Désanne van Brederode is filosoof, schrijver en essayist. Onlangs verscheen haar roman ‘Vallende vorst’. Op 19 maart is ze een van de hoofdsprekers tijdens de CLO-Literatuurdag. “Ik heb mijn kwetsbaarheid soms overschreeuwd.”

tekst Arie Kok

In het westen zakt de winterzon weg achter de hoofdstedelijke grachtenpanden. In Café Nassau klappen zzp’ers hun laptops dicht. Désanne van Brederodes dag zat vol administratieve rompslomp. ‘Je wordt als schrijver benaderd voor van alles, maar het feitelijke schrijven komt daarmee soms in het gedrang.’

Heb je die dingen niet nodig om je publiek te bereiken?

“Ik ambieer het niet om steeds met mijn hoofd op tv te komen. Je verkoopt er ook geen boek meer om. We mogen blij zijn dat er in de tijd van Goethe geen media waren, al wil ik me niet met hem vergelijken. Je moet je steeds afvragen of wat je doet dienend is aan je schrijverschap. Bovendien, iets opiniërends doen en fictie schrijven, gaat in de hoofden van mensen maar moeilijk samen.”

Je schrijft zowel essays als romans. Is het verschil groot?

“Ja, vooral als je eraan werkt. Een essay, en dat geldt ook voor een lezing, is heel persoonlijk. Het moet waarachtig zijn wat je schrijft: sta ik hier echt voor en kan ik dit zelf leven? En waar ik het niet kan leven, leg ik daar dan rekenschap over af? Net had ik nog een gesprekje over kinderarbeid. Als je zegt dat je van kinderen houdt, moet je niet alleen van je eigen kind houden, maar je ook druk maken over kinderarbeid. Dat hoor ik mezelf dan zeggen. Maar natuurlijk heb ik ook wel eens een foute spijkerbroek voor mijn zoon gekocht. Tegelijk moet het geen koketterie worden: steeds maar zeggen dat je zelf ook niet doet wat je zegt.”

‘Ik heb me vaak moeten verdedigen, dacht ik tenminste’

“Als je fictie schrijft, is wat je zelf vindt helemaal niet belangrijk. Dat drie van de vier mannen in Vallende vorst zelfmoord plegen, wil niet zeggen dat ik een pleidooi voer voor zelfmoord. Integendeel. Ik vind het echt erg dat ze zo aan hun eind komen. Het is de logica van het verhaal: het moet! Ik heb nog even gedacht om er ‘Erbarme dich’ onder te zetten. Maar dan wordt het sentimenteel. De lezer moet dat zelf maar denken. Een roman vraagt altijd de ruimte om personages zichzelf te laten zijn en de lezer vrij te laten.”

We leven in een roerige tijd, veel onrust in de samenleving, toenemende segregatie. Heeft literatuur hier een functie in?

“Ik heb lang gedacht dat mensen die lazen, een bepaalde gewetensvolheid ontwikkelen. Waar je eerst maar een toonladder tot je beschikking had, breid je door te lezen je innerlijke register uit. In fictie kun je levens van anderen meeleven. Je zou denken dat dat het inlevingsvermogen schoolt. Maar ik weet nu dat het niet zo is. Het mag misschien zo zijn dat lezen het empathisch vermogen verhoogt, maar dat maakt van lezers niet meteen empathische mensen. Het is hetzelfde fenomeen als nazi’s die van klassieke muziek hielden. Ik heb filosofie gestudeerd. Er waren hoogleraren die grandioos college konden geven en vrome stukjes in de krant schreven, maar hoe ze ondertussen met elkaar omgingen… nota bene aan de VU!”

‘Een roman vraagt altijd de ruimte de lezer vrij te laten’

“Literatuur blijft kunst. En kunst moet die opvoedende pretentie ook niet hebben. Als je een moreel programma zou hebben met je boeken, dan verliest het ook zijn kunstzinnige karakter. Wat mij altijd ontroert, is die enkele lezer die zich door het lezen van je boek geïnspireerd of gesteund heeft gevoeld.”

In een lezing zei je: ‘Ik wil niet achter de rug van mijn personages om een onderonsje met de lezer hebben om God ter sprake te brengen.’ Hoe breng je God dan wel ter sprake?

“Dat doe ik ook niet altijd. Aan geloven zit geen aan- en uitknop, of hij moet lamgedraaid zijn. Als die knop er wel aan zit, is het geen geloof, maar een pose. Als ik dat ‘Erbarme dich’ in Vallende vorst er wel neer had gezet, zou ik mijn religieuze hand overspeeld hebben. Ik houd het liever ‘well-tempered’, zoals in Stille Zaterdag. De lezer voelt het vulkanische dat eronder ligt wel. Bij dat boek heb ik ermee zitten pielen hoe ik het geloof erin kon brengen zonder dat dat er ergens ook maar doorheen kiert: en daarom zijn mensen die liefde aan geloven relateren beter dan anderen.”

‘Lijden we niet allemaal, in niet-ziekelijke zin, een dubbelleven?’

“Ik vind dat mensen die alles er direct maar uitknallen nog geen gepassioneerde mensen hoeven te zijn. Vaak kom je dan in een clichédomein terecht, waarvan ik denk: zoek het maar lekker uit. Aan de geloofskant komt me dat dan op een verwijt te staan: ze maakt er wel iets halfzachts van, weinig radicaal. Dat mag van mij. Maar wat ik erg waardeerde is dat er een lezeres naar me toekwam, die zei: “Ik ben helemaal niet gelovig, maar ik herken dit helemaal.” Juist in fictie kun je laten zien dat wel of niet geloven geen kwestie is van beter of slechter.”

Ik begreep dat Graham Greene je grote voorbeeld is. Wat spreekt je in hem aan?

“Het zit al op zinsniveau, de onderkoelde beschrijvingen van tragiek, maar ook met humor. En de afstandelijkheid, waarin tegelijk een hele diepe warmte voor het mens-zijn sluimert. In The power and the glory zit een scène waarin de whiskypriester de eucharistie viert. Terwijl hij er zelf niets meer bij voelt, is het toch van betekenis voor de mensen. Dat deed mij religieus op mijn grondvesten schudden. Ben je dan niet een enorme huichelaar? Daar ging weer een roomse waarheid op de schop. Maar hij had gelijk. Greene laat je tot zijn verbazing ruimdenkendheid en vergevingsgezindheid beleven. Ook voor enorme hufters. En dan te bedenken dat hij zelf een grote bedrieger was, die lijstje bijhield van prostituees die hij bezocht had. Hij kon als geen ander beschrijven hoe een dubbelleven eruit ziet. En hebben we daar niet allemaal, in niet-ziekelijke zin, mee te maken?”

Geloof komt bij Greene altijd uit een onverwacht hoek…

“Inderdaad, heel Paulinisch. Ik zat laatst in een brief van Paulus te lezen. Man, man, wat een stelligheid. Bedenk dat hij de levende Christus ontmoette. En dan is de openingszin: waarom vervolg jij mij? Daar moest hij mee leven, onder kerels die Jezus allemaal persoonlijk hadden gekend, en hij niet. Dat is toch van een gruwelijke eenzaamheid! Hij heeft zijn hand misschien wel een beetje overspeeld om juist de liefde vast te kunnen houden.”

Heeft dat ook te maken met het idee dat geloof geen aan- en uitknop heeft?

“Ja. Ik loop er de laatste tijd vaak over te denken: ben je, net als in een huwelijk, bereid om zowel in goede als in kwade dagen trouw te zijn? Als je voor de navolging kiest, dan kun je misschien eerst nog een tijdje wat wieberen, maar het zou best wel eens kunnen dat je het daarna harder voor je kiezen krijgt dan anderen. Alsof je de klappen van het noodlot over je afroept. Heb jij ‘ja’ gezegd? Dan kun je het krijgen ook. Zoiets, maar ik weet het niet, hoor.”

Je leeft in een omgeving waarin geloven niet vanzelfsprekend is. Als schrijver word je geacht een vrije geest te zijn. Valt het je moeilijk om authentiek te zijn?

“Nee, helemaal niet. Dat zou een schijngevecht zijn. Toen ik in 1994 debuteerde, deed men of gelovigen een besmettelijke ziekte hadden. Ik heb me vaak moeten verdedigen, dacht ik tenminste. Ik liet me verleiden om met argumenten en meningen te komen, maar daar hield ik een vieze smaak in mijn mond van over. Ik overschreeuwde mijn kwetsbaarheid. Als je erover spreekt, dan kan dat alleen op het niveau van de beleving. Dan krijgt de ander de ruimte om te zeggen: dat zie ik helemaal niet zo. Dat is vrijheid. Je kunt toch ook niet uitleggen waarom je van iemand houdt? Het is ten diepste een gevoel, maar wel een gevoel waar je op kunt reflecteren. Het begint bij het hart. En het moet wel verbonden moet blijven met het hogere. Anders krijg je priesters en dominees die het allemaal mooi onder woorden kunnen brengen, maar het niet leven. Uiteindelijk worden we daarop beoordeeld; niet alleen door medemensen.”

Probeer je in je boeken via de verbeelding dichterbij dingen in je leven te komen?

“Mijn boeken gaan wel over vragen waar ik zelf mee zit. Niet dat zich dat direct als vraag laat formuleren. Het gaat meer om een vragende houding rond een bepaald thema. Zonder dat ik het zelf door heb, komt dat dan steeds meer onder druk te staan. Zo heb ik veel geschreven over de vraag: in hoeverre kunnen we elkaar in intieme relaties echt kennen? Ik heb al schrijvend en denkend meer en meer kunnen aanvaarden dat de mens ten diepste eenzaam is. Terwijl ik er de laatste tijd meer oog voor krijg dat we ook afstand houden om onze kwetsbaarheid niet te hoeven laten zien. We zijn bang om bij de ander door de mand te vallen, dat hij daarom niet meer van je houdt.”

Omdat we dat niet durven te geloven?

“Dat zie je ook in het Nieuwe Testament. Ik denk dat veel godsdiensten voor een groot deel op hetzelfde neerkomen. Maar we proberen toch iemand na te volgen die er alles aan gedaan heeft om letterlijk de absolute loser te zijn, in plaats van de held. Jezus doet echt dingen die anti-Darwinistisch zijn: hij vlucht niet en hij vecht niet. Hij laat zich kwetsen, blijft rechtop staan en kijkt zijn vijand ook echt aan. Dat is voor ons mensen moeilijk te aanvaarden. Fictie is bij uitstek geschikt voor dit soort meerduidigheid van het leven.” 

Informatie over de CLO-literatuurdag is te vinden op: www.christelijkliterairoverleg.nl.

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *