Home>Boeken>Halíks nieuwste boek over de liefde grijpt je bij de kladden

Halíks nieuwste boek over de liefde grijpt je bij de kladden

Van Tomás Halík, Tsjechisch priester en schrijver, is het derde boek in het Nederlands verschenen, over de liefde. Het is een uitdagend boek, vol wijsheid, dat je bij de kladden grijpt en niet meer loslaat. Na afloop kun je alleen maar denken: nog een keer lezen.

Tekst Tjerk de Reus

Op het eerste gezicht is het een opmerkelijke titel: Ik wil dat jij bent. Maar als je dit boek opslaat, ontdek je meteen dat de titel teruggaat op kerkvader Augustinus (354-430). Aan hem is deze uitspraak toegeschreven ‘Ik heb lief: ik wil dat jij bent.’ Daarmee is de liefde op scherp gezet, als iets wat ons behoorlijk kan verwarren en opschudden. Want het primaat ligt niet bij onszelf, maar bij de ander. Waar dit besef ontwaakt en tot een liefdevolle levenspraktijk leidt, kan ook de aanwezigheid van God geproefd worden, aldus Halík.
Dit nieuwe Nederlandse boek van Tomás Halík (1948), de theoloog-filosoof uit Tsjechië, stamt uit 2012. Het vormt min of meer een eenheid met het in 2014 verschenen Geduld met God en het in 2016 verschenen De nacht van de biechtvader. Het drietal boeken handelt achtereenvolgens over geloof, hoop en liefde. Dat klinkt mooi en opbouwend, maar Halíks boeken zijn niet zomaar ‘mooi’ of ‘opbouwend’. Kenmerkend voor hem is zijn grote openheid voor twijfel, onzekerheid en religieuze desoriëntatie. Hij schrijft met het oog op de Europese cultuur met zijn miljoenen mensen die de kerken hebben verlaten. Halík heeft een zeldzaam scherp inlevingsvermogen, waarmee hij buitenkerkelijke zoekers én kerkgangers weet te bereiken. De dialoog tussen atheïsme en geloof speelt zich vaak af in onze eigen ziel, noteert hij.

Potlood
Het boek van Halík kun je het beste met potlood in de hand lezen. Er komen vaak treffende, rake, of controversiële uitspraken voor, die je graag later nog eens wilt lezen en overdenken. Zelf onderstreepte ik de volgende passages, die toekomstige lezers van Halíks boek een impressie geven van wat in dit boek gebeurt:

“In dit boek wil ik een poging wagen om het denken over de liefde te verrijken door twee typisch christelijke aspecten erbij te betrekken. Deze ontbreken in het seculiere begrip van de liefde en vele vrome boekjes reduceren ze tot een banaliteit: de liefde voor God en de liefde voor de vijand. Ik ben ervan overtuigd dat deze twee aspecten – die nauw samenhangen met de verhouding van de mens tot zichzelf en tot de wereld – in de huidige maatschappij nog noodzakelijker zijn dat het op het eerste gezicht mag lijken. Liefde betekent over je eigen schaduw heenstappen. En wat is een radicalere manier voor de mens om uit zijn zelfgenoegzaamheid te stappen dan een stap richting ‘het absolute mysterie’ (God dus) en richting de verontrustende, dreigende realiteit van de buitenwereld met zijn onvriendelijke gezicht (de vijand)?”

“Speelt religie in deze harteloze wereld niet alleen al een belangrijke rol, omdat zij in deze gevoelloze wereld de bron bewaart van iets dat met deze harteloosheid scherp in contrast staat of op zijn minst omdat zij de vraag en dorst naar deze bron aanwakkert?”

“Si comprehendis, non est Deus – als je denkt iets te begrijpen, dan kun je er zeker van zijn dat het niet God is, schreef de heilige Augustinus. Hetzelfde geldt voor de opgestane Christus die als verrassing komt: mocht je denken dat je hem niet meer hoeft te zoeken, dan kom je hem nooit tegen. De apostel Paulus koos ook niet bij toeval het altaar voor de Onbekende God op de Areopagus in Athene als de geschikte plek voor zijn preek over de opstanding. Ook wij zullen hem niet ontmoeten als we op de vraag die Hij ons stelt en die Hij zelf is, niet vanuit het diepste van ons hart hetzelfde antwoord kunnen geven als Petrus: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd’ (Joh. 21:17).

Secularisatietheoloog
Atheïsme, twijfel, secularisatie en vergelijkbare thema’s spelen voortdurend een rol in Halíks overwegingen, ook als hij schrijft over de liefde. Die sfeer benoemt hij in de ondertitel van zijn nieuw boek: ‘Het christendom na de religie’. Dit herinnert aan de theoloog Bonhoeffer (1906-1945), die in de oorlogsjaren al sprak over het ‘einde van de religie’ en over de betekenis daarvan voor het christendom. In de loop van de naoorlogse jaren – in Nederland vooral na 1960 – hebben nogal wat theologen laten weten hoe het christelijk geloof opnieuw vormgegeven moest worden, met het oog op de secularisatie en het wegvallen van de vanzelfsprekendheid van religie. Niet zelden hintten die theologen op uitwegen die ook letterlijk een ‘weg uit de kerk weg’ waren, met daarbij stevige effecten op de geloofsinhoud. Zo’n type theoloog is Halík niet. Misschien kun je hem een secularisatietheoloog noemen, maar dan wel eentje van een veel latere generatie dan zijn beruchte vakbroeders uit de jaren zestig. Het verschil maakt Halíks politieke en kerkelijke achtergrond.

De Nieuwe Koers een keer proberen? Download hier de PDF-editie voor € 4,95.

Halík is gepokt en gemazeld door de communistische tijd, in het door het Warschaupact gedomineerde Tsjecho-Slowakije. In het geheim was Halík priester. Ook daar heerste het atheïsme, voorgeschreven door de communistische staat. Bij Halík is er een diep verstaan van dat atheïsme, maar ook van het atheïsme in het Westen, dat zich in een heel ander kader bevindt. Ook dat herkent hij ten volle. Tegelijk schrijft en theologiseert hij in verbondenheid met de christelijke geloofstraditie, en van daaruit wijst hij wegen aan. Ongetwijfeld is dat een typisch katholiek trekje van Halík. Twijfels en vragen hoeven op geen enkele manier te worden weggeredeneerd, vindt hij, maar ze maken de geloofstraditie niet ongedaan. Sterker nog, de geloofstraditie biedt de ruimte om de aard van onze vragen te kunnen peilen. En dan schrijft hij gerust op: ‘wij kunnen God slechts door onze liefde en ons verlangen omarmen’. Een mooi citaat uit het boek, dat de samenhang laat zien tussen het niet-weten en de blijvende oriëntatie op God, is het volgende, en let erop dat hij wijst op een afweging die niet losstaat van ‘verlossing’:

“Nog één keer: of ik echt een gelovige of een ongelovige ben, of ik voor God en zijn liefde opensta of dat ik in plaats hiervan in foute zelfliefde zit opgesloten, hangt niet af van wat ik denk over Gods bestaan, maar daarvan of ik in mijn binnenste wezenlijk wil of niet wil dat God bestaat. God is daarvan niet afhankelijk, mijn verlossing klaarblijkelijk wel.”

Lege tolerantie
Halík kijkt kritisch naar verschillende kanten, en dat maakt hem interessant. Hij zegt ronduit dat hij de algemene, seculiere definitie van liefde wil verrijken; zoals als bleek: met de liefde voor de vijand en de liefde voor God. Voor hem zijn dit cruciale aspecten van de liefde, die ook duidelijk maken dat het hedendaagse idee van tolerantie te mager is. Hij verdiept dus het beeld van de liefde, tot een gebeuren waarin de mens zichzelf overstijgt of over zijn eigen grenzen wordt getrokken. In de ware liefde, die meer met trouw, aanvaarding en nederigheid te maken heeft dan met emoties, vinden we God, aldus Halík. Dat betekent niet dat God opgaat in onze liefdeservaringen, eerder geeft dit besef een nieuwe, ook kritische inhoud aan de liefde.
Voor zoetigheid en emotionaliteit rond de liefde is Halík huiverig, zeker als in kerkelijke sfeer zoetsappig over de liefde Gods gesproken wordt. Liefde die werkelijk ter zake doet, heeft vaak zóveel te maken met zelfoverwinning en nederigheid en zelfs met lijden, dat je daar niet vroom bij kunt gaan staan ‘kwelen’. Het gaat in de liefde om een ‘rijp en trouw ja tegen het leven’, aldus Halík:

Ik wil dat jij bent. Het christendom na de religie. Tomás Halík, Boekencentrum, € 19,90

“Wie de goddelijkheid van de liefde heeft ervaren op de bodem van een inspannende intermenselijke relatie waarin hij veel van zichzelf heeft moeten geven, die weet, denk ik, meer van de goddelijke liefde dan wie in emoties van het collectieve kwelen van religieuze liederen opgaat. (…) God liefhebben en zijn liefde ervaren, betekent volgens mij een rijp en trouw ‘ja’ tegen het leven – met alles wat we in het leven ervaren, met alles wat voor mij een raadsel en een bron van voortdurende verwondering blijft.”

Voor Halík is God de Verborgene. Dat is de algemene ervaring van onze tijd, maar het geldt al sinds de ‘dood van God’ op Golgotha. Dat is Gods ‘eerste woord’, zegt Halík, en daarop volgt het ‘tweede woord’: de liefde. Dit vraagt alles van ons: een grondige heroriëntatie, die ons tegelijk deelgenoot maakt van ‘de goddelijke barmhartigheid’, aldus Halík. In deze lijn sluit hij zijn boek af: ‘In de liefde zijn wij het meest onszelf. In de liefde zijn wij menselijk, het allermenselijkst. Maar juist en alleen daar waarin wij het diepst, volledig en tot aan de rand menselijk zijn, al te menselijk zelfs, toont en geeft zich aan ons dat wat het menselijke overstijgt.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *