Leegte en onaanraakbaarheid zijn in de anderhalvemetersamenleving heilig. Van oudsher gaan ruimte en sacraliteit prima samen. Zo bezien is de anderhalvemeterkerk misschien wel een kans, betoogt architect en theoloog Willem Jan de Hek in de jongste editie van De Nieuwe Koers.

tekst Willem Jan de Hek beeld De Nieuwe Koers / Jacobikerk  

Carla Juaçaba ontwierp een kapel van slechts vier stalen staven. Mag je dat ook een kerk noemen? Het gebouw werd opgetrokken in opdracht van het Vaticaan, in het kader van de Architectuurbiënnale van 2018 in Venetië. De inzending was opvallend: tien gerenommeerde architecten werden uitgenodigd om ieder een kapel te ontwerpen op het bosrijke eiland San Giorgio. Ze mochten ontwerpend op zoek gaan naar de kapel van de 21e eeuw. Wat is nu essentieel voor een ruimte om als ‘sacraal’ te worden ervaren? Het resultaat was adembenemend eenvoudig, ruimtelijk en krachtig. De structuur van Juaçaba is het meest eenvoudig. De vier staven vormen samen een kruis en een bank. Ze staan op een open plek in het groen. En omdat de staven een spiegelend oppervlak hebben, vallen ze bijna helemaal weg. In meerdere of mindere mate geldt dat eigenlijk voor alle kapellen op San Giorgio: ze kenmerken zich eerder door leeg-zijn dan door gevuld-zijn. Het zijn open structuren, die volop ruimte laten voor de ervaring van de bezoekers. En die vaart wél bij ruimte om op te kunnen ademen. Dat lijkt me goed nieuws voor de anderhalvemeterkerk. In Venetië was besmettingsgevaar nog geen dreiging. Toch bleek ‘de ruimte nemen’ een randvoorwaarde om tot een goede sacrale plek te komen.

Verblijfsruimte

Veel protestantse kerken uit de twintigste eeuw zijn gebouwd volgens het bekende adagium Form Follows Function. Ze zijn louter functioneel. En dat past goed bij een protestantse het-geloof-is-uit-het-gehoor-benadering. Hoe meer kerkgangers je kwijt kunt, hoe beter het is. Protestanten zijn wat dat betreft verrassend modern. In het functionalisme worden overmaat en leegte als ‘zonde van de ruimte’ gezien. Maar vandaag zijn het precies díé veelal naoorlogse functionele kerkgebouwen, die de grootste problemen zullen ervaren wanneer geanticipeerd moet worden op een anderhalvemetersamenleving. “Van de 900 zitplaatsen houd je er 120 over”, las ik in het Nederlands Dagblad.

Carla Juaçaba ontwierp een kapel van slechts vier stalen staven. Mag je dat ook een kerk noemen?

Hoe was dat vroeger eigenlijk? Ik bekeek de bekende zeventiende-eeuwse protestantse kerkinterieurs van de schilder Pieter Janszoon Saenredam (1597-1665) nog eens. Ze kenmerken zich zonder uitzondering door de ruimte en de rust die ervan uitgaat. Er zijn bezoekers in de kerk, zeker. Maar zij domineren het interieur niet, zij verpozen er. In de Buurkerk te Utrecht zie je iemand op de grond tegen de zijmuur zitten. In de verte staan drie figuren door het hoge kerkraam naar de blauwe lucht te kijken. En bij een van de witte pilaren staat een hondje. Daarbij geldt voor alle interieurs: kerkbanken zijn meestal wel aanwezig, maar altijd op de achtergrond. De kerken die Saenredam nauwgezet in beeld bracht, zijn méér dan een gehoorzaal waar naar een preek wordt geluisterd. Het zijn verblijfsruimtes die tot de verbeelding spreken, en alle zintuigen prikkelen. Of misschien nog wel beter: het zijn speelruimtes voor de Geest.

Willem Jan de Hek is architect en theoloog. Hij is als voorganger betrokken bij de PKN-gemeente Jacobikerk in Utrecht.

De komende tijd moeten kerkbesturen, kosters en beheerders hard aan de slag met protocollen, stoelen, banken en garderobes. Ze zoeken letterlijk naar ruimte. Dat zou best eens tot verrassende ontdekkingen kunnen leiden. Het is de kunst om de verleiding te weerstaan om van het kerkgebouw tijdelijk een ‘gehoorzaal-light’ te maken. Sacrale plekken kunnen zoveel meer betekenen dan dat alleen. Juist nu, in een samenleving van onaanraakbaarheid. Een crisis is altijd een keerpunt. En zo is dit moment ook een kans. De anderhalvemeterkerk zou weleens letterlijk én figuurlijk ruimte kunnen scheppen. Voor nu, maar ook voor later. In ons denken, in ons doen en in ons vieren.

Pak je stoel op

Hoe maak je dat toch wat concreter? Ik doe maar een aanzet. Begin gewoon met het herwaarderen van de leegte. Wat als al het gefixeerd meubilair, dat gemaakt werd om grote groepen te herbergen, tijdelijk uit een kerk wordt weggehaald en opgeslagen? Ik zie een vrij indeelbare vloer voor me. Met een raster van stippen op de grond. Ze bevinden zich op één meter afstand van elkaar. Bij de ingang staan stoelen klaar, afgestemd op het maximaal toegestane aantal kerkgangers per dienst. Zij pakken een stoel, nemen die mee de kerk in, plaatsen hem op een stip en gaan zitten. Hun huisgenoten kunnen hun stoel op de direct aangrenzende stip plaatsen. Voor anderen geldt dat er altijd één open stip afstand gehouden wordt. Zo is de anderhalve meter afstand gewaarborgd. Tijdens de dienst richten de aanwezigen zich op een focuspunt. Dat kan de kansel zijn, maar evengoed een plek die zich daar in de nieuwe opstelling beter voor leent. En na afloop van de dienst kan een deel van de stoelen omgedraaid worden, waardoor er een aantal kringen ontstaat voor onderlinge ontmoeting en een nagesprek.

De meeste kapellen op San Giorgio zijn niet afgesloten. Ze hebben iets onvoltooids, iets dynamisch, het is ruimte die beweegt. Sir Norman Foster ontwierp een structuur van staalprofielen en kabels, bekleed met houten lamellen. De wanden van de kapel zijn deels open, tussen de lamellen door zie je het groen van de bossen rondom. De focus ligt op een stalen kruis, met op de achtergrond de zee. Als bezoeker zul je altijd de wind door je haren voelen. Als het regent word je nat. De structuur beschermt je niet tegen de wereld om je heen, gaat er zelfs gedeeltelijk in op. Maar de kapel geeft je wél focus, rust, ruimte en richting. Dat is wat een speelruimte van de Geest wil doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *