tekst Wilfred Hermans beeld Albert Jan ten Napel 

In een dodencel van de nazi’s zwoer Nico van Hasselt (1924) zichzelf een eed: ‘Als ik hier ooit uitkom, dien ik de rest van mijn leven als huisarts.’ En die belofte doet hij gestand. Ook nu hij 91 jaar oud is geworden. “In de oorlog was ik een nummer: 6876. In mijn praktijk zal niemand ooit een nummer zijn.”

Dag 1: De dag van vandaag.

“Mijn spreekuur start om 7.00 uur. Ik wil niet dat iemand door een bezoek aan de huisarts moet verzuimen. De rest van de ochtend vul ik met visites, tot 12.00 uur. Dan eet ik wat, heb ik een volgend spreekuur en de rest van de dag besteed ik aan huisbezoeken, vergaderingen, bijscholing – van alles.

Ondertussen help ik geregeld zieke toeristen in hotels. Zij willen graag zo snel mogelijk weer de oude zijn. Duitsers help ik ook, maar niet in het Duits. Het moet in het Engels gebeuren. Jammer dan; naweeën van de oorlog. Ik rijd ook geen Volkswagen, overigens, en je zult me nooit in Duitsland treffen. Eén keer moest ik met de trein dóór Duitsland heen, maar ik ben wel blijven zitten. Er heeft daar een bepaalde geest geheerst en sommigen met die geest leven nog; ze hebben kinderen gekregen en ik weet niet hoe die zijn opgevoed…

Zo’n concentratiekamp was niet zo leuk, hè. Ik kan mijn arm niet meer strekken en mijn schouder is vernield. Die schiet bij bepaalde bewegingen uit de kom. En ik heb huidkanker gehad, dus ik mis een stuk neus. Ulcus rodens heet het, een zweer in mijn wang. Ik ben niet goed geopereerd en een paar dagen geleden merkte ik weer dat het nog steeds niet goed zit. Als ik wat drink, komt het m’n neus weer uit. Nu moet ik proberen bij het drinken niet te morsen, zie je?”

Dag 2: De dag dat ik mij verzette tegen mijn ouders.

“De familie Van Hasselt is een Patriciërsfamilie; met een wapen. Onze geschiedenis gaat terug tot het jaar 1500. Dat doet wat met een familie. Mij is altijd verteld dat ik wat meer was dan een ander. Mijn vader was bankier. Dat hadden ze voor mij ook bedacht. Ik had rechten moeten studeren en mijn vader moeten opvolgen. Ik wilde huisarts worden, maar dat werd afgekeurd. Een Van Hasselt behoort gediend te worden; terwijl je als huisarts een dienend beroep heb. 

Mijn ouders en ik hebben veel ruzie gemaakt. Ik heb weleens een wekker door het huis gegooid, weet ik nog. Ze vonden me maar een lastig kind. Ik paste niet in het geheel en ben zelfs eens door mijn ouders naar een psychiater gestuurd; dokter Struik. Niks geholpen 

In strenge winters gingen we vaak ijshockeyen. Ik had hoge schoenen waar ze ijzers onder schroefden. Maar mijn broer kreeg officiële ijshockeyschaatsen! Dat heeft me altijd gestoken. Hij werd wel bankier; heeft het geschopt tot directeur van een grote bank in de Spuistraat.

De oorlog heeft bij mij een omslag teweeggebracht. Op m’n achttiende ben ik uit huis gezet, omdat ik begon te protesteren tegen de gang van zaken. Ik kwam in het verzet terecht en werd uiteindelijk opgepakt. In de gevangenis ontdekte ik dat de wereld anders in elkaar zat dan mijn ouders me hadden geleerd. Dat Onze Lieve Heer het zo niet had bedoeld: niet je naam, of je familie zijn belangrijk, het komt op jouzelf aan. Dat betekende een hele omwenteling in mijn leven.

Toen ik uit de gevangenis kwam, was ik thuis niet erg welkom. Sterker nog: ze hadden gehoopt ik het niet overleefd zou hebben. Dat kun je je niet voorstellen, dat kun je je niet voorstellen.

Of het mij negatief gevormd heeft? Ik geloof het niet. Ik heb me eraan ontworsteld en heb een eigen leven opgebouwd. Ik ben al 63 jaar getrouwd, hoor!”

Dag 3: De dag dat ik ontsnapte uit Kamp Vught.

“Ik werd verraden, kwam in Arnhem terecht en op 1 april 1943 in Vught. Dan krijg je zo’n rooie bal op je rug, ten teken dat je politiek gevangene bent; dat je eraan gaat. Vught was mijn eerste ervaring in een concentratiekamp, dus dan ken je de regels nog niet. Omdat ik niet onderdanig genoeg was, werd ik in elkaar geslagen door Erich. Die naam vergeet ik niet meer. Erich was Kapo, kamp-oudste, en ik had hem nederig moeten begroeten: pet af! Je had daar zo’n raar petje op.

Op 14 juli 1943, ik was negentien, ben ik uit Vught gevlucht; een wonderlijk en klungelig verhaal. Een vrachtwagen van Philips kwam het kamp inrijden en zou leeg weer vertrekken. Samen met Theo Vrins, een lotgenoot van me, ben ik gewoon in de laadruimte gestapt. Met de chauffeur spraken we af dat hij ons zou meenemen; ze zouden ons toch niet missen, want we hadden toestemming om naar de tandarts te gaan. We verstopten ons achter een laadklep. Een Duitser keek naar binnen, maar kon ons niet zien, waarschijnlijk verblind door het zonlicht. Achteraf zeg je: we waren gék dat we zo’n risico namen, want als hij ons wél gezien had, waren we ter plaatse doodgeschoten.

“We vroegen de chauffeur de grendel niet op de deur te doen, maar die viel er onderweg toch op. Wij trappen tegen de deuren… Dat hoorde de chauffeur, dus hij kwam kijken; de Duitser die naast hem zat gelukkig niet! Toen hij weer ging rijden, zijn we eruit gesprongen, bij Woensel. Net een jongensboek… We liepen langs de weg in gevangeniskleding, met van die blauwwitte strepen. We hebben gewoon maar ergens aangebeld. Een man deed open; twee zoons van ‘m waren in Duitsland te werk waren gesteld. Hij ontving ons vriendelijk, gooide onze kampkleding in de prullenbak en gaf ons de kleding van zijn zoons.

Op 24 augustus 1943 wilden we naar Engeland, maar eenmaal op zee begaf de motor het. Een Duits konvooi zag ons dobberen en nam ons gevangen. Na verhoor werden we naar de Weteringschans in Amsterdam gebracht, en van daar naar Utrecht; eerst zes weken geboeid op een plank in de Wolvenstraat – bepaald niet prettig, maar ik heette vluchtgevaarlijk – en daarna naar de Gansstraat. In de dodencel. 

Dag 4: De dag dat ik beloofde om huisarts te worden.

“In de dodencel aan de Gansstraat in Utrecht zat ik met huisarts Brouwer uit Bilthoven. We filosofeerden vaak over de vraag: waarom leven wij? We trokken de conclusie dat Onze Lieve Heer ons op aarde had gezet opdat we er voor elkaar zouden zijn, en elkaar daarom zouden helpen. Daarom besloot ik toen: als ik hier levend uit kom, word ik huisarts en blijf ik dat zolang ik kan. In de dodencel heb ik leren bidden. Ik bad om kracht. Nee, niet om bevrijd te worden, maar om kracht om later huisarts te worden. We hebben nooit voor onszelf gebeden, wel dat we mochten meewerken aan een betere wereld.”

“Vanuit Utrecht werd ik overgebracht naar Amersfoort. Daar ontmoette ik mijn reddende engel, mevrouw Van Overeem van het Rode Kruis; ik had haar al eerder gezien in de Weteringschans. Blijkbaar had ze medelijden, want ze deed voorkomen alsof ik ernstig ziek was en meteen naar de ziekenbarak moest. Daar zei men dat ik een nierziekte had. Wonder boven wonder was ik na drie dagen gezond – haha!” 

“Al die tijd gingen we ervan uit dat we bevrijd zouden worden. We maakten ook weleens grapjes tegen die Duitsers, zo van: als je straks nog medische hulp nodig hebt… We vormden een eenheid, dat gaf ons houvast. De mensen die niet geloofden, gingen er eerder aan; hun weerstand was sneller gebroken. Het waren de sterkeren in het geloof die het haalden.”

Dag 5: De dag dat ik het proces tegen mijn zorgverzekering won.

“Zorgverzekering ZAO verplichte mij in 1991 te stoppen met werken. Recent heeft de Commissie Gelijke Behandeling mij gelijk gegeven: de leeftijdsgrens voor huisartsen is vervallen. Maar we zijn door een hel gegaan, het was vreselijk. Mijn ziekenfondspatiënten werden me afgenomen, ik mocht geen recepten meer schrijven, ze hebben zelfs ziekenhuizen geschreven dat ik niet meer bestond. Toen ben ik zelf maar medicijnen gaan kopen en ze m’n patiënten cadeau gegeven. Waarom zou ik verplicht van mijn pensioen genieten? Daar word ik helemaal kriegelig van! Het is dom: als je prettig oud wilt worden, moet je juist actief blijven.

Het voortdurende wantrouwen vind ik de grootste narigheid. De inspectie kijkt of ik het wel goed doe, ik moet formulieren invullen, bijvoorbeeld van alle griepinjecties. Maar wat kan ik anders met een griepinjectie? Ik kan ze toch niet opeten?! O wéé dat ik ‘m eens aan een koe zou geven! O wéé dat ik het eens aan iemand zou geven die er nét de leeftijd niet voor heeft… Whoaa!” 

Dag 6: De dag dat ik een nummer werd.

“Het mooie aan het vak van huisarts vind ik dat je de mensen kent. Ik word uitgenodigd op bruiloften en begrafenissen. Sommige patiënten ken ik al vijftig jaar. Een huisarts hóórt ook een plaats te hebben in iemands leven. Daarom ben ik het niet eens met het huidige afschuifsysteem met assistenten, praktijkondersteuners en weet ik wat. Als je het alleen niet aankunt, moet je geen patiënten meer aannemen. Ik wil de mensen leren kennen. Een mens is een mens, geen nummer. Gedegradeerd worden van een mens tot een nummer is het ergste wat mij is overkomen. Zo mensonterend… ik kan het niet uitleggen.

Maar wat zie je gebeuren? In de geneeskunde worden mensen weer een nummer! Bij je aandoening hoort een code. Dat weiger ik, dan verdien ik maar minder. Bij mij is het mevrouw Jansen die met een verháál komt, en niet een verstopte neus die toevallig mevrouw Jansen heet.

In mijn spreekkamer hangt geen klok. Tijd is geen geld, tijd is aandacht, en dat is vaak al een medicijn. Stel: ik heb haast, geef iemand het juiste medicijn en stuur ‘m direct weer weg. Dan helpt het niks. Wat ik doe – dat heb ik in de praktijk geleerd – is dit. Ik ga zitten en zeg: ‘Gezellig dat je er bent, kom je wat vertellen?’ Of ik zeg: ‘Mooie schoenen heb je an!’ Omdat ik ze ken, weet ik waarom iemand bij me komt. Bijvoorbeeld een jongen met een schaafwond. Dan zeg ik: ‘Mooie schaafwond, laat me die eens bekijken. En hoe is het eigenlijk met je scooter afgelopen?’ Als ik dat wondje zonder een woord te zeggen behandel en diegene met een pleister erop naar huis stuur, had ‘ie daarna kreupel rondgelopen. Een schaafwond stelt medisch niks voor, maar die jongen is wel geschept door een auto, er is een ambulance bij geweest, hij heeft een halskraag gekregen.

Die manier van werken kost tijd, ja. Maar een week heeft zeven maal 24 uur. Als je zestien uur per week wilt werken, moet je geen huisarts worden.”

Dag 7: De dag die nog moet komen.

“Ik geloof dat ons leven een proefwerk is, en dat we straks horen hoe je dat proefwerk hebt gemaakt. Dat weet je straks pas. Nee, dat is niet de reden dat ik zo hard werk. Ik probeer het gewoon zo goed mogelijk te doen.

Ik ga uit van onze feilbaarheid, waaraan je elke dag moet werken om zo te proberen een beter mens te worden. Soms denk ik dat moeilijkheden met een bedoeling op ons pad gekomen zijn – moeilijke vragen uit het proefwerk – om zo sterk genoeg te worden om het proefwerk te kunnen maken. Verbeeld je dat ik de oorlog niet had meegemaakt; dan was ik vermoedelijk een strontvervelend jongetje geworden die zijn vader als bankier had opgevolgd. Ik zou naast mijn schoenen hebben gelopen uit verwaandheid en niet met mensen om hebben kunnen gaan.   

Hoe het er in de hemel aan toe zal gaan? Daar kan ik me met de beste wil van de wereld niks bij voorstellen. Het is onvoorstelbaar dat we hier nutteloos zouden zijn, dus in de hemel zal er wellicht ook een programma zijn waar wij inpassen. Ik zou het jammer vinden als ik nu doodging; mijn werk is nog niet af. Ik pieker er wel over hoe dat moet, met de patiënten, want er komt geen opvolger; hoe moet ik het ze zeggen? Hoe ik hoop dat ze mij zullen herinneren? Ik hoop dat er zijn die zullen zeggen: dank je wel.”

 

10 Levenslessen van Nico van Hasselt

1. Je kunt je niet voorstaan op je naam of familie, het komt op jouzelf aan.

2. Vergeet het thuisfront van verzetsstrijders uit de oorlog niet. Zíj zijn de echte helden.

3. Het geloof maakt je sterk en helpt je om in moeilijke situaties vol te houden.

4. Eenheid zorgt voor houvast. 

5. Tijd is geen geld. Tijd is aandacht, en dat is vaak al een medicijn.

6. Denk aan je medemens. Je bent onderdeel van de gemeenschap.

7. Probeer vertrouwen te hebben, geen wantrouwen.

8. Als je prettig oud wilt worden, moet je actief blijven.

9. Een mens is een mens, geen nummer.

10. Het geheim van een goed huwelijk: dat je vrouw je verdraagt.

2 thoughts on “Bij huisarts Nico van Hasselt (92) is niemand ooit een nummer

  1. Hij had mijn moeder beloofd dat hij zou assisteren bij mijn geboorte. Ik was haar 1e. De geboorte kwam echter op een moment dat hij net in Zeeland was, en direct na de kerst. Hij is daar helemaal vandaan gekomen, op een winterse dag in de ochtend, en kon er nog bij zijn, in het Luthers Diakonessenhuis aan het Vondelpark. Dat was in 1969. Daarmee was zijn kerst dus ten einde, direct volgende dag weer aan de slag… Ik weet niet of het een overdrijving is maar ik hou ‘m er graag in: hij zou op een bepaald moment tijdens die rit zelfs met 2 wielen door de bocht zijn gegaan :-). Bij ons is dit een familie-anekdote die ik altijd graag hoor. Soms stond zijn foto wel eens in de Trouw als iets over huisartsen ging. “Dit is de dokter die je ter wereld heeft geholpen”. Dank je wel!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *