Met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is de transformatie van verzorgingsstaat naar participatiemaatschappij een feit. Een kans bij uitstek voor de kerk om haar vergeelde barmhartige-Samaritaankaart eindelijk weer eens uit te spelen. Of ligt het niet zo eenvoudig?

tekst Felix de Fijter

NRC Handelsblad schreef eind september over de comeback van de kerk. De krant had redacteur Ingmar Vriesema op pad gestuurd voor een reportage in de Bethelkerk van Veenendaal. Hij schreef een verhaal over hoe de kerk de participatiesamenleving zelfbewust bij de horens vat. En hoe dat goed uitkomt, gelet op de gepeperde bezuinigingen op de zorg, waarmee het kabinet de participatiesamenleving vergezelt. Kerken hebben niet alleen de vrijwilligers, legt Vriesema uit, ze hebben ook de christelijke opdracht om te zien naar hun naasten. Eén en één is twee. Kabinet blij, christenen blij.

“Christelijke hulp moet onbaatzuchtig zijn. Met de liefde als motief”

‘Kerken zien de participatiesamenleving, in 2013 geproclameerd door de nieuwe koning, alom als kans om maatschappelijk relevanter te worden’, vervolgt de krant. Maar Vriesema vraagt zich terloops wel af of er ook niet een risico kleeft aan de maatschappelijke actieve christen. Die goede werken moeten tenslotte niet ontaarden in evangelisatie. Wieger Sikkema van de Drachtense Bethelgemeente stelt de journalist gerust: de meeste vrijwilligers beperken zich tot bidden. Nou ja, daar kan Vriesema wel mee leven. Die Wmo en de kerken? Een hemelse match.

De vraag werpt zich op of de kerk – in hoeverre je daar in algemene termen over kunt spreken – zich zó een participatiesamenleving wel moet laten aanleunen. Een samenleving waarin een sociaal deficit de laatste strohalm is voor een kwijnende kerk, de ultieme kans om z’n maatschappelijke relevantie te bewijzen.

Ingedut

In NRC Handelsblad steken vertegenwoordigers van christelijke organisaties, maar ook bisschop Gerard de Korte van de Rooms-Katholieke Kerk de hand in eigen boezem. De kerk is sinds de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 in slaap gesust, beamen ze. Zich omwentelend in de weelde van de verzorgingsstaat hoefde de kerk zich een stuk minder te bekommeren om de weduwen en wezen in de eigen heggen en steggen, maar kon het eens collecteren voor armoe, honger en ongerechtigheid in Sub-Saharisch Afrika, verrezen partnerships met minderbedeelde christengemeentes in Oost-Europa en werden Hollandse kuurvakanties voor stralingskinderen uit Tsjernobyl op poten gezet. Christelijke verpleeg-, rust- en weeshuizen in eigen land gingen sinds de jaren zestig van lieverlee over in grote zorginstellingen zonder uitgesproken identiteit. En de kerken liepen leeg.

Bijzonder hoogleraar diaconaat Herman Noordegraaf aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), trekt het verband dat het NRC legt in twijfel. “Sowieso is het overdreven te stellen dat de kerk door de verzorgingsstaat in slaap zou zijn gesust. Via allerlei diaconale activiteiten onder dak- en thuislozen, alcohol- en drugsverslaafden, ex-gedetineerden en mensen met psychische aandoeningen is het diaconaat ook sinds de invoering van de bijstandswet onverminderd doorgegaan, zeker in de grote steden. Daarbij is de veralgemenisering van christelijke zorginstellingen en organisaties eerder het gevolg van de secularisatie dan een aanjager ervan. Bewoners en personeel van christelijke tehuizen seculariseerden met de samenleving mee. En daarmee was het exclusief christelijke karakter ervan niet vol te houden.”

Noordegraaf geeft meer nuances. “In de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat werd ook voor de kerken duidelijk dat de overheid aanspreekbaar werd voor de bestaanszekerheid van hun onderdanen en dat de kerk op zoek kon naar een nieuwe diaconale taakstelling. Dat kon ook niet anders, gezien de enorme bedragen die daarmee gemoeid waren. Maar al in de crisis van de jaren tachtig kwam armenzorg onverkort terug op de kerkelijke agenda’s. Talloze diaconale campagnes zijn gevoerd om die armoede het hoofd te bieden. In 2002, bij de opkomst van de voedselbanken, was dat niet anders. Altijd hebben de kerken mensen geholpen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.”

Aantrekkingskracht

Dat ziet ook Ad Heystek, psychologiedocent aan de Christelijke Hogeschool Ede en de Theologische Universiteit in Apeldoorn en vanuit de Christelijk Gereformeerde Kerken nauw betrokken op de diaconie. “Ik denk wel dat de kerk een beetje lui is geworden. Om het positiever uit te drukken: een actieve kerk, die meedoet en participeert, zal ook weer een bloeiende kerk zijn. Dat is ook wat de kerkgeschiedenis laat zien. Toen de eerste christenen de wereld introkken, viel het op hoe ze zorg hadden voor de ander. Daar ging grote aantrekkingskracht vanuit. Dat gold zelfs voor de keizer. ‘De christenen zijn ons tot schande! Wat zijn dat voor mensen’, sprak hij verontwaardigd toen hij hoorde hoe ze met gevaar voor lijf en leden het slagveld opgingen om de doden een waardige begrafenis te geven. Maar je moet me goed begrijpen”, zegt Heystek. “Christenen moeten niet present zijn met als doel zielen te winnen voor de kerk. Nee, christelijke hulp moet onbaatzuchtig zijn. Met de liefde als motief.”

“Wat er vooral toe doet is hoe jij en ik betrokken zijn op de mensen om ons heen”

Heystek spreekt veel over het onderwerp met collega Bert Roor. “Op een aantal accentverschillen na, zijn we het eens. Bert spreekt over integral mission, waarin woord en daad telkens hand in hand gaan. Daar is niets mis mee, maar in mijn optiek moet de kerk in onze cultuur onbevangen zijn in hulpverlening. Ongeacht overtuigingen of afkomst een naaste zijn voor de ander. En daar hoeft de Bijbel dus niet gelijk bij open. Op een zeker moment zal de vraag wel komen: waarom doe je deze dingen? En dan kun je over Christus vertellen.”

“Ik redeneer voortdurend vanuit de kerk als geloofsgemeenschap”, zegt Roor. De CHE-docent diaconale en missionaire presentie kent de christelijke wereld in Nederland van haver tot gort. Roor was werkzaam bij de RPF, het CNV, Tear, de Evangelische Alliantie en vandaag dus de CHE. “De vraag die mij bezighoudt is hoe je als gelovige burger voor je omgeving van waarde kunt zijn. Van mens tot mens, of bijvoorbeeld in termen van vrijwilligerswerk. Synchroon daaraan werpt zich de vraag op wat de kerk als gemeenschap in de samenleving kan betekenen.”

Zorg en kerk onder één dak

Een sprekend voorbeeld vinden Roor en Heystek in Amersfoort. In de Vinex-wijk Vathorst is het project Buitengewoon Zorgzaam gestart. De Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) hebben samen met een kinderdagverblijf en twee zorginstellingen gewerkt aan een heel nieuw concept. Onder het motto ‘samen leven, groeien en geloven’ opereren de vier organisaties onder één dak. En dat niet alleen, ook met de bedoeling dat alle andere ruimten gedeeld worden. Dus de kerkleden drinken koffie bij de horecadagbesteding van Accolade, de crèche op zondag maakt gebruik van het kindercentrum en de kerkenraad vergadert in de kantoorruimte die overdag door Sprank wordt gebruikt. Een heel nieuwe vorm van naar elkaar omzien en een zeer praktische invulling van het diaconaat.

Het is een mooi, maar tegelijkertijd vrij uitzonderlijk voorbeeld, zeggen Roor en Heystek. “Een belangrijk voordeel voor de gemeente in deze wijk was dat ze kon bouwen vanuit een nulpunt. Vathorst is een nieuwe wijk, waar de kerk en de gemeenschap nog geen lange, diepgewortelde geschiedenis kennen, met alle verbanden en gebruiken van dien”, aldus Roor. “Over het algemeen zie je dat ‘normale’ geloofsgemeenschappen of kerkelijke gemeenten die worstelen met de vragen op hen afkomen. En dat brengt ze in verlegenheid.”

Die zoektocht is nu halverwege, denkt de docent. “En de voorbije jaren heb ik hoopgevende initiatieven zien ontstaan. Op lokaal niveau, maar ook landelijk, zoals stichting Hulp in Praktijk (HiP), een flink groeiend platform waarop kerkleden en parochianen in hun eigen buurt vrijwillig hulp bieden aan mensen in nood. Maar wat er vooral toe doet”, zegt Roor, “is hoe jij en ik betrokken zijn op de mensen om ons heen en hoe de kerk ons daarin stimuleert. Iets professioneel op poten zetten, kunnen we allemaal, maar hoe bevorder je dat mensen er van binnenuit voor kiezen om op hun omgeving betrokken zijn? Vaak komt het meeste werk neer op de schouders van een klein groepje vrijwilligers.”

Roor heeft in zijn eigen gemeente de werkgroep Levende Stenen, die er een gaven- en interessebank op nahoudt. Hiertoe wordt gemeenteleden gevraagd een formulier in te vullen zodat een database ontstaat die op het moment van vacatures, in welke vorm dan ook, geraadpleegd kan worden. Veertig procent geeft aan nu niet beschikbaar te zijn. Een kleine minderheid is bereid een permanente taak op zich te nemen, maar op meer dan de helft mag de gemeente de komende twee jaar alleen voor kortlopende zaken of een incidenteel klusje tussendoor een beroep doen. Dat is op de lange termijn gewoon onvoldoende.

Vanuit dat perspectief is het volgens Heystek geen slechte zaak dat de overheid bewust of onbewust een groter appèl doet op de kerken in ons land. “De overheid – met z’n participatiemaatschappij – schudt ons wakker. Als je een kikker langzaam opwarmt in een pannetje water, blijft het beest rustig zitten. Hij heeft niet in de gaten dat ‘ie gekookt wordt. Dat zou je ook van de kerk kunnen zeggen; opgewarmd in het pannetje van de verzorgingsstaat. Nu die verzorgingsstaat niet meer is, en de context is veranderd, zal de kerk, al leidt ze vaak een wegkwijnend bestaan, opnieuw moeten leren haar roeping te verstaan.”

Is de Wmo een kans? “Ja”, zegt Noordegraaf. “Maar niet om maatschappelijk relevant te zijn. Je zet je in voor mensen in nood omdat het Evangelie ons daartoe oproept. Daarin moeten we de mogelijkheden van kerken ook niet overschatten. Als kerken enige activiteiten goed kunnen uitvoeren, op het vlak van schuldhulpverlening bijvoorbeeld of in het bijstaan van ex-gedetineerden, dan is dat gezien de huidige omvang van kerken al heel mooi. Het is een illusie om te denken dat kerken de terugtrekkende beweging van de overheid kunnen compenseren.”

“Diaconaat heeft een waarde in zichzelf”, vervolgt Noordegraaf. “Als onderdeel van het christelijk geloof. Een mogelijke vrucht daarvan is dat de mensen die je helpt op de kerk betrokken raken, want verkondiging van het Evangelie geschiedt ook door het handelen, maar dat mag nooit je doel zijn.”

Wmo in het kort

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is met ingang 1 januari 2007 van kracht. Met de wet is de basis gelegd onder het stelsel van Zorg en Welzijn, waar ook de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) deel van uitmaken. Grote lijn is dat de overheid almaar meer zorgtaken in de handen van de lokale overheden legt.

De Wmo verplicht gemeenten om z’n inwoners keuze te bieden uit hulp in natura of een persoonsgebonden budget, waarmee de zorg of hulp zelf ingekocht kan worden. Daarnaast is er een compensatieplicht. Die houdt in dat de beperkingen (bijvoorbeeld wat huishouden betreft) die iemand ondervindt moeten worden gecompenseerd door voorzieningen aan te bieden.

De Wmo omvat onder meer woningaanpassingen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen (voorheen via de Wet voorziening gehandicapten), welzijnsbeleid (voorheen via de Welzijnswet), huishoudelijke verzorging (voorheen via de AWBZ), bestrijding van huiselijk geweld, vrouwenopvang en zorg voor dak- en thuislozen.

Vanaf 1 januari 2015 is de implementatie van de Wmo compleet. De gemeentelijke overheid is vanaf dat moment verantwoordelijk voor vrijwel alle ondersteuning aan mensen die het op zichzelf niet redden op het gebied van werk en inkomen, zorg, welzijn, opvoeding en jeugdzorg.

Bronnen: Wikipedia, Rijksoverheid.nl, invoeringwmo.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *