De bevochten thema’s in het aloude debat over schepping en evolutie kennen we inmiddels. Maar waar houdt het academische circuit dat evolutie bestudeert zich vandaag eigenlijk mee bezig? En welke theologische consequenties kunnen we verbinden aan recente resultaten uit wetenschappelijk onderzoek? Bioloog René Fransen en theoloog Gijsbert van den Brink serveren een bescheiden update. 

tekst Jasper van den Bovenkamp 

Om de positie van het huidige evolutiedebat meteen maar even scherp te stellen: in het wetenschappelijk discours speelt jongeaardecreationisme, het model dat een ongeveer zesduizend jaar oude aarde voorschrijft, geen enkele rol. Terwijl in het symposium over schepping en evolutie van de Evangelische Hogeschool volgende week creationist en evolutionist traditioneel met elkaar de degens kruisen, is van een dergelijke strijd in academische kringen al tijden geen sprake meer, zegt René Fransen.

De bioloog schreef in 2009 Gevormd uit sterrenstof, waarin hij de evolutie, de Big Bang, creationisme en Intelligent Design tegen het licht houdt en probeert geloof en wetenschap op dat vlak met elkaar in gesprek te brengen. Sinds de verschijning van zijn boek is er niets veranderd in de wetenschappelijke verklaring voor de ontwikkeling van het universum en het leven op aarde, zegt hij. “De leeftijd van het universum staat nog altijd op pakweg 14 miljard jaar, de leeftijd van de aarde op zo’n 4,5 miljard jaar en de graduele ontwikkeling van het leven vormt ook vandaag nog het uitgangspunt van nieuw onderzoek. Er is inmiddels zoveel bewijs, ik verwacht niet dat dit soort basale dingen nog omver gaan.”

Geen rimpelloze vijver 

Dat wil allerminst zeggen dat de evolutievijver er rimpelloos bijligt, waarschuwt Fransen. Integendeel. “Er wordt de laatste jaren juist ontzettend veel over dit onderwerp gepubliceerd. Allerlei disciplines binnen de levenswetenschappen houden zich met de thematiek bezig, van de microbiologie tot en met de geneeskunde. En niet alleen is de evolutie zelf onderwerp van onderzoek, ze is tegelijk in de loop van de tijd meer en meer uitgangspunt van ander onderzoek geworden. Wetenschappers in de ecologie bijvoorbeeld houden zich tegenwoordig niet meer bezig met de vraag hoe beestjes en plantjes samenleven, maar hoe ze zich in de loop van de geschiedenis aan elkaar hebben aangepast. Ze noemen zich nu ook evolutiebiologen.”

En zo zijn er meer voorbeelden. De Rijksuniversiteit Groningen, waar Fransen zelf werkt, heeft zojuist 14 miljoen euro geïnvesteerd in een centrum dat zich bij het bestuderen van gezondheid gaat richten op de evolutionaire vraag van aanpassing. Tal van wetenschappelijke disciplines worden op die manier gevoed vanuit dat ene verbindende thema: evolutie. “En het werkt. Als evolutie niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou je bij het beschouwen van de aarde of het heelal op een gegeven ogenblik wel een keer ontzettend moten vastlopen. Niets wijst er op dit moment op dat dit nog gaat gebeuren.”

Sommigen zeggen: so what, als God miljarden sterrenstelsels kan maken, waarom dan geen miljarden universums? 

Wetenschappers bouwen dus zonder uitzondering voort op dat wat het Darwinisme en later de moderne synthese – feitelijk een verfijning van de theorie – hebben aangereikt. De basis lijkt vooralsnog gelegd: het leven past zich aan en alle leven op aarde is door afstamming verbonden. De focus van het wetenschappelijk onderzoek ligt vandaag niet meer zozeer bij de beginselen van de theorie, maar bij de mechanismen die achter het evolutieproces een rol spelen. Wat zorgt er precies voor dat het leven zich aanpast?

Groeiend inzicht

Een van de belangrijkste ontwikkelingen van afgelopen jaren op dit vlak is het groeiende inzicht in de werking van DNA, zegt Fransen. “Waar het sequensen van het eerste genoom de mens zo’n tien tot vijftien jaar heeft gekost, voeren we dat proces nu in hooguit twee dagen uit. Daarmee neemt onze kennis over DNA veel sneller toe en weten we dus steeds meer over hoe evolutie kan plaatsvinden. Een resultaat van dergelijk DNA-onderzoek is dat de verwantschap tussen soorten steeds opnieuw wordt bevestigd.”

Binnen een heel andere wetenschappelijke discipline, de kosmologie, is momenteel de hypothese van parallelle universums hot en happening, weet Fransen. “Men onderzoekt de mogelijkheid dat er niet één heelal maar meerdere heelallen zijn: een zogenoemd multiversum. Ik moet eerlijk zeggen: wat hierover gezegd en geschreven wordt, is allemaal nog behoorlijk speculatief. Wiskundig gezien kom je een heel eind; aan de andere kant: je kunt achtdimensionale objecten wiskundig keurig beschrijven, maar dat betekent nog niet dat ze ook echt bestaan. In dat stadium bevindt zich wat mij betreft nu ook dat onderzoek. Christenwetenschappers reageren er verdeeld op. Sommigen zeggen: so what, als God miljarden sterrenstelsels kan maken, waarom dan geen miljarden universums? Anderen houden het vooralsnog bij één heelal.”

Hoewel Fransen nog altijd pal achter de inhoud van Gevormd uit sterrenstof staat, zou hij vandaag wat voorzichtiger formuleren, denkt hij. “Ik voel minder behoefte om Genesis en evolutie bij elkaar te brengen, omdat ik me afvraag of dit een zinvolle weg is. Wil je de natuurwetenschap concordant maken, Genesis en de wetenschap naast elkaar laten staan, of iets daartussenin? Heel snel ga je toch weer roepen dat iets zus of zo zit. Wat dat betreft worden we gemaand tot bescheidenheid. Newton gaf een prachtige beschrijving van zwaartekracht, maar Einstein slokte hem op en verwerkte Newton in een hoekje van zijn relativiteitstheorie.”

Vrijzinnige hobby

Hoewel met name behoudende protestanten nog altijd terughoudend zijn in het aanvaarden van resultaten uit wetenschappelijk onderzoek op het vlak van evolutie, houden theologen zich al langere tijd intensief bezig met doordenking van de consequenties die alle onderzoeksresultaten voor de christelijke praktijk kunnen hebben. Tot voor kort was dat vooral een hobby van vrijzinnige godgeleerden, maar sinds ook de orthodox-gereformeerde professor Gijsbert van den Brink zich eraan waagt, gaat dat niet langer op.

Van den Brink, die de University Research Chair voor Theologie & Wetenschap bekleedt aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit, werkt momenteel aan een boek waarin hij zoekt naar een constructieve verhouding tussen evolutietheorie en het christelijk geloof. Ergens begin volgend jaar moet het boek, waarvan zowel een Nederlandse als een Amerikaanse editie verschijnt, uitkomen. De hoogleraar richt zich vooral tot christenen die willen nadenken over de gevolgen van de evolutietheorie voor hun geloofsleven. “Ik zie het niet als mijn rol hen voor te schrijven wat ze op dit vlak moeten geloven, maar ik wil ze graag helpen bij het doordenken van de gevolgen voor hun geloof wanneer ze redenen zien om de evolutietheorie te accepteren.”

In de oergeschiedenis van Genesis zijn op de achtergrond kennelijk meer mensen aanwezig dan de bekende vier.

Zelf is hij al lang met de evolutievragen bezig, zegt hij. “En ik moet eerlijk zeggen: er is voor mij de laatste jaren niet zo ontzettend veel veranderd. In 2009 al heb ik me in een overzichtsartikel in cv.koers afgevraagd hoeveel evolutie ons geloof kan verdragen. In dat artikel wijs ik op verschillende wetenschappelijke resultaten waar we als christenen iets mee moeten. Denk aan de hoge leeftijd van de aarde, de gemeenschappelijke afstamming van mensen, dieren en planten, en pijn en leed in de schepping. Sinds dit verhaal ben ik er niet direct anders over gaan denken.”

Vooruitstrevend

Wat we vanuit de koker van Van den Brink kunnen verwachten, is niet per se nieuw licht op de evolutiezaak, maar vooral een bredere uitwerking en verantwoording van zijn visie. Maar toch, in de kringen waar hij zich lang heeft opgehouden – de Gereformeerde Bond binnen de PKN – is aanvaarding van de evolutietheorie niet echt gebruikelijk, en wordt dus ook niet al te systematisch nagedacht over de theologische consequenties ervan. “In die zin zou je het boek inderdaad vooruitstrevend kunnen noemen. En laten we wel wezen, het is ook nogal een onderwerp. Ik bedoel: voor mijzelf is ook niet alles klip en klaar, ik zoek een begaanbare weg.”

Een lastig thema vond hij bijvoorbeeld de theologische doordenking van lijden volgens het evolutionaire schema. Als soorten vanwege predatie en ziekten in het rijk van de natuur al miljoenen jaren uitsterven, komt een ‘goede schepping’ onder spanning te staan. “Dit dwingt mij als theoloog de teksten opnieuw te bestuderen, niet door evolutiegegevens in het scheppingsverhaal in te lezen, maar door de bestaande interpretaties ervan opnieuw te wegen. Door bijvoorbeeld het literaire genre van Genesis 1 een plaats te geven, maak je ruimte om de tekst niet zozeer als een historisch verslag te lezen, maar eerder als een loflied op Gods schepping. De bekende woorden ‘En God zag dat het goed was’ vragen ook om een nieuwe doordenking. Het Hebreeuwse ‘tov’ (goed) heeft oorspronkelijk een heel andere klank dan ons ‘perfect’, dat aan het Griekse ideaaldenken is ontleend. Je zou er dus niet een zondeloze of van kwaad gevrijwaarde

schepping in moeten lezen, maar vooral een oordeel van Godswege: hier kunnen jullie het mee doen, want zo is het goed. Eigenlijk is het dan een heel troostvolle uitspraak. God zegt tegen zijn schepping: ondanks die gebrokenheid deug je. Wat mij betreft slaan dergelijke inzichten de bodem onder je geloof niet weg, maar kunnen ze die juist verstevigen.”

Veel meer Bijbelse passages of theologische noties vragen om hernieuwde bezinning, legt Van den Brink uit. “Denk bijvoorbeeld ook aan het ontstaan van de mens. Volgens DNA-onderzoek is de menselijke populatie nooit kleiner geweest dan minstens een paar duizend individuen. Dat zou overigens wel rijmen met het verhaal dat Kaïn op een gegeven ogenblik een stad gaat bouwen. In de oergeschiedenis zoals in Genesis beschreven, zijn op de achtergrond kennelijk meer mensen aanwezig dan de bekende vier.”

Historische persoon

Op basis van gegevens die vanuit de wetenschap worden aangereikt, zegt Van den Brink een evolutionaire ontwikkeling van de mens niet uit te sluiten. “Een belangrijk signaal dat Genesis 1 echter afgeeft, is dat de mens in het geheel van de schepping volstrekt uniek is. Wellicht geëvolueerd uit eerdere soorten, maar dan toch zo dat je Gods bijzondere zorg daarin kunt lezen. Adam kun je vanuit Genesis zien als de eerste mens die op God gericht was, als de eerste échte mens dus, door God tot aanzijn geroepen om zijn beeld te dragen. In die zin blijft hij een historische persoon, zoals ook het Nieuwe Testament over hem spreekt.”

Een prangende vraag voor de gelovige die wel wil aanvaarden dat Genesis 1 geen geschiedenis beschrijft, maar niet van zins is de hele Bijbel als verheven proza of ‘een mooi verhaal’ in zijn boekenkast te zetten: waar begint die geschiedschrijving dan wél? Anders dan vrijzinnige theologen, maar in overeenstemming met zijn orthodoxe collega’s wijst Van den Brink – zij het met enige voorzichtigheid – op Genesis 2:4. “Na het loflied van ervoor constateer ik op dit punt een knik. Hier valt de eerste toledot-formule, wat betekent dat je als lezer wordt geattendeerd op een soort grens of overgang in de tekst. Andere theologen veronderstellen die breuk tussen hoofdstuk 11 en 12, bij de roeping van Abraham.”

Voor Van den Brink is die zienswijze problematisch, onder meer omdat daarmee een initiële zonde, daadwerkelijk op een moment in de tijd gepleegd, buitenspel komt te staan. De zonde gaat terug op een noodlottige keuze van de mens, zo is zijn overtuiging. “Hoezeer het kwaad ons ook na aan het hart lag, het was niet in de mens ingebakken.”

Op deze en andere thema’s gaat het boek van Van den Brink begin volgend jaar dieper in. Steekt met de verschijning ervan straks een storm op in orthodox-protestantse kringen? “Ik vermoed het niet. Ik geef uitleg bij wat ik meen te hebben ontdekt. Mijn ervaring is dat mensen je dan wel kunnen volgen, los van de vraag of ze het met je eens zijn.”

(Zie ook: Acht gelovige wetenschappers leggen uit hoe zij ertoe gekomen zijn evolutie een plek te geven in hun denken, De Nieuwe Koers, maart 2016).

 

One thought on “En God zei: hier kun je het mee doen

  1. Ik moet bekennen dat ik erg last heb gehad van deze artikelen. Ik dacht dat evolutieleer niet bewezen was, en grotendeels berust was op aannemingen die net zozeer geloof nodig hadden als geloof in een Schepper. De artikelen in deze serie doen allemaal alsof evolutie bewezen is. Ik heb blijkbaar een stap gemist. Ik ben hierna veel met mensen gaan praten en krijg van overal vandaan artikelen en boeken aangeraden – heb nu in mijn boekenmandje bij Amazon 1 boek zitten met essays van christelijke wetenschappers die in evolutie geloven, en 1 boek met essays van wetenschappers die er door hun eigen onderzoek van overtuigd zijn geraakt dat evolutie NIET waar is. Ik krijg toch sterk het idee dat evolutie helemaal niet zo bewezen is als door de mensen van deze artikelen uit wordt gegaan. Ik vind dat niet helemaal een eerlijk beeld geven. Wat zijn die bewijzen dan? Ik begrijp het uitgangspunt van de aritkelen wel, denk ik: hoe lees je de Bijbel, en vooral de eerste hoofdstukken van Genesis, als je in evolutie geloofd? Dat is een goede oefening. Maar ik had toch graag ook een tegenstem gehoord, een betrouwbare persoon die juist op wetenschappelijke gronden NIET in evolutie gelooft. Ik vind het zo wel erg overkomen alsof de hele discussie een gepasseerd station is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *