Vandaag is het zeventig jaar geleden dat Dietrich Bonhoeffer stierf. Gerard den Hertog kijkt terug op zijn leven, vanuit het einde.

Dietrich Bonhoeffer is anders dan anderen, omdat hij betrekkelijk jong aan zijn einde is gekomen. Zijn werk is een torso gebleven, onaf, met losse einden. Maar er is met hem iets, wat niet voor anderen geldt die óók jong gestorven zijn. We voelen hoe het bij ons van binnen protesteert: dat hij werd terechtgesteld, terwijl in de verte de kanonnen van de Amerikanen te horen waren.

Maar er moet nog iets meer gezegd worden. Bij Dietrich Bonhoeffer is het zo dat dat einde het zicht op zijn hele leven bepaalt. Dat heeft iets van het Evangelie. Dat is niet oneerbiedig bedoeld, het is ook niet zomaar een overeenkomst, maar ik bedoel er een innerlijk verband mee te leggen. De weg van Dietrich Bonhoeffer heeft iets van de weg van Christus. Wat is dat, dat deze man zo’n vijftien jaar voor zijn dood begint te zeggen dat hij denkt dat hij de leeftijd van veertig jaar wel niet zal halen? En toch, als hij 37 jaar is verlooft hij zich. Het heeft iets van een bijbelse getuige in wie we ook iets van de weg van Christus herkennen: Jeremia die vanuit de gevangenis in het belegerde Jeruzalem een akker koopt. Hij zal hem nooit bezitten of bewerken, en er al helemaal niet van oogsten, maar hij koopt de akker. Op Gods bevel.

Daaraan doet de verloving van Dietrich Bonhoeffer met Maria von Wedemeyer denken. Een soort Jeremia, in wiens zielenstrijd hij zich in sommige tijden van zijn leven zo goed kon herkennen, maar dan een romantische variant. Hij droomde ervan te trouwen in Friedrichsbrunn, in de Harz, waar het vakantiehuis van zijn ouders stond, waar hij van het leven genoten had.

Ik terug op zijn leven, vanuit het einde. Dat doe ik aan de hand van drie thema’s: Kerk, Bergrede en Verzet.

1. Kerk

Als Bonhoeffer in 1930 een jaar in New York gaat studeren, hoopt hij daar ‘de wolk van getuigen’ (Hebr. 12:1) te ontmoeten, zoals hij aan een vriend schrijft. Het wordt een bittere teleurstelling. Waarom hoopte hij dat? Nu, groot geworden in een gezin dat wel christelijk was, maar niet zo heel erg kerkelijk, ontdekte hij de kerk als de plaats van Christus op aarde. Als zijn moeder nadat zijn zusje belijdenis heeft gedaan tegen haar zegt dat ze niet elke keer naar de kerk hoeft als er avondmaal is, vraag ze aan Dietrich hoe hij daarover denkt. Dan antwoordt hij: “Heel eenvoudig: ik laat me graag uitnodigen bij iemand die me liefheeft.”

In 1931 schrijft hij aan een hoogleraar die betrokken is bij de uitgave van de geleerde boeken die hij schreef in het kader van zijn studie theologie: in allebei die boeken gaat het ten diepste om de kerk.

Hoezeer New York in eerste instantie een teleurstelling voor hem is, hij vindt de kerk er wel, in een Baptistengemeente in Harlem. Daar wordt Christus niet keurig theologisch uitgebalanceerd verkondigd, maar komt Hij als de Levende naar de mensen toe. Daar wordt gesproken over zonde en genade. Daar leeft het Evangelie. Hij neemt platen met negro spirituals mee naar huis. Ze zingen van een Christus die nabij is, die ze liefhebben.

Bonhoeffer zoekt de kerk sindsdien ook als een plek waar daadwerkelijke gemeenschap is. Misschien heeft het ook wel te maken met zijn karakter. Hij is jarenlang padvinder en geniet ervan. Hij houdt van het gemeenschapsleven, en als hij predikant is vormt hij van meet af aan met zijn catechisanten en studenten groepen, die er met elkaar op uittrekken. Hij verlangt ernaar een soort protestantse kloostergemeenschap te vormen, waar je samen bidt, zingt en naar de Bijbel luistert. ‘De onzichtbaarheid van de kerk maakt ons kapot’, schrijft hij in 1931 aan dezelfde vriend tegenover wie hij zijn deceptie over de dorheid van de kerk in Amerika lucht had gegeven.

Als hij in 1935 een postuniversitaire praktische opleiding voor aanstaande predikanten gaat leiden, ziet hij zijn kans schoon om meteen een ‘Broederhuis’ te beginnen, een gemeenschap van voor een tijd celibatair levende predikanten en kandidaten. Dat was nieuw en het was niet nieuw. In de eerste twaalf eeuwen van het bestaan van de kerk zijn aanstaande predikanten in de kloosters opgeleid en keerden ze ook bij tijden weer naar de gemeenschap van bidden, zingen en bijbeluitleg, om zelf gevoed te worden. Daar knoopt Bonhoeffer dus weer bij aan, dit acht hij in zijn eigen tijd nodig. Aan een Zwitserse vriend die hij in New York had leren kennen schrijft hij dat er maar één hoop is voor goede theologie in het Derde Rijk, namelijk dat die beoefend wordt in een omgeving, waarin je samen ook bidt en de psalmen zingt, en waar je de Bergrede serieus neemt. Dit is de achtergrond van het meest verbreide boek dat Bonhoeffer schreef: Leven in gemeenschap.

2. Bergrede

Als hij in New York is vindt er bij hem een omkeer plaats. Hij leert er Christus kennen. In 1936 kijkt hij in een brief op die tijd terug. Hij zegt dat hij voordien eigenlijk nooit bad, ongelooflijk eerzuchtig was en in eigenlijke zin geen christen was. Maar dat is veranderd. Hij heeft Christus leren kennen. Dat merk je ook als je Bonhoeffer leest en dat spreekt ons aan, in onze dorre tijden.

Eén ding moeten we niet vergeten: Christus is voor hem onlosmakelijk verbonden met de Bergrede. Maar we moeten goed kijken hoe hij dat bedoelt, want dat je voor Jezus bij de Bergrede moest zijn zeiden er in die tijd meer. Men lichtte dan de Bergrede uit het Evangelie en hield een aardse Jezus over, die een maatschappijhervormer was. En die Bergrede – die moeten wij dus zelf maar in praktijk zien te brengen.

Dat is niet waar Bonhoeffer uitkomt. Hij ontdekt dat Christus, nadat hij had geleden en is opgestaan, in Matteüs 28 de leerlingen bij zich roept op de berg in Galilea. Dat is – bijbels gezien – de berg van de Bergrede. Het betekent: de Bergrede was niet een mooi experiment van Jezus, dat helaas stukgelopen is en dat je nu maar beter kunt vergeten. Nee, de Bergrede was altijd al bedoeld als verkondiging van Jezus Christus en vraagt erom nageleefd te worden in navolging van Hem. De genade van God is geen ‘goedkope genade’, die in ons leven alles bij het oude laat. Het is ‘kostbare genade’, die God zijn Zoon heeft gekost. ‘En wat voor God kostbaar geweest is, mag voor ons niet goedkoop zijn’, schrijft Bonhoeffer op de eerste bladzijden van zijn boek Navolging, zijn boek over de Bergrede.

Sinds zijn tijd in New York laat de gedachte om een boek over de Bergrede te schrijven Bonhoeffer niet meer los. In 1935 zegt hij in een lezing: “Alleen wie het gebod van Christus hoort en doet, verneemt er het getuigenis van Christus in.” Dat je de Bijbel leest en dan achterover leunt en zelf uitmaakt wat de bedoeling is en hoe ver je God in je leven laat komen – dat betekent: het getuigenis van Christus niet vernemen. Hij geeft in Navolging een voorbeeld: vader en moeder gaan uit, Jantje blijft thuis. Mama zegt: ‘Jantje, je hebt wallen onder je ogen, neem een glas melk, ik heb er iets lekkers bij gezet, ga meteen aan je huiswerk en vroeg naar bed.’ ‘Ja, mama’, zegt Jantje. Als vader en moeder de deur uit zijn denkt Jantje: ‘Wat heb ik toch een fantastische ouders: wat hebben ze het goed met me voor, wat zijn ze bezorgd voor me. Maar ik denk eerlijk gezegd dat het beter voor me is me eerst te ontspannen met een mooie film, daarna nog wat muziek te luisteren en dan naar bed te gaan. Dat is echt ontspanning. En dan komt dat huiswerk morgen vroeg wel.’

Kijk, zegt Bonhoeffer, zo zijn we in de Reformatie – zeker in de lutherse traditie – er bedreven in geraakt het gebod van God te omzeilen en te neutraliseren. ‘Alleen de gelovige gehoorzaamt’, schrijft hij in Navolging. Dat is goed reformatorisch, maar Bonhoeffer zegt erbij dat, om recht te doen aan de bijbelse boodschap, er in dezelfde adem op moet volgen: ‘alleen de gehoorzame gelooft.’

In New York heeft Bonhoeffer in de kranten gelezen over Mahatma Gandhi, die in India – geïnspireerd door de Bergrede – een strategie van geweldloze weerbaarheid in praktijk brengt en de Duitse jeugdbeweging uitnodigt mee te doen. Het is niet tegen dovemansoren gezegd. Bonhoeffer was al van plan eens naar India te gaan, nu des te meer. In 1934 schrijft hij aan de Zwitserse vriend dat hij erheen wil omdat hij een gemeenschap wil vormen van mensen die samen geweldloos, maar effectief verzet bieden tegen de Nazi-overheid. Is dat het Predigerseminar? Nee, want tegen de tijd dat Bonhoeffer daar begint, hoor je hem niet meer over dat maatschappelijke ideaal van geweldloos verzet. Waarom niet? Hij is ervan overtuigd geraakt dat de Bergrede als strategie in de moderne Nazidictatuur – anders dan in het door een betrekkelijk klein aantal Engelsen gekoloniseerde India – geen schijn van kans heeft. Hij zet nu alles op een gemeenschap die zich onbesmet van de wereld bewaart en de mond opent voor wie stom is. Dat gaat niet zonder de psalmen, zonder de verkondiging. Het is ook geen politieke strategie, maar concentratie op het leven met Christus. Dat is het Predigerseminar.

Maar, ook al is het geen politieke strategie, wie ergens binnen een totalitaire staat een ruimte vormt waar een andere Heer het voor het zeggen heeft, die is alleen daardoor al politiek gevaarlijk. Dat geldt stellig ook voor Bonhoeffer en zijn kandidaten. Met de Verklaring van Barmen spreken ze uit dat er naast Jezus Christus niemand een dergelijke claim op ons leven heeft.

3. Verzet

De familie Bonhoeffer beweegt zich in de hogere regionen van de Duitse maatschappij en heeft connecties in de hoogste kringen. Het is hen – anders dan de meeste Duitsers – vanaf het begin duidelijk dat Hitler op oorlog uit is.

Op 1 september 1939 valt Duitsland Polen binnen. Dietrich Bonhoeffer speelt het dan nog een tijdje klaar het werk in het Predigerseminar gaande te houden en de Gestapo steeds een stap voor te blijven, maar in maart 1940 is het einde daar. De Gestapo heeft hem nu in beeld en bovendien worden de kandidaten onder de wapenen geroepen. Bonhoeffer moet hen laten gaan, maar het contact met hen en hun familie blijft, persoonlijk en door middel van rondzendbrieven. Velen van hen vallen aan het Oostfront.

En Bonhoeffer zelf? Enige tijd vóór het uitbreken van de oorlog, begin 1938, had zijn zwager Hans von Dohnanyi hem om hulp gevraagd. Hij was zelf betrokken bij plannen voor een aanslag op Hitler, maar de hoge officieren die het moeten uitvoeren vragen zich af of dat wel kan, als goed luthers christen. Wat vindt Dietrich ervan? Kan en wil hij theologisch advies geven? Hij zegt dat als er een dronkenman in vliegende vaart in een auto door een winkelstraat rijdt en links en rechts slachtoffers maakt, je hem achter het stuur vandaan moet zien te krijgen. Dat is heldere taal.

Dietrich Bonhoeffer zelf heeft in 1938 nog geen rol in de samenzwering. Hij heeft andere zorgen aan zijn hoofd. Als de oorlog uitbreekt is hij pas 33 jaar, jong en fit genoeg om soldaat te worden. Hij denkt er niet over een wapen in de hand te nemen. Wie de Bergrede en de wereldwijde eenheid van de kerk van Christus serieus neemt, gaat niet dienen in een leger dat uit is op wraak voor de Eerste Wereldoorlog en vergroting vanLebensraum. De familie weet het en maakt zich zorgen. De kerk weet het – en heeft weinig begrip: een goede Duitser, ook van de Bekennende Kirche, gehoorzaamt de overheid en neemt dienst. Men regelt dat Dietrich naar Amerika kan, om daar de oorlog te overleven en daarna Duitsland van dienst te kunnen zijn bij de wederopbouw. Als hij in New York aankomt voelt hij zich als Jona die vlucht voor zijn opdracht. Hij keert na een paar weken terug en is net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog weer in Duitsland.

Wat nu? Men verzint een list: Dietrich krijgt een functie – een los-vast dienstverband – bij de contraspionage van het leger, precies de plek waar de samenzweerders zitten. Het mes snijdt aan twee kanten. Hij krijgt nu de aantekening dat hij ‘onmisbaar’ is voor deze dienst en dus niet onder de wapenen geroepen kan worden. Daarnaast maakt hij in opdracht van de Abwehr reizen naar Zwitserland, Zweden en Noorwegen en helpt hij Joden te ontsnappen naar Zwitserland onder het voorwendsel dat ze daar als informanten kunnen dienen. In Zwitserland heeft hij contact met onze landgenoot Visser ’t Hooft in Genève. Daar verklaart hij blij te zijn met de overval op Rusland, omdat de nederlaag van Hitler-Duitsland nu zeker is, en zegt hij ook eerlijk te bidden voor die nederlaag. Als hij hoort dat bisschop Bell, met wie hij veel contact had tijdens de periode dat hij predikant van de Duitse gemeente in Londen was (1933-1935), gaat hij mei 1942 hals over kop naar Zweden om hem op de hoogte stellen van de samenzweringsplannen en te vragen die als lid van het Britse Hogerhuis ter kennis te brengen van de regering.

En onderwijl werkt hij aan een ethiek. Een ethiek? De oorlog – en zeker een zonder weerga als de Tweede Wereldoorlog – is toch geen tijd voor ethiek?! Ja, zegt Bonhoeffer, dat is het wel. We kunnen vanzelfsprekend niet meedoen, maar we mogen ook niet mokkend aan de kant blijven staan. De vraag is hoe een toekomstige generatie kan leven. We hebben in Christus een verantwoordelijkheid gekregen; die bepaalt onze ethiek.

Vanwege het wegsmokkelen van een groep Joden naar Zwitserland wordt Dietrich op 5 april 1943 opgepakt. Men wil niet geloven dat hij en de anderen er niet financieel beter van geworden zijn. Er moet ergens een bonnetje zijn, waarop deze deal boven water komt. Het wordt echter niet gevonden en het lijkt er na enige tijd op dat het met een sisser afloopt en Bonhoeffer vrijkomt.

Dan vindt op 20 juli 1944 de aanslag plaats – en Bonhoeffer beseft dat zijn betrokkenheid bij de voorbereidingen daarvan nu aan het licht zal komen. Toch werkt hij rustig verder in de gevangenis. Hij heeft inspiratie voor een nieuw boek.

Hij schrijft ook nog een opstel dat de gevangenis uit gesmokkeld wordt: ‘Wat betekent de waarheid zeggen?’ Weer voert hij een jongetje op om zijn punt te maken. Nu wordt Pietje voor de klas gehaald en de meester zegt: ‘Pietje, ik hoorde dat je vader gisteren dronken over straat liep.’ Dat was inderdaad het geval, de meester heeft gelijk. Maar Pietje ontkent. En dat is goed, zegt Bonhoeffer. Want hij heeft na zijn boekNavolging geleerd – en dat is het geheim van zijn Ethiek – dat het veel uitmaakt in welke context je de dingen zegt, of je betrouwbaar bent. Thuis mag je je vader vragen waarom hij drinkt en hem op zijn gedrag aanspreken, maar naar buiten toe heb je je vader en heel het gezin trouw te zijn door voor hem op te komen. Je spreekt dan niet met dubbele tong, je bent en blijft een mens uit één stuk.

Met dit stuk legt Bonhoeffer rekenschap af van zijn houding tijdens de verhoren. Maar het is meer: Als de Nazistaat van zijn onderdanen vraagt dat binnen- en buitenkant van het leven voor de Führer zijn, zegt Bonhoeffer dat God ons in verschillende levensterreinen plaatst die elk hun eigen autonomie hebben. Hij heeft dat van Luther gekeerd en brengt hiermee de reformator dus effectief en ter zake tegen het Derde Rijk in het veld.

In de gevangenis denkt Bonhoeffer ook na over de kerk. Hij schrijft de beroemde ‘doopbrief’ voor het zoontje van zijn vriend Eberhard Bethge en Renate Schleicher, de dochter van zijn zus. De grote woorden van de Bijbel en de christelijke traditie zijn zo misbruikt en vervuild geraakt, schrijft hij daarin, dat de kerk ze maar beter niet kan gebruiken. Maar de kerk moet vooral blijven bidden, de psalmen zingen, net als ze altijd heeft gedaan, en zo de geloofsgeheimenissen bewaren. In haar houding naar buiten toe moet ze doen wat recht is onder de mensen. En dat samen gestempeld door een wachten op de dag dat het Woord van God weer gaat leven voor de mensen en beslag legt op hun harten.

Hij kent bij tijden een grote eenzaamheid in de cel. Maar wie de psalmen bidt, schreef hij, is nooit alleen. In de laatste tekst die we van hem hebben, het gedicht Von guten Mächten, schrijft hij Kerst 1944 vanuit de Gestapogevangenis in Berlijn, dat hij om zich heen het wereldwijde lied tot lof van God hoort opstijgen. En de engelen zijn om hem heen, God gebiedt hen immers, dat ze de zijnen behoeden op al hun wegen. Ook de weg naar de galg. “Dit is het einde, voor mij het begin van het leven”, zegt hij, als ze hem komen roepen. Zo spreekt hij, nadat hij gestorven is. En is zijn dood voor ons een spiegel om zijn leven in te zien.

Prof. dr. Gerard C. den Hertog.