Dominee Hilde Graafland, dochter van wijlen dr. C. Graafland, werkt al 19 jaar als predikant. De discussie over vrouwen in het ambt is ze zelf allang voorbij, maar toch laat ze van zich horen.

tekst Eline Kuijper beeld Albert Jan ten Napel

“Op de kansel draag ik een toga”, zegt dominee Graafland (56). In haar Veenendaalse werkkamer staat naast de overvolle boekenkasten ook een grote kledingkast, waar haar ambtsgewaden in hangen. Trots laat ze haar mooiste stola zien, bewerkt met een paarskleurige wijnrank. Ze is blij met dit gebruik in haar kerk. “In een toga voel ik me echt een ambtsdrager. Het gaat dan niet om mij als mens, maar om het ambt dat ik draag.”

“Het is een kwestie van onrecht. In mijn studietijd heb ik dat zo ervaren: je wordt als vrouw monddood gemaakt.”

Graafland lijkt vrij van twijfel. Kalm en evenwichtig vertelt ze over haar ambt, ze oogt op haar plek tussen de boekenkasten. Maar de keuze voor het predikantschap was niet vanzelfsprekend. “Eerst heb ik sociaal werk gedaan. Pas vrij laat, op mijn 28e, begon ik met mijn theologiestudie. In die tijd begaf ik me nog in kringen van de Gereformeerde Bond, waar vrouwen niet mochten preken. Ik begon op zaterdag Grieks en Latijn te leren. Tegen de mensen om mij heen zei ik dat ik nog niet zeker wist wat ik ermee wilde. Als ik mezelf dan hoorde praten, dacht ik: eigenlijk wil ik gewoon heel graag theologie studeren. Op grond van mijn wil ben ik dat gaan doen.”

Geen briefje uit de hemel, geen spectaculaire roeping, maar een persoonlijk wilsbesluit. En dat als vrouw in een richting van de kerk waar het ambt uitsluitend voor mannen bestemd was. Dat moet niet makkelijk zijn geweest. “In het dispuut waar ik bij zat, liep ik direct tegen mijn vrouw-zijn op. Ik kon bijvoorbeeld geen preken oefenen, want dat mochten alleen mannen. Ik was al 28 jaar en had in mijn werk al leidinggevende posities gehad. Als er dan een 19-jarige jongen tegen je zegt: ‘Dat kun jij niet want jij bent vrouw’, dan word je inwendig zó boos. Dan pas voel je wat het betekent: omdat je vrouw bent mag je niet.”

In het tweede jaar van haar studie, na een grondige verkenning van het Oude en Nieuwe Testament, besloot Graafland: vrouwen mogen preken. “Ik ben er een jaar lang uitvoerig mee bezig geweest. De profetes Hulda was voor mij heel belangrijk. Een vrouw die zegt: ‘Zo spreekt de Heere, die-en-die is vervloekt’, dat is spreken met gezag! En als je leest dat Paulus zegt dat vrouwen mogen profeteren, dan ga je denken: wat is dat eigenlijk? Dat is dus gewoon preken: spreken met gezag.”

Het is geen gemakkelijke weg geweest voor Graafland. In haar studietijd is ze overspannen geraakt en vertrokken bij de Gereformeerde Bond. “Ik bedacht: ingenieur Van der Graaf (destijds algemeen secretaris, ek) ligt er niet wakker van, en ik word overspannen. Dan kan ik beter weggaan.

Lang heb ik het gevoel gehad dat ik het niet kon, preken. Dat vrouwen het niet konden. Die twijfel en onzekerheid kwamen ook doordat ik geen rolmodellen had. De vrouwelijke predikanten die ik had gehoord waren allemaal behoorlijk vrijzinnig, dus daaruit kreeg ik geen goede indruk. Ik vond er gewoon niets aan. Wat me hielp was de eerste keer dat ik zelf voorging, op mijn 35e in Pijnacker. Toen ik die eerste preek had gehouden, werd ik heel erg bevestigd. Ik voelde direct: hier pas ik. Ik had geen voorbeeld gehad, maar dat had ik ook niet meer zo nodig.”

Van haar vader kreeg ze wel bevestiging. Ver voor zijn dochter ging studeren, stond hij al open voor vrouwen in het ambt. “Mijn vader was predikant in Amsterdam en had daar al te maken met vrouwen in de kerkeraad. Hij ontdekte dat zij veel betere gesprekken voerden in de consistorie dan de mannen.”

Bij haar moeder duurde dat wat langer, maar toen ze haar dochter voor het eerst had horen preken was ook zij om. “Mijn moeder kwam na afloop naar me toe en zei: ‘Ik vergat helemaal dat er een vrouw stond!’ Zij liet zich dus door de praktijk overtuigen.”

Maar is het Woord niet belangrijker dan de praktijk? “Het punt is dat de Bijbel wel ruimte geeft voor vrouwen in het ambt. Bovendien is het een secundair thema: het is geen heilszaak. Er staan dingen in de Bijbel die je absoluut niet kunt opgeven: de verzoening in Christus, God als onze Schepper, de opstanding van Jezus. Maar er staan ook dingen aan de rand: polygamie in het Oude Testament, alleenstaande vrouwen die bij hun vader moeten blijven wonen en als die is overleden bij hun broer moeten intrekken. Daar zijn we allang voorbij. Zo is ook vrouwen in het ambt een secundair punt. De kern gaat er niet mee verloren, en nogmaals: de Bijbel gééft er ruimte voor.”

Het is volgens Graafland ontzettend belangrijk om te beseffen hoe subjectief wij mensen de Bijbel lezen. “Je kiest als mens zelf hoe je de Bijbel benadert. Ik kies voor de insteek van zo veel mogelijk ruimte voor de vrouw. Dat is subjectief. Maar die andere insteek, van de minimale ruimte voor de vrouw – die aangehangen wordt in veel geschriften van mannen in de rechterflank – is dat evengoed. Onze wil en onze belangen spelen mee in hoe we lezen. Als je dat zelf eerlijk toegeeft, zie je ook dat het bij anderen zo werkt.”

Inmiddels heeft ze geen bevestiging meer nodig, want door de jaren heen heeft ze vaak genoeg gezien dat God haar gebruikt heeft. Op de vraag of er dingen zijn waar ze tegen aanloopt als vrouw, zegt ze: “Ik ben nogal emotioneel.” Maar dat die eigenschap ook juist heel krachtig kan werken, bleek al in haar eerste gemeente. “Er was een jongen van 31 uit de gemeente die op sterven lag. Ik vertelde tijdens de mededelingen dat zijn ouders bij hem waren en dat de stekker eruit getrokken zou worden. Aan het einde van de dienst heb ik voor hem gebeden en toen werd ik emotioneel. Ik dacht dat de mensen zouden denken: zie je wel! Maar ik ontving juist heel veel steun. Veel mensen in de kerk zeiden dat ze zelf ook volschoten.”

Ook al houdt het vraagstuk haar zelf niet meer bezig, ze legt graag uit waarom ze zich nog in het gesprek mengt. “Het is een kwestie van onrecht. In mijn studietijd heb ik dat zo ervaren: je wordt als vrouw monddood gemaakt. Dat is verdrietig. Dominee S. Meijer zei erover: ‘Als het mag, dan moet het ook.’ Daar ben ik het mee eens. Als wij vrouwen het mogen, dan moet het ook mogelijk zijn voor degenen die zich geroepen weten. Anders is het onrecht.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *