Toen najaar 2013 ‘Mijn beloofde land’ van Ari Shavit verscheen, vroeg ik de uitgever om een recensie-exemplaar voor Koers, maar ze waren door hun exemplaren heen. Domme actie van de uitgever, want ik zou er een ronkende recensie over geschreven hebben. Met Gaza dominant op de voorpagina’s besloot ik het aan te schaffen voor de vakantiekoffer. Het werd een onthutsende leeservaring. Daarom alsnog een bespreking, in het licht van de actualiteit. 

tekst Arie Kok

Andries Knevel noemde Ari Shavit in de Volkskrant de Geert Mak van Israël. Dat is een rake typering. Shavit is een goede verteller, zit tot over zijn oren in de dossiers en stelt vragen vanuit zijn persoonlijke twijfel en aanvechting. In Israël is hij bekend als ex-voorzitter van een vredesclub, columnist en commentator, o.a. voor de Israëlische krant Haaretz.

Ziehier de tragiek van het zionisme, de complexiteit van de problematiek.

Wat maakte dit boek zo onthutsend? In de eerste plaats de eerlijke vragen die in Israël geboren Shavit stelt. Midden in een zwaar gepolariseerd debat, om niet te zeggen een gepolariseerd land, veegt hij zijn eigen twijfels en Israëls ‘duistere oceaan van existentiële bestaansangst’ niet onder het tapijt. Daarmee stelt hij zich kwetsbaar op. Met de bezetting heeft hij altijd moeite gehad, maar: ‘De uitdagingen gaan nu veel verder dan de bezetting en zitten veel dieper dan de kwestie van de vrede. Allemaal zien we ons gesteld voor de drieledige vraag: Waarom Israël? Wat is Israël? Zal Israël blijven bestaan?’ Antwoorden op die vragen zijn volgens Shavit niet te vinden in de polemiek, maar in het vertellen van het verhaal.

Zionistische plannen

Dat verhaal begint in dit boek met Shavits eigen overgrootvader, die aan het einde van de negentiende eeuw als bemiddelde Britse Jood een reis maakte naar Palestina. Hij kwam, zag en raakte ervan overtuigd: hier moet een Joods nationaal tehuis komen. Grootvader Bentwich zag de toekomst van het Europese jodendom toen al somber in. Maar Bentwich had in Palestina niet goed opgelet, zegt zijn nazaat. De Arabische dorpjes en steden die overal lagen had hij niet echt gezien. In zijn zionistische plannen hield hij daar ook geen rekening mee. Had hij dat wel gedaan, dan was het joods nationaal tehuis er waarschijnlijk niet gekomen.

Shavit verhaalt van de vroege zionistische nederzettingen, de eerste schermutselingen tussen Joden en Arabieren, uitlopend in de bloedige Arabische opstanden van 1936. Schokkend wordt het verhaal als hij vertelt over de ontruiming van Lydda, een Arabische stad onder de rook van Tel Aviv. De Berlijnse arts Siegfried Lehmann had op steenworpafstand een kinderdorp voor Europees-Joodse weeskinderen opgezet. Ze leefden in vrede en harmonie naast elkaar, en als het nodig was stelde Lehmann zijn medische diensten beschikbaar aan de inwoners van de stad. De jongeren in het tehuis leerden het land te bewerken en ‘s avonds speelden ze Bach of lazen ze Tolstoj.

Moordmachines

Maar in 1948, tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, breekt het moment van de waarheid aan en trekken Joodse legers Lydda binnen. Honderden burgers komen in de strijd om het leven, de anderen worden bijeen gedreven in de moskeeën van de stad. Joodse soldaten, soms amper 18 jaar oud, krijgen de opdracht te doden. En als je die grens eenmaal over bent, is de volgende doodslag dichtbij. Zo gaat het in elke oorlog, zo gaat het nu het in Gaza, zo ging het ook in Lydda. Oorlog demoraliseert, maakt van goed opgevoede mensen moordmachines.

De volgende dag trekt een lange stoet mannen, vrouwen en kinderen de stad Lydda uit, terwijl de joodse soldaten opletten of echt iedereen vertrekt en een soldaat hier en daar nog een horloge of geldbuidel inpikt. ‘Lydda is onze zwarte doos,’ zegt Shavit, ‘met daarin de duistere geheimen van het zionisme. De waarheid is dat het zionisme niet kon leven met Lydda. Van meet af aan stonden het zionisme en Lydda op gespannen voet met elkaar. Als het zionisme bestaansrecht had, dan Lydda niet. Als Lydda bestaansrecht had, dan het zionisme niet.’

Vervulling van beloften

Het verhaal van Lydda is er maar een uit een heel dik boek vol met verhalen. Maar misschien wel het meest tragische, omdat het laat zien dat in een oorlog niemand schone handen heeft. Terwijl in de Nederlandse kerken gedankt werd voor de stichting van de staat Israël als teken van hoop in een duistere wereld, als een vervulling van de Bijbelse beloften, vergrepen Joodse soldaten zich aan hun slachtoffers en werden mensen die daar niets mee van doen hadden uit hun huizen verdreven. De zionisten waren de overwinnaars. Hadden ze de strijd verloren dan was het zeker andersom geweest. Maar het was niet andersom, het zionisme won en kreeg van de internationale gemeenschap bestaansrecht toegekend. Het Palestijnse trauma ten spijt. Zie je de stichting van de staat Israël als een vervulling van de beloften in het Oude Testament, en ik heb sterk de neiging het zo te zien, dan moet je er dus mee leven dat dat gepaard is gegaan met een smerige oorlog, met verdrijving van onschuldige burgers, met diefstal en onteigening. Dat is nogal wat, daar ben ik voorlopig niet klaar mee.

Dit verhaal heeft ook iets te zeggen over de actualiteit. In de discussies rond de strijd in Gaza gaat het er hard aan toe in de media. Wie de inval veroordeelt is al snel een antisemiet. En wie Israël verdedigt is medeschuldig aan een nieuwe holocaust. Nog los van het feit dat dit soort framing de kloof alleen maar verdiept en de vrede geen millimeter dichterbij brengt, is het denken in good guys en bad guys een gevaarlijke versimpeling van de werkelijkheid is. Er woedt een smerige oorlog, er wordt gedood en verwoest. Er kan nog zoveel oorlogsrecht bestaan, maar strijd op leven en dood demoraliseert mensen en dan blijkt het laagje beschaving over onze zondige ziel maar heel dun. Dat is waar het verhaal van Lydda me bij bepaalde. Vanuit een veilig Amersfoorts kantoor heb ik geen antwoord op de vraag of de inval in Gaza terecht was of niet. Ik kan alleen maar constateren dat de schade onmetelijk groot is, de persoonlijke drama’s aan beide zijden niet te overzien. Dat moet iedereen toch aan het hart gaan?

Confronterend

De kracht van Mijn beloofde land is dat Shavit analyseert zonder al te zeer vooraf ingenomen stellingen. Natuurlijk heeft hij een positie in het debat, en is hij zeker niet neutraal, maar hij doet tenminste een eerlijke poging de stand van het land goed te peilen en goed waar te nemen. De bezetting keurt hij af, naar mijn idee iets te vanzelfsprekend. Maar het probleem is volgens hem niet zozeer de bezetting, maar het structurele wegkijken van de rechten van Arabische bewoners. Tegelijk, de noodzaak en legitimiteit van een joods nationaal tehuis, een plek voor het joodse volk om Jood te mogen zijn, onderbouwt Shavit ook overtuigend. Ziehier de tragiek van het zionisme, de complexiteit van de problematiek.

Jammer is wel dat Shavit de essentie van het antisemitisme niet peilt. Zit er in alle haat tegen het Joodse volk niet een nauwelijks uitroeibare kern van afwijzing van de God Israël? Die lijn mis ik in zijn verhaal, maar Shavit is dan ook een seculiere Jood. Hij ziet de betekenis van religie wel, maar gaat zelf uit van seculiere argumenten. Argumenten die in een rechtsstaat als Nederland volstrekt normaal zijn. Dat maakt het boek voor gelovigen confronterend om te lezen. De overtuiging dat er een joodse staat moet zijn, dat God dat zelf toegekend heeft aan Zijn volk, en de manier waarop dat is gegaan, lijkt soms op gespannen voet te staan met de manier van denken in onze westerse democratie. Een spanningsveld waar ik zelf voorlopig nog niet klaar mee ben. Maar waar Shavit me bij geholpen heeft is de werkelijkheid te (willen) zien zoals die is, met alle diepe geloofsvragen die daarin meekomen. Wat mij betreft zou iedereen die zich wel eens in het Israëldebat begeeft daarom dit boek gelezen moeten hebben.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *