Beste Gert-Jan,

Net als jij heb ik lang in het buitenland gewoond. Jij werkte in de islamitische wereld en jouw oordeel over de islam heeft zich mede gevormd, begrijp ik, door de ervaringen die je opdeed tijdens je verblijf in Egypte.

Ik werkte in de jaren negentig in de voormalige Sovjet-Unie. Vanuit Moskou bereisde ik dit voormalige imperium, dat ernstig in verval was geraakt. Er braken burgeroorlogen uit, van de Kaukasus tot in Centraal-Azië. Overal heerste diepe armoede, terwijl een kleine groep roverskapitalisten enorme rijkdommen vergaarde. De overheid was door en door corrupt. Wie, zoals ik, uit West-Europa kwam, kon niet anders dan verbijsterd zijn over zo veel cynisme en zo veel ambtelijk en politiek misbruik. Mij werd duidelijk: de staat is hier niet voor de burgers, maar de burgers zijn er voor de staat. 

Ik herinner me één moment heel goed. Het heeft mede mijn blik beïnvloed op de problemen waar wij in Nederland en in het algemeen in het Westen voor staan. Het is ook niet voor het eerst dat ik deze anekdote vertel. 

Een jongetje van een jaar of zeven trad naar voren, met in zijn rechterknuist een dolk, een ‘kindzjal’. Hij strekte zijn arm, priemde met z’n kindzjal naar de hemel en riep dat hij ‘die ongelovigen, Inshallah, zou doden’.

In de Russische deelrepubliek Tsjetsjenië, een van oudsher islamitische regio in de noordelijke Kaukasus, begonnen rebellen een afscheidingsoorlog tegen het Kremlin. Die oorlog wisten de Tsjetsjenen, die historisch een krijgshaftige reputatie hebben, nota bene te winnen, zozeer was het eens zo trotse Rode Leger gedemoraliseerd geraakt. Ik ging erheen om verslag te doen en verdwaalde in een Tsjetsjeens dorpje. Hier staarden we op een boerenerf, samen met de bewoners, naar de hemel. Niet omdat zij hulp van God, of in hun geval Allah, verwachtten, maar omdat daar Russische gevechtshelikopters overvlogen.  

Een jongetje van een jaar of zeven trad naar voren, met in zijn rechterknuist een dolk, een ‘kindzjal’. Hij strekte zijn arm, priemde met z’n kindzjal naar de hemel en riep dat hij ‘die ongelovigen, Inshallah, zou doden’.

Ik reageerde zoals een Nederlander waarschijnlijk reflexmatig doet: ik riep het jongetje tot de orde. Zo veel bloeddorst in zo’n klein mens, ik vond het naar. “Kalm aan”, mompelde ik. Zijn vader keerde zich tot mij, verbaasd, en antwoordde: “Waarom? Ik ben trots op mijn zoon. Hopelijk zal hij ooit veel Russen doden.”

Welkom in een andere werkelijkheid, dacht ik. Welkom in een wereld waar mensen er geheel andere normen en waarden op nahouden, waar oorlog en het doden van je tegenstander vanzelfsprekendheden zijn. Onze Verlichting, onze verinnerlijkte ‘christelijk-joodse’ cultuur, onze mensenrechten, onze ‘Nederlandse identiteit’: die context bestond hier niet en deed er niet toe.

‘Vrees niet’ is vandaag ons thema. Maar ik vrees wel degelijk. Ik was toevallig op die tijd op die plek in de Kaukasus, maar overal ter wereld zijn er gebieden waar onze Rede afwezig is en waar wordt gelachen om onze christelijke normen en waarden. Dankzij onze ruimhartigheid en vanuit de gedachte dat ieder mens naar Gods beeld is geschapen, hebben wij onze kwetsbare, vrije samenlevingen opengesteld voor ondermijnende invloeden uit die onvrije regio’s: via massale immigratie, via door dubieuze regimes gefinancierde moskeeën, via orthodox-islamitische scholen, kortom: doordat wij decennialang de ontwikkeling van parallelle samenlevingen hebben toegestaan en het gevaar ervan genegeerd. 

Als die tien jaar in Rusland mij iets hebben doen inzien, dan is het de waarde van onze democratische rechtsstaat – van onze Nederlandse identiteit – en het inzicht dat we die ten koste van alles moeten verdedigen. Dat we niet een linkerwang moeten toekeren aan mensen die ons tegemoet treden met een kindzjal en ons willen vernietigen.

Ik zie dit besef van urgentie nauwelijks terug. Niet in de media, de sector waarin ik werk, en evenmin in de politiek, jouw wereld. Ik zou alle Nederlanders – journalisten, politici en anderen – een ervaring toewensen als destijds die van mij in Tsjetsjenië. Het scherpt je zintuigen en doet je inzien wat er allemaal op het spel staat. 

Hartelijke groet!

Wierd

Lees hier de brief van Gert-Jan Segers aan Wierd Duk.

2 thoughts on “Beste Gert-Jan, ik vrees wel degelijk

  1. Weird Duk, je woorden aan de leider van de CU en (diverse van) zijn fractiegenoten zijn aan dovemansoren gezegd.
    Hij reageert geheel vanuit eigen rechtstatelijke stramien en WIL het gevaar niet zien en erkennen. Hij kan en wil niet anders.
    Ik heb, als-nog-steeds lid, de CU hierover herhaaldelijk geschreven. Als er een sussend antwoord kwam bleek mij daaruit een geest van berusting. De CU, en andere politieke partijen hebben zich er bij neergelegd (of begroeten) dat veel buitenlanders, die hier worden opgevangen, maar geen deel van de NL cultuur kunnen/zullen/of willen uitmaken, hier permanent zullen zijn ook wanneer hun thuislanden weer veilig zijn. Dat heeft de politiek zichzelf als verplichting opgelegd.
    Dat een functionerend terugzendbeleid faalt wordt niet erkend; er hoeft dus niets aan gedaan te worden. Dus loopt het land vol met buitenlanders die in toenemende mate hun, niet-Nederlandse cultuur (moraal, levensstijl, gedachtenkronkels) hier als acceptabel willen introduceren. Media en politiek faciliteren daarin en wee je gebeente als er kritiek klinkt.
    Seegers zou, ook uit de historie, beter moeten weten hoe de doortrapt leugenachtige Islam werkt(e). Maar WIL het niet; hem en zijn nageslacht ten schade, maar ook het uwe.
    De grote afleidingstruc in deze zijn genderkolder, zeer kostbare CO2-bedrog en nog wat van die opgeklopte ‘’problemen’, die de productieve sectoren worden aangewreven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *