Rik Torfs (1956) is rector van de grootste universiteit van de Lage Landen. Als gelovig katholiek is hij een vurig pleitbezorger van de christelijke traditie. ‘Niet om die te behouden, maar om ermee te spelen.’

Tekst Karel Smouter

Het woord aimabel lijkt haast voor hem in het leven geroepen. De kleine rector rijgt in zangerig Vlaams de prachtigste volzinnen aaneen, terwijl hij intussen een stapel papieren van zijn handtekening voorziet. “Dat is nu eenmaal het werk van een rector hè. Eindeloos papieren tekenen.” Hij lacht een minzame glimlach.

Wees gerust, lijkt die lach te zeggen. Ik ben zomaar een mens, die in feite maar wat voor zich uit zit te prevelen. Maar is Rik Torfs inderdaad ‘zomaar’ iemand? Alleen al het lezen van zijn curriculum vitae maakt een mens moe. Hij is betrokken bij kerk (als kerkjurist), samenleving (hij was drie jaar senator voor de Vlaamse christendemocraten) en universiteit (als rector).

“Ik denk dat het de kerk zelf is die de mensen van zich heeft vervreemd”

Hij zat ook nog eens drie seizoenen lang in de Vlaamse versie van de quiz De slimste mens, op de stoel die in Nederland door Maarten van Rossem wordt ingenomen. En hij schrijft een veelgelezen column in kwaliteitskrant De Standaard. “Door mijn televisieoptreden, mijn column en interviews als deze voorkom ik dat mijn bestaan als rector al te eentonig wordt”, zegt hij over zijn volle werkweek. “Anders voer je als rector de hele dag politieke gesprekken over budgetten en dergelijke. Ook leuk, maar ik heb die afwisseling wel nodig.”

Wat anderen als levensmissie zien – schrijven, presenteren, oreren – doet Rik Torfs er kortom gewoon bij. Hij lijkt een 19e-eeuwse intellectueel van het formaat Abraham Kuyper. Toch kent ook de 21e eeuw geen geheimen voor hem. Torfs is een fervent twitteraar, die tussen zijn afspraken door de ene na de andere gevatte tweet de wereld in stuurt. Teksten als: ‘Als religie wordt afgeschaft, wat moet er dan gebeuren met al die mensen die in zichzelf geloven?’, ‘Als machthebbers beweren van dwarsliggers te houden, liggen ze niet dwars genoeg.’ en ‘Moralisme wijst op een samenleving zonder moraal’. “Ik heb de hele dag zo van die gedachten, hè, en door die op te schrijven bereid ik als het ware mijn columns en boeken voor.”

De staat van de kerk

In zijn teksten laat hij zich kennen als een commentator die erin slaagt behoudende standpunten te berde te brengen, zonder meteen verzuurd te klinken. Zo beziet ook hij met bedroefd gemoed de betreurenswaardige staat van de Rooms-Katholieke Kerk in zijn thuisland. Maar anders dan veel collega-conservatieven wijt hij dit niet aan die ellendige jaren ’60-moraal of aan de nihilistische tijdgeest. “Nee, ik denk dat het de kerk zelf is die de mensen van zich heeft vervreemd. De kerk heeft in haar streven toegankelijk te blijven zich beperkt tot de moraal. Ze bracht geloven in feite terug tot het volgen van een aantal regels. De één geloofde in de bevrijding uit de armoede door sociale gerechtigheid (bevrijdingstheologie, red.). De ander hamerde vooral op de seksuele moraal. Maar de strekking was in beide gevallen precies eender: je kunt zalig worden door de regels te volgen. Zo werd de kerk zomaar een manier náást andere manieren om het goede leven te leiden. Ze verloor precies wat mensen altijd tot haar had aangetrokken: haar mystiek en haar rituelen.”

Klinkt overtuigend, maar zijn het niet juist die rituelen die de kerk zo ontoegankelijk maken, nu veel mensen niet meer van jongs af aan in de kerk komen? “Ja, dat is wel zo. Maar dat is precies de paradox. Rituelen zijn belangrijk, maar zonder geloof is dat slechts onbegrijpelijk jargon. Ze worden pas toegankelijk wanneer je gelooft.”

Het probleem zit dieper. Het heeft de kerk niet ontbroken aan relevante standpunten, maar aan geloof. En dat terwijl mensen, ondanks de teloorgang van de kerk, vaak geloviger zijn dan ze denken. “Ik heb een tijdlang het televisieprogramma Nooitgedacht gepresenteerd. Lange gesprekken met bekende Vlamingen over het leven. Op het eind van het gesprek vroeg ik hen altijd wat ze geloofden. De meesten zeiden natuurlijk in niets te geloven. Maar als ik hen vervolgens vroeg wie ze in het hiernamaals hoopten te ontmoeten, volgden doorgaans hele waslijsten. Mensen bleken daar uitgesproken gelovige verwachtingen over te koesteren. En de enige van al die gasten die werkelijk zeker wist dat God niet bestaat was europoliticus Karel de Gucht. Dat zegt wat, hè?”

“Het zijn juist de afwijkende meningen die ik op de Universiteit aan het woord wil horen”

Dit soort omdraaiingen maakt Torfs tot een boeiende gesprekspartner. Hij weet altijd weer nieuwe perspectieven te schetsen in debatten die volgens velen ‘op slot’ zitten. Zoals dat over het al of niet bestaan van God. “Het valt mij op dat niet-gelovigen de God die ze afwijzen beter kennen, dan een gelovige de God die hij belijdt. Ga maar na: als je God bijvoorbeeld het bestaan van zoiets als Auschwitz verwijt en daaruit concludeert dat zo’n God niet kan bestaan, dan weet je tenminste een aantal dingen heel zeker. Dat God almachtig is, bijvoorbeeld, en dat God zomaar op elk willekeurig moment in de tijd kan ingrijpen. Wij gelovigen hoeven dat soort dingen niet zo zeker te weten. Dat is uitermate bevrijdend, toch?”

Kerkrecht is als schaken

Wie hem zulke speelse, haast laconieke spitsvondigheden hoort debiteren, verbaast het dat hier een kerkjurist aan het woord is. Van oudsher houdt dit specialisme zich toch bezig met de meer hardvochtige, rechtlijnige aspecten van de kerk, die vooral in vroeger tijden regelmatig ingreep in de persoonlijke levenssfeer. In het canonieke kerkrecht dat in de loop der eeuwen is ontstaan, is precies vastgelegd hoe men moet leven, en op wat voor wijze de gelovige moet boeten zodat die in het reine kan komen met God en Kerk. Hoe kwam de jonge Torfs er eigenlijk toe om zich uitgerekend in de complexiteiten van het canonieke recht te bekwamen? Hij begint te lachen, met weer die pretogen. “Ja, da’s een veel voorkomende misvatting. Dat kerkrecht ongelooflijk dull en saai is. Maar allez, wat denkt u? Kerkrecht is net schaken. De regels staan zwart op wit, maar het komt aan op creativiteit en vindingrijkheid om ze toe te passen. Daar kan ik juist veel plezier aan beleven.”

Alsof hij deze vrolijke verhouding tot de traditie wilde symboliseren, liet Torfs bij zijn aantreden als rector, mei vorig jaar, een schilderij uit het depot van de universiteit halen. Het lijkt op het eerste gezicht een typisch beeld van het laatste avondmaal voor te stellen. Maar in het midden zit een atypische Jezus. “Hij is hier als Don Juan afgebeeld. En naast Hem zitten discipelen met het gezicht van types als Willem de Zwijger en Alva. Dat is toch een geweldige spotprent? Twee strijdende vorsten samen als discipelen aan één tafel? Een geweldig statement. Het schilderij, uit de 16e eeuw, symboliseert voor mij de spottende, spelende, kritische verhouding tot de traditie die mij zo aanspreekt. Zeker, als kerk hebben we eindeloos vaak aan de verkeerde kant van de geschiedenis gestaan, en zijn we veel te vaak een lakei van de zittende machthebbers geweest. Maar naast díe traditie is er toch ook een ander spoor. Zo is het ook in het kerkrecht. Dat is gebruikt om inquisitie mee te voeren, maar ook om kwetsbaren mee te beschermen tegen machtsmisbruik. Om maar eens wat te noemen.”

“Wie geen vijanden heeft, is verkeerd bezig”

Als gekozen rector van de Katholieke Universiteit Leuven ziet hij toe op het onderwijs aan maar liefst 55.000 studenten. Het is de grootste academische instelling van de Benelux, met eeuwenoude papieren. “Jullie Erasmus gaf hier een tijd les, bijvoorbeeld. Daar ben ik trots op. Maar zoals hij zijn er nog tientallen anderen die zich kritisch tot de traditie hebben verhouden.” Als rector probeert hij de traditie die hij bewondert voort te zetten en van nieuwe impulsen te voorzien. “Één van mijn eerste daden als rector was het opnieuw aannemen van een docente die door mijn voorganger was ontslagen. Zij is een uitgesproken linkse activiste die een maïsveld had vernield omdat daar gentech aan te pas was gekomen. Ik heb haar opnieuw aangenomen. Niet omdat ik haar actie goedkeur, maar omdat het juist de afwijkende meningen zijn, de mensen die tegen de hoofdstroom in durven te denken, die ik op de Universiteit aan het woord wil horen.” Een andere ambitie waarmee hij aan het hoofd van de universiteit is gekomen, is om de verabsolutering van de wetenschap tegen te gaan. “Ik wil dat deze universiteit een plek blijft waar ook vragen waar nooit een definitief antwoord op zal komen gesteld blijven worden. Zoals die in de filosofie en de religie aan de orde zijn. Vaak blijken dat achteraf de meest wezenlijke vragen, terwijl men er niet altijd meteen het nut van inziet. Net zo belangrijk vind ik het dat mijn studenten leren falen. Er bestaat doorgaans weinig waardering voor onderzoek dat geen duidelijke positieve uitkomst heeft. Maar ook een onderzoek zonder uitkomst, of een uitkomst die de vooronderstellingen van de onderzoekers onderuithaalt, heeft waarde.”

Liefde voor paradoxen

Het zijn ferme uitspraken als deze die rector Torfs tot een held van veel van zijn studenten maakt. Wie op straat of in de kroeg in Leuven zijn naam laat vallen krijgt dan ook niets dan waardering te horen. Ze noemen hem regelmatig de enige christen waar ze wel respect voor kunnen opbrengen. “Zo geworteld en wijs als die man in het leven staat, dat zet toch aan het denken, hè”, merkt één van hen op. Hoe kan het dat, in een land waar zoveel allergie heerst bij alles dat aan godsdienstigheid doet denken, Rik Torfs juist om zijn christen-zijn geprezen wordt? Volgens hemzelf is zijn geheim geen truc, maar een houding. “Ik zoek in mijn contacten met niet-gelovigen altijd naar een combinatie van scherts en ernst. Zo zet ik mensen op ontspannen wijze aan het denken over hun eigen ideeën.” Hij leerde door de gelijkenissen van Jezus van paradoxen te houden. “Ik vind het schitterend hoe hij redeneringen tot in het extreme doorvoert, en daardoor een waarheid openbaart. Neem zijn opdracht je vijanden lief te hebben. Dat lijkt een onmogelijke tegenspraak. Terwijl het ook betekent dat Jezus ervan uitgaat dat je een vijand zou moeten hebben. En zo is het ook: wie geen vijanden heeft, is verkeerd bezig. Hij roept in feite op om vijanden te hebben. Daar is Jezus een meester in.”

Zelfdoding

Altijd is Torfs op zoek naar het paradoxale of het ironische in de actualiteit. Zelfs als hij zich ergert weet hij zijn geamuseerde, verbaasde blik te behouden. Het stoorde hem dat Yves Desmet, hoofdredacteur van ‘zogenaamde kwaliteitskrant’ De Morgen (een links-liberaal dagblad, red.), in zijn krant bekende diep ontroerd te zijn geraakt van het bericht over een Fries echtpaar dat in bijzijn van hun drie zonen uit het leven gestapt is. Net als veel anderen zag Desmet er de ultieme ‘goede dood’ in. Een autonoom besluit om de regie in eigen hand te houden. Torfs zag iets anders. “Om te beginnen heeft dit natuurlijk niets met euthanasie te maken. Dat begrip speelt alleen een rol als er in een gemedicaliseerde toestand door een dokter ondraaglijk lijden wordt vastgesteld. Die toets ontbreekt hier geheel. Het is eerder zelfdoding. Maar dan, en dat fascineert mij enorm, ontdaan van al het donkere dat daar normaal gesproken aan kleeft.” Ooit was zelfdoding een daad van ontaarde kunstenaars, maar dat lijkt zich nu te democratiseren. “Je ziet het stel zitten in hun streepjespyjama, klaar om met een stukske accordeonmuziek een bakje yoghurt naar binnen te lepelen en zo hun dood tegemoet te gaan. Alsof leven en dood precies evenveel waard zijn, en het in feite niets uitmaakt of je het één of het ander kiest. Hun daad werd door zoveel mensen geprezen, dat dit kennelijk iets zegt over hoe wij tegenwoordig naar mens-zijn kijken. Je ziet dat ook op begrafenissen en crematies terug. Dat zijn steeds vaker vieringen waarin tot in den treure wordt bezongen hoe uniek de overleden persoon was. Geef mij dan maar de rijkdom van de dodenmis, waar in algemene, objectieve termen vaak veel meer aan de kern van ieders persoon wordt geraakt. Want ja, kan iemand een ander nu werkelijk kennen? Nee toch? Het zijn vaak genante vertoningen.”

Torfs mag dan soms mopperen, het lukt hem maar niet een cultuurpessimist te worden. “Daarvoor is er al met al toch veel te veel moois, hè. De manier waarop we communiceren, de dingen die we ook nu nog uitvinden. Zo deden onderzoekers van onze universiteit onlangs baanbrekend onderzoek naar Alzheimer. Straks kunnen we dat misschien vroegtijdig opsporen en beter genezen. Dat is toch geweldig?”

Ook in zijn eigen leven is de actieve vijftiger nog niet uitgedroomd. Zo zou hij graag na zijn rectorschap een paar maanden door Nederland en Wallonië dwalen en daar een mooi televisieprogramma van maken. “Misschien kunnen we wel meer van onze buren leren dan we denken.” Zijn ultieme droom? “Dat is toch het schrijven van een boek dat écht iets betekent. Een roman. Van tal van dingen heb ik inmiddels bewezen dat ik het niet kan. Dat is me bij een roman nog niet gelukt. Het lijkt me de hoogste tijd.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *