Natascha van Weezel (29) is kleinkind van vier holocaustoverlevenden. Omdat dat haar leven beïnvloedde, onderzocht ze of dat voor meer generatiegenoten gold. Vorig jaar zond de NCRV haar film Elke dag 4 mei uit. Dit jaar ligt haar boek De derde generatie, kleinkinderen van de holocaust in de winkel.

‘Als het echt 4 mei is, houd ik altijd twee minuten stilte, waar ik ook ben. Soms denk ik: wat ben ik een freak dat ik zoveel met die oorlog bezig ben. Maar op zulke dagen mag dat ook echt. Dan is iedereen ermee bezig.’

Hoe kwam je ertoe het boek en de film te maken?

‘Ik voel gewoon dat die oorlog mij beïnvloedt. Al sinds mijn zestiende ben ik ermee bezig. Ik wilde wel eens weten of anderen dat ook hebben. Maar om nu op een feestje aan Joodse kennissen te vragen of ze ook last hebben van de oorlog, dat doe je niet. Er rust ook wel een taboe op. Hoe kun je nu last hebben van een oorlog die je niet zelf meegemaakt hebt? Toen ik mensen daar gericht over ben gaan interviewen, zeiden ze vaak: fijn dat je erover nadenkt, ik zit daar al zo lang mee, maar ik weet niet waar ik ermee naartoe kan. Er kwamen al snel terugkerende dingen voorbij.’

Waaraan merk je concreet dat de oorlog je beïnvloedt?

‘Het was bij de meesten die ik sprak een bepaald gevoel van onveiligheid. Niet het soort veiligheid waar iedereen het nu over heeft. Het is meer dat je je afvraagt: kan ik mensen wel vertrouwen? Een ‘unheimisch’ gevoel. Als mensen weten dat ik Joods ben, vinden ze me dan niet anders? Doen mensen misschien aardig in mijn gezicht en zeggen ze iets anders achter mijn rug om? Stel dat het allemaal weer zou gebeuren, bij wie van mijn vrienden zou ik dan kunnen onderduiken? Dat vraag ik me weliswaar niet zo letterlijk af, want ik denk dat er niet zomaar een nieuwe holocaust komt. Maar ik denk wel snel in termen van goed en kwaad. Mijn oma sprak altijd over de goede en de kwade mensen. De goede hielpen, de kwade niet. Ik draai het ook wel eens om: als er een oorlog zou komen waarbij etnische minderheden worden vervolgd, zou ik dan zelf onderduik verlenen?’

‘Ik ben door mijn moeder erg beschermd opgevoed. Dat kwam in veel interviews terug. Er is ook wel een soort wrange band met het Jodendom. Dat ligt individueel wel verschillend. De een stort zich er helemaal in: ik ben Joods, dat is mijn identiteit. En anderen willen daar helemaal niets meer mee te maken hebben, want hun familie wilde dat ook niet. Een overmatige interesse in het Jodendom komt wel veel voor in mijn generatie. Ze maken veel reizen naar de kampen, lezen boeken over de oorlog. Ze willen alle details weten van wat hun familie is aangedaan. Een meisje in mijn boek zegt: als ik met mijn vriendinnen op het strand lig, lezen zij damesbladen en ik een eng boek over Sobibor. Dat komt mij bekend voor. Mijn vrienden maken daar ook grappen over, maar ik kan dat niet loslaten. Mijn oma zei altijd: vandaag schijnt de zon, maar het kan morgen gaan regenen. Dat gevoel.’

Is dat wroeten in het oorlogsverleden ook een zoeken naar identiteit?

‘Ontzettend. Dat geldt voor alle mensen die ik geïnterviewd heb. Ze waren ook allemaal tussen de 18 en de 36, het past ook wel bij hun leeftijd. Als er een massamoord in je familie heeft plaatsgevonden, kun je daar in je zoektocht niet omheen. Je stelt jezelf vragen als: hoe heeft dat op mij betrekking? Als ik 70 jaar eerder was geboren, was ik er waarschijnlijk vermoord. En als mijn grootouders dan niet op dat moment toevallig daar geweest waren, en wel vermoord, was ik er niet geweest. En wie waren eigenlijk die familieleden die er niet meer zijn? Veel gaan er op zoek naar hun stambomen. Ik heb dat ook wel eens gedaan. Dan kom je op allemaal kruisjes met het jaartal 1943. Dat gaat dan ook over jou, waar je vandaan komt, wie je bent.’

Je bent enig kind en zelfs enig kleinkind aan beide kanten.

‘In biologisch opzicht wel. Mijn moeders familie zit door adopties wat ingewikkeld in elkaar. Je ziet ook vaak dat mensen weer echt het joodse leven willen vormgeven en graag meerdere kinderen krijgen. In mijn geval heeft het wel met de oorlog te maken. Mijn ouders waren de enigen die kinderen konden krijgen in de directe lijn. Andere takken van de familie bestonden niet meer. Aanvankelijk wilde mijn moeder geen kinderen. Dat moest je na Auschwitz eigenlijk maar niet meer doen. Ze vond het te eng omdat ze niet kon garanderen dat haar kind nooit iets ergs meemaakt. Later wilde ze het wel. Ze had ooit de film Sophie’s Choice gezien, waarin een moeder vlak voor de gaskamer moet kiezen of ze haar zoon of haar dochter de gaskamer instuurt. Toen dacht ze: ik kan nooit van het ene kind meer houden dan van het andere. Toen bleef het bij mij.’

Dat betekent dat het voortbestaan van je familie nu op jou leunt. Heeft je dat ook beïnvloed?

‘Dat denk ik wel. Ik heb ook veel mensen gesproken die broers of zussen hebben. Dan zie je vaak dat de oudsten het meeste met de oorlog bezig zijn. Ze voelen zich verantwoordelijk. Bij mij was het zo dat iedereen heel blij met mij was. Eindelijk waren er weer drie generaties, voor het eerst sinds 1943. Daardoor ben ik erg verwend. Ik heb veel liefde, aandacht en kadootjes van mijn grootouders gekregen. Maar, ik voelde wel de druk om hen gelukkig te maken. Dat kon ik niet met iemand delen. Mijn vriendinnetjes op mijn niet-joodse school herkenden het niet. Ik was overbeschermd opgevoed en kwam na de dood van mijn opa niet goed in mijn vel te zitten. Van het een kwam het ander, ik werd gepest. Later heb ik anorexia gehad, waar mijn boek Magere jaren over gaat. Uiteindelijk is dat ook wel op de oorlog terug te voeren, denk ik.’

Speelt ook mee dat er in 40-45 gedacht werd: jullie mogen er niet zijn, alleen omdat je Joods bent en verder nergens om?

‘Dat gevoel probeer ik zoveel mogelijk te onderdrukken. Maar het speelt wel een rol. Ik denk dat ik op mijn zestiende naar Auschwitz wilde om het te begrijpen. Hoe kunnen mensen dit bedenken? Hoe kunnen ze het opzetten? Hoe kunnen ze meewerken of wegkijken? Ik was in die periode heel erg boos over dit soort dingen. Ik dacht: als ik daarheen ga, begrijp ik het. Nee, dus.’

Heb je wel een begin van een antwoord gevonden?

‘Alleen het antwoord dat de mens heel slecht kan zijn. Verder heb ik vooral meer vragen gekregen. Als ik er echt bij stil sta dat mensen mijn familie hebben vermoord, mensen die precies zo waren als ik, alleen maar om het feit dat ze Joods waren… Ik kan er niet bij. Ik vraag me dan ook af of ik het overleefd had, of ik sterk genoeg geweest was voor het kamp.’

Heb je ook een antwoord gekregen op de vraag: waarom nu specifiek de Joden?

‘Ik denk omdat het een succesvolle minderheid was. Je bent kwetsbaar als minderheid, dat zijn Joden nog steeds. Dat gevoel ken ik ook wel. Maar ook heel succesvol, en erg geassimileerd en geïntegreerd. Dat was vooral in Duitsland zo, daar begon het. Hitler was een machtsgeil mannetje die dictator wilde zijn en het Joodse volk als zondebok uitkoos. Omdat hij jaloers was.’

Het was niet alleen Hitler, generaties voor deden het ook al en antisemitisme bestaat nog steeds. Waarom de Joden? Het valt me op dat Joden zelf daar vaak geen antwoord op weten. Vanuit de christelijke theologie hebben we wel een antwoord.

Doel je op Jezus?

Nee, ik bedoel het uitverkoren zijn. Dat er daarom sprake is van jaloersheid.

‘Dat zit er zeker bij, dat denk ik wel. Het voorkeur hebben bij de Eeuwige. Ik weet in ieder geval dat mensen ons als raar hebben gezien, en dat zal ook altijd zo blijven. Terwijl ik misschien iets donkerder ben, maar er verder volgens mij normaal uitzie. Misschien is het de combinatie: de jaloezie, het uitverkoren zijn en het zijn van een minderheid, dat dat als gevaarlijk wordt gezien.’

Je zei dat je een wrange band met het Jodendom hebt. Hoe zit dat?

‘Ik ben niet religieus, maar seculier. Of God bestaat? Ik weet het niet. Ik wil het graag dat Hij bestaat, al heeft mijn opa wel eens gezegd: als er een God bestaat, dan is hij oorlogsmisdadiger. Hele sterke woorden. Zo zie ik dat zelf niet. Maar die geluiden hoorde ik wel in mijn jeugd. Waarom heeft God het laten gebeuren? Maar ook de tegengeluiden waren er. Ik ben niet met religie opgegroeid. Wel met traditie. We vieren Pesach, Rosh Hasjanna. Met Jom Kippoer, grote verzoendag, probeer ik altijd naar de synagoge te gaan. Ik heb een mezoeza op de deurpost, een buisje met de zegeningen voor het huis. Op Sjabbat steek ik kaarsen aan. Dat zijn belangrijke dingen voor mij. Als ik ga trouwen, wil ik Joods trouwen. Het Jodendom zit heel erg in mij, maar ik ervaar het meer cultureel dan religieus.’

Hoe is je band met Israël?

‘Ik houd van Israël, ga er vaak op vakantie. Vooral in Tel-Aviv aard ik goed, voel ik me thuis. Jeruzalem is bijzonder, maar je voelt daar altijd de spanning. Maar ik ben ook boos op Israël. Politiek gezien. Ik ben het niet eens met wat ik de bezetting noem. Dat betekent niet dat ik er niet meer heenwil. Dat betekent wel dat ik vaak met moslims in gesprek ga, om mijn visie hierop te vertellen. Helaas is er weer een rechts kabinet gekozen, dat geen tweestatenoplossing wil. Dat is toch het minste wat we kunnen doen? Dat vind ik jammer. Ik heb daar wel een hele tijd langs kunnen kijken, maar naarmate ik ouder word is dat steeds moeilijker. Tegen niet-Joden ben ik Israël altijd aan het verdedigen en onder mijn Joodse vrienden ben ik Israel aan het nuanceren. Het punt is: ik ben zelf niet blij met deze regering. Ik ken Palestijnen, die vind ik aardig. Ik ken hun verhaal en dat is heftig. Aan de andere kant: er wordt in het publieke debat zo vaak een link gelegd met het bestaansrecht van Israël. Dat mag je niet in twijfel trekken. Daar ben ik altijd bang voor.’

Waarop baseer je dat bestaansrecht?

‘De holocaust. In 1948 hebben we een Joodse staat gekregen. Het is allemaal niet heel handig gegaan, aan beide kanten niet. Het was ook een oorlog. Na de Tweede Wereldoorlog wilden mensen vluchten. Ze moesten ergens heen. Er zit altijd in je hoofd: als het weer eens gebeurt, moet er een staat zijn waar Joden veilig zijn. Ik ga meestal niet meer in discussie met mensen die dat aanvechten, omdat ik het niet zo goed kan uitleggen. Het is een gevoel.’

Het aantal antisemitische incidenten is toegenomen in Nederland. Merk je daar iets van?

‘Dat was vooral afgelopen zomer zo, tijdens de Gaza-oorlog. Ik heb toen een keer in een tv-programma gezegd dat ik een kritische zionist was. Komt er iemand van een Palestina-beweging naar me toe, die zegt: ‘Je bent een vuile fascist’. Er viel met haar niet te praten. Dat was heel pijnlijk. Kom ik thuis, zit mijn mailbox vol berichten van kritische Joden. Dat ik een landverrader zou zijn, en zeker niet namens hen sprak. Dan voel ik me in de steek gelaten. In de Joodse gemeenschap ligt kritiek heel moeilijk. Daar ben ik vrienden door kwijtgeraakt. Ik had ook een makkelijker weg kunnen kiezen, maar dat is niets voor mij.’

Interview en tekst: Arie Kok.

Natascha van Weezel is dochter van een journalistenechtpaar. Ze studeerde aan de filmacademie en werkt als freelance-journalist en filmmaker. In 2014 zond de NCRV haar film ‘Elke dag 4 mei uit’, nog te bekijken op UitzendingGemist. Haar boek De derde generatie verscheen bij Uitgeverij Balans.