tekst Wilfred Hermans beeld Albert Jan ten Napel

Hebe Kohlbrugge (1914-2016) was Nederlands hoogst gedecoreerde verzetsheldin. De Nieuwe Koers sprak met haar, in 2016, voor de serie Levensdagen. “Mensen die nu beweren dat ze van niets wisten, verdienen een pak slaag.”

1. De dag van vandaag

“Wat ik op een dag zoal doe? Ha! Werken. Ik woon alleen, en alles gaat wat langzamer als je ouder wordt. Voor je eten zorgen, afwassen: best een klus. Eén keer per week heb ik een werkster. Ik heb hier veertig jaar met mijn zus gewoond. Ze is hier vlak voor de deur overreden. Of ik haar nog weleens mis? Natuurlijk. Je was altijd met z’n tweeën, nu ben je alleen. Alsof je je echtgenoot verliest; je kunt niet meer over grote en kleine dingen praten. Je kunt niet meer zeggen: kijk wat mooi, die brem. Maar nee, een man heb ik nooit gezocht. Geen zin. Ik ben weleens verliefd geweest, ja, maar toen heb ik niet doorgepakt. Ik wilde graag mijn werk doen.

Ik spreek weleens voor groepen. Laatst nog op een golfclub, maar vaker in schoolklassen. Ze luisteren altijd heel aandachtig. Leuk! Een jochie uit groep 8 stak een keer zijn vinger op. ‘Hebt u weleens iemand doodgeschoten?’ ‘Nee, dat heb ik nooit.’ Vond ‘ie teleurstellend. Een ander jochie: ‘Maar u had zeker wel altijd een pistool bij u?’ ‘Nee, nooit’, zei ik. 

Moderne theologie

Recent ben ik bezig geweest met de vijf boeken van Mozes. Zojuist heb ik Deuteronomium afgerond. Daar heb ik jaren aan gewerkt, in het Duits. Voor mezelf wilde ik er meer van weten. Ik stuur het op naar mijn vrienden in de vroegere DDR en Tsjechië. U weet vast dat ik daar heb gewerkt, en daar heb ik dus vrienden aan overgehouden. In de communistische jaren hebben zij niets van de modernere theologie meegekregen. Daarom vind ik het leuk de vijf boeken van Mozes voor hen te schrijven vanuit de commentaren die mij aan het hart gaan.Of de Bijbel belangrijk voor me is? Mozes zegt heel duidelijk: ik leer u de weg ten léven, niet de weg ten dode. Nou, ik wil graag de weg ten leven leren. Mozes zegt dat als je de armen en achtergestelden niet helpt, je van de weg ten leven afraakt. Dus probeer ik daar in mijn eigen leven vorm aan te geven.”

2. De dag dat ik de illegaliteit inging.

“Ik ben in een gezellig gezin opgegroeid. Vijf kinderen. Mijn ouders waren rechtdoorzee, dat heb ik van hen meegekregen. Het was vanzelfsprekend dat je de illegaliteit in ging. Vader en moeder waren er te oud voor, maar ze stonden honderd procent achter ons. Misschien waren ze weleens bang, maar dat kwam niet ter sprake.
Ik heb in het verzet Bonhoeffer gekend, ja. Maar u moet niet vergeten dat ik in het hart van de Belijdende Kerk werkte. Daar had je niet alleen Bonhoeffer, ook Niemöller en allerlei mensen die u helemaal niet kent, maar die niet minder belangrijk of indrukwekkend waren. Iedereen vraagt altijd naar Bonhoeffer, tot vervelens toe, daarom heb ik ook geen zin om daar verder op in te gaan. Mensverheerlijking? Een beetje. Ach, best als hij voor Nederland veel heeft betekend, maar dan hoef ik daar niet over te praten.

Iedereen vraagt altijd naar Bonhoeffer, tot vervelens toe

Wij Nederlanders zijn medeschuldig aan wat er met de Joden is gebeurd. Ik vind het belangrijk dat de leerlingen aan wie ik mijn verhaal vertel, dit horen. De meeste Nederlanders weten dat namelijk niet, of we doen alsof we een schone lei hebben. Maar ik kan je het verhaal vertellen van een Joods meisje. Ze werd opgepakt met haar ouders, maar ze kon vluchten. Haar vader zei: ‘Hier moet je eruit springen!’ Hij stopte haar een papiertje toe met vier adressen waar zijn dochter volgens hem terecht kon. Alle vier zeiden ze: bij mij niet, bij mij niet, bij mij niet, bij mij niet. Toen ze bij de vierde weggeschopt werd, is ze maar zelfstandig naar Westerbork gereisd. Een andere plek wist ze niet. Ja, ook dat is Nederland. 

Wij hebben geen nee gezegd tegen dat formuliertje, die Ariërverklaring waarop je moest aangeven of je wel of geen Jood was. Ikzelf was medeverantwoordelijk voor die formulieren, terwijl ik had moeten zeggen: dat gaat u geen flikker aan, barst maar! Toen ik ontdekte dat ik fout zat, ben ik er natuurlijk met twee armen en benen tegenin gegaan.”

3. De dag dat ik in Ravensbrück terechtkwam.
“In 1944 ben ik gearresteerd en werd ik tien maanden in Ravensbrück opgesloten. Ik mocht daar voor de baby’s zorgen, maar daarvan overleden er dagelijks één of meerdere omdat er geen eten was en de moeders geen melk hadden. Op zichzelf was het fijn dat ik iets kon doen, maar die moeders kon ik niet helpen. Zoiets gaat tegen je natuur in, vooral als moeders vertellen dat hun kindje het laatste is wat ze hebben.

Ja, ik werkte in Ravensbrück met Corrie ten Boom samen. Corrie is Corrie. We ontweken elkaar een beetje, we mochten elkaar niet. Waarom niet? Dat zal ik je vertellen. De communisten zaten het langst in het kamp. Dan had je kans op een betere baan, zoals het schoonmaken van de huizen van SS’ers. Er waren communistische, niet-gelovige meisjes die de moed hadden om tijdens het schoonmaken medicijnen te stelen. Daarmee riskeerden ze hun leven; het is een wonder van God dat die meisjes niet tegen de lamp gelopen zijn. Ze wisten dat Corrie eerlijk was, dus ze legden die medicijnen op een plek waar Corrie vaak kwam. Zij vond de medicijnen en deelde ze keurig uit. Ze zei dan, met de handen in de lucht: ‘God stuurt deze medicijnen uit de hemel!’ Dat vond ik flauwekul. Die meisjes regelden dat toch? Onze-Lieve-Heer regende geen pilletjes. Je vraagt of Hij die meiden misschien de moed gaf? Quatsch! Allemaal quatsch

Ik vond het ook vreselijk hoe het ging toen Corrie haar zuster verloor: op de appelplaats werd afgeroepen dat Corrie vrijgelaten zou worden, maar haar zusje was die nacht overleden. Wij dachten dat het voor Corrie haast onmogelijk was om onder die omstandigheden het kamp te verlaten, dus we stonden bij haar om haar te troosten. Maar Corrie riep vrolijk: ‘Het is de wil van God!’ Dat haar zuster gestorven was, ja. Nou, dat kan niet. Of ik haar geen inspiratiebron vond? Ze heeft trouw voor die pillen en voor mensen gezorgd, en ze heeft een stuk of twaalf Joden in huis genomen. Daar neem ik mijn pet voor af, maar inspirerend vind ik iets anders. Wie ik dan wel inspirerend vind? Die kent u allemaal niet. Mensen van de Belijdende Kerk; iemand in Oost-Europa die het klaarspeelt een theologische opleiding te doen, tegen de wil van de regering in, díe noem ik inspirerend. Als je tegen de stroom in durft te gaan. Maar ik zou niemand een held willen noemen; ik weet niet eens wat een held is. Als je je leven riskeert en tegen de stroom ingaat, dan ben je toch geen held? Dan doe je wat je doen moet.” 



4. De dag dat de oorlog voorbij was.
“Uiteindelijk waren het honderd procent communistische meisjes aan wie ik mijn leven te danken heb. Zij zorgden ervoor dat ik in een elitebarak terecht kon toen ik ziek werd, tot het einde van de oorlog. En als ik het vreselijk koud had op appèl – want ik had nog geen kous of broek – zorgden zij ervoor dat ik kleding kreeg. Kleine dingen, maar eigenlijk grote dingen.

Na de oorlog heb ik gewoon doorgeleefd. Ik ben niet zo van het nadenken over dit en over dat. Ik leef elke dag zoals ik denk dat het moet, van dag tot dag. Natuurlijk waren sommige gebeurtenissen moeilijk. Als je hoort dat je vader met een pistool in zijn nek een half uur lang over de hei is gedreven, nou ja, dat doet je wel wat. En als vriendjes van je worden doodgeschoten, dan gaat je dat ook niet in je koude kleren zitten. Maar je kunt niet over elke executie vreselijke drama’s maken, daarvoor was de oorlog te ruw. Het gebeurde aan de lopende band. Dat je er tegenwoordig hulp voor zou krijgen om het te verwerken? Dat zal best ja, van een psycholoog. Nou, laat ze thuisblijven.

Je kunt niet over elke executie vreselijke drama’s maken, daarvoor was de oorlog te ruw.

Oudere mensen die nu beweren dat ze de ernst van de oorlog lange tijd niet hebben ingezien, zijn sufferds. Je kon het van alle kanten merken. Ten eerste werd Vrij Nederland heel ruim verspreid, daar stond het allemaal in. Later volgden illegale krantjes als Trouw en Het Parool. Ik kan begrijpen dat men lang niets wist van de gaskamers in Auschwitz, daar was nog weinig over bekend, maar er was genoeg bekend over andere ongerechtigheden, kampen en gevangenissen. Als je nooit zo’n krantje las, was dat je eigen schuld. Als ik vandaag niet weet dat er vluchtelingen zijn, is dat ook mijn eigen schuld. Bovendien kenden de meesten ook wel iemand die op transport was gezet. Dus mensen die beweren dat ze van niets wisten, verdienen een pak slaag.
Of ik het idee heb dat zoiets nóg eens kan gebeuren? Het is nu toch alweer overal aan de gang? We hebben nog nooit van de geschiedenis geleerd. Laten we wel wezen: wij gingen naar Indonesië om te moorden, lekker moorden. Kun je dan zeggen: dit nooit meer? Wat is het verschil tussen vermoord worden door een nazi en als Indonesiër door de Nederlanders vermoord worden? Hoe meer je er over leest, hoe meer je ziet dat we daar schandelijk te werk zijn gegaan. Dus om ‘Dit nooit weer!’ te roepen, vind ik heel goedkoop.”

5. De dag dat ik mij inzette voor verzoening met Duitsland.

“Na de oorlog zei ik tegen dominee Miskotte: ‘Ik weet niet of ik wel een christen ben, ik heb in de oorlog niet eens gebeden.’ Hij zei: ‘Denk niet dat je God moet vasthouden, God houdt jou vast. Als jij je maar vastgehouden weet’. 

Ik zag het communisme als een groot gevaar. Daarom ben ik na de oorlog vaak naar het Oostblok gegaan; ik heb bijbels gesmokkeld en gezorgd dat ruim tachtig Nederlandse theologiestudenten in Oost-Europa konden studeren. Aan die tijd heb ik veel vrienden overgehouden, heerlijk. 

We gingen na de oorlog met een commissie van de Hervormde Kerk naar Duitsland – u weet: wij doen altijd alles in commissies. Daar zagen we hoe ontredderd het land was; niet alleen de huizen, ook de mensen. Dat hebben wij ons nooit gerealiseerd. Wij vonden als kerk dat we niet rustig op ons eilandje konden blijven. Ik werd de secretaris van die verzoeningscommissie. Of ik vruchten van dat werk heb gezien? Je ziet nooit vruchten van je werk, dat hoeft ook niet. Ik heb het met vreugde gedaan. Als je voor je naaste openstaat, opent dat je wereld. Ik heb een groep Duitsers uitgenodigd om een week naar Nederland te komen. We organiseerden lezingen door de beste mensen die we hadden. Wat zij daar terug in Duitsland mee deden, daar weten we niks van.”

6. De dag van de waarheid.

“Het verzetswerk was voor mij een zaak van vrijheid en waarheid, gefundeerd in het christelijk geloof. In het christelijk geloof ligt besloten dat ik mijn naaste serieus neem. Als ik dat doe, moet ik hem vrijheid gunnen, zoals hij mij ook vrijheid moet gunnen. Ik vertrouw mijn naaste dus niet toe aan de politie, maar aan de vrijheid.

Ik geloof dat de waarheid niet volledig te kennen is, alleen te bewandelen. Ikzelf kan wat waarheid betekent nooit zo helder krijgen als wanneer ik Václav Havel lees, de eerste president van Tsjechië: Versuch, in der Wahrheit zu leben. Dat zijn boeken waaruit je leert hoe je kijken moet. Maar mensen lezen niet veel meer. Ik sprak laatst een rechtenstudente en vroeg haar: ‘Wat lees je zoal?’ Ze zei: ‘Lézen? Ik lees toch niet meer!’ Er is natuurlijk ook een hoop rommel, maar je moet zorgen dat je de goede boeken te pakken krijgt. Dan leer je de weg. Of zoiets je traint voor een mogelijk nieuwe oorlogssituatie? Ik kan in ieder geval nu al leven in het besef dat ik in de waarheid wil leven. Maar trainen? Dat is natuurlijk onzin.”

7. De dag die nog moet komen.

“Ik leef van dag tot dag en kijk niet verder. Over de dood denk ik niet na, ik leef. Ook niet over hoe het in de hemel zal zijn. Dat zijn toch praatjes. Dominee Miskotte zei een keer dat hij als klein jongetje dacht dat hij op een wolk zou zitten met een trompetje. Nou, zoiets kan ik ook bedenken, maar ik denk toch niet – net als in de islam – dat ik straks alleen maar lekker zal eten en drinken. Ik weet er niets van en het gaat me niet aan ook. God heeft geen antwoord gegeven, dan moet ik ook geen antwoord willen geven. Wat er op mijn grafsteen komt te staan? Niets, want die staat er al, in Amerongen. Daar heeft mijn vader de steen geplaatst, en dat is voldoende voor onze familie. Er staat op: ‘Ik geloof in de wederopstanding der doden en een eeuwig leven’, en verder alleen de naam Kohlbrugge. Geen datum.”



Als je je leven riskeert en tegen de stroom ingaat, dan ben je toch geen held? Dan doe je wat je doen moet

Hebe Kohlbrugge

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *