schat van een vrouw, Wiesje. Als je deze punten aanhaalt, breekt er veel in mij. Man, wat een egoïst is ‘ie geweest. Tegelijk denk ik veel aan ‘m. Als ik straks op de voorste rij van de pinksterconferentie weer zit te genieten, dan zou ik zo graag willen dat hij daar naast mij zat.

Het ergste was: hij dacht dat Opwekking met zijn vertrek meteen zou stoppen. Jij de helft, ik de helft, zei hij, we verkopen alles. Ik zei: ‘Stoppen? We hebben allerlei contracten afgesloten. Bovendien is Opwekking niet van jou of mij, het is een stichting waar honderden vrijwilligers jaren aan meegewerkt hebben!’ Ik was natuurlijk kapot, ik was he-le-maal nergens meer. Je moet je voorstellen: het ging om een geestelijk werk, en ik ben geen prediker, maar een manager, een bestuurder. Ik wil dienen, op een goede wijze. Ik heb talent om grote dingen te organiseren, maar daar is inhoud, geestelijke body voor nodig. En die body stortte in elkaar. Else is toen een enorme steun voor mij geweest. Ze zei: ‘Opwekking is niet van ons, maar van God. We moeten doorgaan.’ Ik heb toen vijftien broeders om mij heen gevraagd: ‘Willen jullie bidden of Opwekking door moet gaan of niet? Ik maak een hele moeilijke situatie door.’ Ondertussen moest ik verder gaan met de eerstvolgende conferentie, terwijl ik niets kon vertellen; dan zou ik mijn eigen nest bevuilen. Toen gebeurde er een wonder: er kwamen op de eerste conferentieavond meer dan honderd mensen tot bekering. De volgende ochtend, toen we als staf de dag begonnen met gebed, zei iedereen: Peter, nu twijfel je toch niet meer, hé?’

Hoekendijk en ik hebben elkaar jarenlang niet gesproken – hij had alle banden verbroken – maar inmiddels weer wel. Twee jaar geleden kreeg hij een beroerte en hebben we de stap gezet hem te bezoeken in het ziekenhuis. Ik wilde niet aan zijn graf staan zonder herstel van de relatie. Else ging eerst naar binnen, ik later. Ik gaf hem een hand en bleef daarna aan het voeteneind staan. We moesten hem verzorgen, hij was een wrak. Tijdens ons derde bezoek gebeurde er iets heel aparts. Hij zat tussen ons in, in zijn invalidewagentje. Monter vertelde hij dat zijn dominee ooit eens op een One Way Day was geweest. Nou, dat was een opening. We begonnen gezellig te praten en Else voelde dat het weer leek op die goeie, ouwe tijd. Ook ik voelde: wat gebeurt er? Hier gebeurt iets. Op dat moment gaf de Heer zoveel genade dat alle pijn en wrok van mij werd afgenomen. Alles, álles… Ik had hem wel kunnen omhelzen, alles was weg, alle oordelen, alle nare gevoelens. Of ik dat nog met Ben heb besproken? Nee, en ik heb ook geen excuses gehad. Maar de Heer heeft mij genade gegeven, dat was genoeg.”

6. De dag dat mijn kleinzoon overleed

Door de jaren heen zijn we op geestelijk vlak voorzichtiger geworden. Een belangrijk moment daarin was het overlijden van onze kleinzoon Martijn, aan kanker. Natuurlijk krijg je de reactie: waarom heeft God dat kind niet genezen? Daar hebben we zelf ook mee geworsteld, en sindsdien zeggen we niet meer: God geneest altijd. Je kunt niet zeggen: God moet genezen! God moet niets. Maar natuurlijk hebben wij ook geschreeuwd tot God, of Martijn niet hoefde sterven. Een schat van een jochie – maar hij sterft. Je hart breekt in alle opzichten, je kunt er geen kant mee op. Je kunt boos op God worden, maar dat helpt niet. Je kunt God vaarwel zeggen, maar dat helpt ook geen bal. God regeert, en we moeten er op vertrouwen dat Hij alles in zijn hand heeft.

Of ik gematigder ben geworden? Wat leuk dat je dat gematigd noemt. Ik ben vooral milder, voorzichtiger geworden. Aan extreme zaken hebben we een behoorlijke hekel gekregen, daar komen veel brokken van.

Er kwam eens iemand naar me toe die zei: ‘Broeder Vlug, ik ben benaderd door die en die, en zij zegt tegen mij dat ik een stuk van mijn land aan haar moet geven zodat daar een geestelijk centrum kan komen waar wonderen en tekenen gaan gebeuren. Wat moet ik daarmee?’ Men denkt: Vlug is de man van Opwekking, dus die zal het wel weten. Ik heb toen de vrijmoedigheid gehad om te zeggen dat het verzoek om dat land te verkopen niet van God kwam. Hoe ik dat weet? Waarom zou God dat niet tegen die persoon zelf zeggen – denk ik dan vaak. Ten eerste ga ik er ernstig voor bidden. Ten tweede let ik op iemands wandel. Is iemand overgeestelijkt, wil iemand zichzelf graag profileren? Uiteindelijk is die vrouw haar eigen kerk uitgegaan, daar had zij na deze gebeurtenis niet veel meer te vertellen.”

 7. De dag die nog moet komen

“Mijn vrouw vraagt vaak: ‘Wil je nog steeds honderd worden?’ Ja, dat wil ik, maar ik bid wel vaak: Heer, bewaar m’n vrouw en mij voor dementie. Mijn hart breekt als ik mensen met dementie zie.
Of ik bang ben voor de dood? Nee, maar ik ben er wel heel bang voor geweest. Je stelt heftige rotvragen, man! Nee, dat geeft niks, daar hou ik juist van. Ja, ik ben bang voor de dood geweest. Ik kon me die hemel niet goed voorstellen. Straten van goud? Mja, mooi. Ik ben natuurlijk een mannetje dat alles voor mekaar wil hebben, een regelaar. De hemel vond ik maar abstract. Toen mijn vrouw hepatitis B kreeg – opgelopen tijdens onze zendingsreis naar Haïti – had ze een bijna-doodervaring. Nadien vertelde ze mij hoe prachtig de hemel was. Vorig jaar, toen ze vanwege haar hart vlak langs het randje ging, dacht ik: nu ga ik haar verliezen. Toen bad ik: ‘Heer, wilt U mij vrede geven bij het idee dat ik naar U toe ga?’ Dat ik alles kan loslaten en gewoon kan zeggen: Ja, ik ga naar de Heer toe, en daar kom ik Else tegen. Halleluja, zo simpel. Zo kwam ik al biddend op het punt dat ik over mijn doodsangst heen was en uitkeek naar het moment dat het mijn tijd was.
Nee, ik heb geen lijftekst, maar wel teksten waar ik van hou. ‘Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft’, en ‘Ik vermag alle dingen in Hem die mij kracht geeft’. En de tekst ‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, tot in alle eeuwigheid’ stond bij alle conferenties op een groot spandoek.
Je bent klaar? Oh. Zullen we nog danken samen, of vind je dat overdreven?”

 

 

Levenslessen

  1. Het geheim van een goed huwelijk? Radicaal Jezus volgen.
  2. Verlies niet de moed als God je pas op latere leeftijd roept.
  3. Zie niet op mensen, maar vertrouw op God.
  4. Vraag God gerust om een duidelijk teken.
  5. Als je té geestelijk bezig bent, is het risico op brokken groot.
  6. Je kunt niet zeggen: ‘God moet genezen!’ God moet niets.
  7. Een scheiding veroorzaakt een repeterende breuk, de kinderen zijn altijd de dupe.
  8. Zorg dat je geestelijke wapenrusting gesloten is.
  9. Als de relatie met je kinderen goed blijft, kun je ze meegeven wat goed en fout is.
  10. In de christelijke wereld zetten ze je makkelijk op een voetstuk, maar ze vangen je niet op als je ervan afvalt.

 

8 thoughts on “‘Ik voel mij als hout dat uit het vuur is gerukt’

  1. Dank Peter,
    Voor je openhartige getuigenis. We zijn God dankbaar dat we nog altijd mogen dienen.
    Van Godsrijke zegen voor jullie beiden.
    Aad en Lidy van de Sande

  2. Beste redactie,
    “Op details ga ik niet in” staat er in bovenstaande artikel. Toch verbaast het mij dat er door u in het openbaar zo met modder naar deze personen wordt gegooid (die met naam en toenaam worden genoemd).
    Het artikel zou voor mij een stuk interessanter worden als er in plaats hiervan dieper op de levenslessen was ingegaan.

    1. Bedankt voor dit prachtige getuigenis!
      We zijn blij met jullie en willen zeggen dat een vruchtbaar leven kostbaar in Gods ogen is !
      Ook ik ben 7 augustus jarig, net als Else, en vind het leuk om die datum tegen te komen, Zij heeft me lang geleden gebeld met de vraag om bij Stichting Chris te helpen.Dat is fantastisch fijn geweest. Ik ben dankbaar voor jullie zijn – wie -jullie – zijn! God zij met jullie. ..

    2. Eerlijkheid en openheid van zaken zoals dit mogen of moeten aan het licht gebracht worden. Het klopt wat de schrijver verteld heeft. Ik zelf ga er niet dieper op in wat ik in de jaren ’70 gezien hebt in Amsterdam ~ de hoeren buurt

  3. Geweldig! Een man die nooit gevraagd heeft om in het zonnetje te staan, waardoor hij uiteindelijk zo bruikbaar is geweest voor de Heer en voor zoveel mensen.

    Thanks Peter! You’re a hero!

  4. Beste Peter Vlug,

    Wat een naar artikel. Bah. Als dit nu de liefde van de Here Jezus moet uitstralen. Het had je gesierd als je de negatieve uitlatingen aan het adr3s van je zwager Ben achterwege had gelaten. Schaam je!

    Ellen Baatsen

  5. Dag Peter, mooi eerlijk getuigenis! Genade dat het weer goed is gekomen tussen Ben en jou. De one Way Day waren onvergetelijk voor mij. Zong mee in het koor met Nehemia. Hopelijk mag je nog een tijd genieten samen met je Else. En dan uitzicht op het Eeuwig leven: geen pijn, verdriet, dood en ook geen misverstanden en verleidingen meer! Dank voor alles wat je hebt mogen doen in Gods Wijngaard

  6. Met ontroering heb ik je getuigenis gelezen Peter. Ik bewaar een hele goede herinnering aan je omdat ik tijdens mijn tienertijd op het kantoor van Opwekking mocht werken en je toen bijna dagelijks meemaakte.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *