De ‘Canto Ostinato’ is een muziekstuk dat duizenden in zijn greep gekregen heeft. We spreken een dominee en een organist over het geheim van deze muziek.

tekst Karel Smouter beeld Ruben Timman

Het is de dag na Hervormingsdag als de dominee en de organist er eens goed voor gaan zitten. We gaan het over 95 stellingen hebben, vandaag. Althans: secties, zoals dat in goed muziekjargon heet. 95 secties, waarin telkens op hetzelfde muzikale patroon gevarieerd wordt. We hebben het over de ‘Canto Ostinato’, een muziekstuk geschreven voor vier piano’s. De ‘Canto’ vormt het onbetwiste hoogtepunt uit het oeuvre van de vorig jaar overleden Noord-Hollandse componist Simeon ten Holt. Anders dan de 95 stellingen van kerkhervormer Luther is zijn stuk volstrekt woordeloos. Maar de impact ervan is – met een beetje goede wil – vergelijkbaar. Althans, voor gelovigen. En als je liefhebbers van dit muziekstuk spreekt, dan is het haast alsof je met gelovigen te maken hebt. Zo zijn er die menen dat het stuk het best liggend op zitzakken, met de ogen gesloten, te genieten valt. Weer anderen dichten het stuk helende kracht toe. “Het breekt gevoelens die al jaren vastzitten in je open”, zeggen ze bijvoorbeeld.

“Dat appelleert voor mijn gevoel aan de mens, op zoek naar verzoening”

Echte liefhebbers weten vaak nog waar ze waren en wat ze deden toen ze het stuk voor het eerst hoorden. Zo ook dominee Bas van der Graaf, predikant van de Amsterdamse Jeruzalemkerk. “Ik was eigenlijk een popliefhebber, voor wie klassiek in feite een andere wereld was. Toen ik net in de pastorie beland was, leerde ik via de Young Messiah de kracht van klassiek kennen. Mijn liefde ontvlamde pas echt toen ik de vierde van Mahler leerde kennen. Dat stuk sloeg in als een bom. Zo veel zeggingskracht en diepgang had ik nog nooit gehoord.” De ontdekking van de Canto vond plaats via een ‘Aangenaam Klassiek’-cd. Zo’n promotieplaatje, zoals die in de jaren negentig in elk huishouden wel rondslingerde. “Ik had die cd maar eens opgezet, en toen een fragment van de Canto voorbijkwam, wist ik: hier moet ik meer van horen. Ik werd als het ware de muziek ingezogen.” Zijn kinderen hebben het geweten, destijds. En nog. “Het moet in die dagen constant door het huis gegalmd hebben. Toen ik het jaren later mijn 16-jarige dochter liet horen, zei ze: ‘He, dit herken ik.’ De klanken voelden heel vertrouwd aan voor haar. Het was als het ware in haar systeem gaan zitten.”

Voor zijn gesprekspartner vanmiddag, organist Aart Bergwerff, was ‘minimal music’ – de stroming waartoe het stuk wordt gerekend – gesneden kost. “Ik studeerde in Den Haag en had een docent die daar helemaal gek van was. Steve Reich, Philip Glass, Terry Riley, dat soort componisten leerde ik daar kennen.” Minimal music kenmerkt zich door patronen die constant worden herhaald, zodat ze een vloeiend, haast meditatief geheel vormen. “Ik ontdekte in die tijd dat mijn instrument – orgel – zich daar geweldig voor leende. Je krijgt de ruimte – vaak een kerk – er namelijk bij cadeau. De klank van het orgel in een ruimte is een spannende ervaring, en dit type muziek vraagt daar als het ware om.” Toch was het niet de muziekprofessional Bergwerff die het stuk leerde kennen. “Ik zat in de auto, en hoorde op Radio 4 een uitvoering van het stuk voorbijkomen. Dat greep me enorm aan.” Deze kennismaking met het stuk – zo’n tien jaar geleden – vormde de opmaat voor een heuse liefdesaffaire tussen de organist en de muziek. “Ik kocht al gauw de bladmuziek van het stuk, om te kijken of ik het misschien voor orgel kon bewerken. Tot mijn verbazing stond er niet boven dat het per se voor piano geschreven was. Er stond: ‘voor toetsinstrument’. Kennelijk had ook de componist er geen bezwaar tegen als het anders zou worden uitgevoerd. Het stuk werd toen al zelden op vier piano’s uitgevoerd, zoals de bladmuziek voorschrijft, maar doorgaans op twee vleugels. Maar een uitvoering op het orgel, dat had nog niemand geprobeerd. In 2006 beleefde het stuk zijn wereldpremière voor orgel.”

Zoals dat gaat onder gelovigen, was niet iedereen direct enthousiast over deze nieuwlichterij. Puristen vonden dat de piano onbetwist het aangewezen instrument voor het stuk was. “Maar componist Ten Holt – toen al halverwege de tachtig – heeft mijn variant nog wel gehoord, en mij wat aanwijzingen gestuurd om de uitvoering te perfectioneren. Dat deed me goed.”

“Tijd bestaat in dit stuk niet meer”

De gekte die het stuk bij mensen losmaakt, jaren nadat hij het geschreven had, moet Ten Holt enorm hebben verbaasd. Hij schreef het werk in 1976, en zondigde toen tegen alle ongeschreven wetten die voor componisten van zijn generatie golden. Bergwerff: “In die tijd moest je atonale muziek schrijven, waarin vooral gespot werd met de conventies van de klassieke muziek. Ten Holt schreef juist tonale muziek, die tegen het romantische aanleunt.” Het stuk lag veel te prettig in het gehoor voor zijn tijdgenoten. “Je zou kunnen zeggen dat het iets profetisch heeft. Het loopt als het ware vooruit op de huidige trend van onthaasting, een woord waar ze in die tijd nog om zouden lachen.”

Het lijkt inderdaad geen toeval dat juist in de jachtige jaren negentig de echte doorbraak van het stuk plaatsvond. De theoloog in Van der Graaf weet wel een verklaring, al benadrukt hij dat het ‘iets’ wat de Canto zo bijzonder maakt ten diepste een mysterie zal blijven. “Anders dan de Matthäus Passion is het een stuk zonder tekst. Toch heeft het dezelfde emotionele zeggingskracht. Het stuk staat vol van de spanningen, die om een oplossing vragen. Het neemt je vanuit de onrustige dissonanten mee naar de harmonie. De dissonanten moeten worden opgeheven en dat duurt soms ondraaglijk lang. Dat appelleert voor mijn gevoel aan de mens, op zoek naar verzoening.”

De componist zelf had overigens weinig spirituele bedoelingen met het stuk. In interviews vertelt hij bijvoorbeeld dat de ‘merkwaardige’ voorliefde van zijn moeder voor de dorpsdominee en zijn kerk voor de anderen in de familie vooral voer voor grappen was. Hij groeide op in een intellectueel kunstenaarsmilieu in de duinen bij Bergen, waar religie en spiritualiteit iets uit het verleden waren. Hoe kan het dat zo veel luisteraars dan toch een haast religieuze devotie in zijn werk ontwaren? Van der Graaf: “Volgens mij is dat het kenmerk van grote kunst. Het is iets wat in de lucht hangt, wat door zo’n kunstenaar wordt doorgegeven. Hij pikt dat op en geeft het als het ware door.”

Bergwerff zoekt de verklaring voor de haast mystieke klanken in dit stuk in de opvatting van ‘tijd’ die eraan ten grondslag ligt. “Tijd bestaat in dit stuk niet meer. Mensen hebben vaak niet eens door hoelang ze eigenlijk hebben zitten luisteren en kijken verbaasd op de klok. Je ervaart alleen nog de ruimte. En het stuk geeft ook ruimte, om in te vullen met je eigen gedachten. In dat opzicht ‘loutert’ het stuk, het geeft mensen de ruimte om er iets in kwijt te kunnen waar ze normaal gesproken mee blijven zitten. Denk aan verdriet, teleurstelling, rouw. Dit stuk breekt die gevoelens open. Het is als het ware een breekijzer voor de ziel.” En dan komen de anekdotes. Over die vrouw die hem schreef dat een concert had geholpen om het overlijden van haar hond, die dag, te verwerken. Over vreemden, met wie hij via de Canto in contact raakte en uiteindelijk vrienden werd. “Ik heb altijd als ideaal gehad om het orgel ook buiten de context van de kerk – die veel mensen nog steeds tegen de borst stuit – als instrument te introduceren. Voor mij is de Canto een brug geweest naar heel veel nieuwe liefhebbers van mijn muziek en mijn instrument.”

Voor Van der Graaf, predikant in grotestadswijk de Baarsjes, was het stuk ook een brug. 21 juni dit jaar ging een langgekoesterde wens in vervulling. “De Canto in ons eigen kerkgebouw, dat was een onvergetelijke ervaring.” Ook hij had er nadien een flinke kluif aan om alle mensen op te vangen die hun ervaringen met het stuk wilden delen. Je zou haast denken dat organist Bergwerff een pastor als Van der Graaf mee op tournee moet nemen. “Als mensen dit stuk hebben gehoord, dan zijn ze in een andere wereld. De stilte ná het stuk, als er een eind komt aan een muzikale treinreis van bijna twee uur, die is geweldig.” Het stuk heeft de dominee ook nog meer van zijn kerkgebouw doen houden. “Als protestant denk je niet zo gauw aan de spiritualiteit van een bepaalde plek. Het Woord staat centraal, en dat kan in principe ook in een gymzaal. Maar toch: dit stuk doet mensen de ruimte van ons kerkgebouw op een nieuwe manier beleven. Het is een imposant stuk architectuur, maar voor buitenstaanders toch een beetje een kille plek. Na dit stuk voelen mensen als het ware de ziel van die plek veel meer.” Bergwerff: “Ik ben opgegroeid in een typisch gereformeerd gezin. Met zijn allen rond het orgel, in een arbeiderswoninkje in Pernis. Maar mede door als organist in zo veel kerkgebouwen te komen, ben ik toch gaan zien dat er zoiets als ‘energie’ bestaat. In een gebedshuis is die energie gewoon positief, dat merk je aan alles. Dat maakt dat de spirituele dimensie van een stuk als de Canto nog meer binnenkomt.”

Van der Graaf lacht bij het horen van die woorden. “Tja, energie… Zo zou ik het zelf niet zo snel noemen. Dat is niet direct mijn taal. Maar ik voel het wel! Die nadruk op het Woord, waar wij als protestanten zo goed in zijn, die is toch wel eenzijdig. Als je ziet wat zo’n stuk bij mensen losmaakt of wat een ruimte met mensen doet, en dat alles zonder dat er een woord aan te pas komt. Dat durf ik van mijn preken niet te verwachten…” Bergwerff haakt erop in. “Een liturgie rondom de Canto, bij het avondmaal of zo, zou je dat zien zitten?” Het is even stil. Dan zegt de predikant: “Ja, ik zou niet weten waarom niet. Al die spanning in die noten, die om verlossing roept. Dat is bij een mens niet anders. En als die verlossing dan komt en de dissonanten transformeren in een prachtige harmonie, nou ja, dat is eigenlijk de hemel. Echt.” Het is duidelijk: de dominee en de organist, die elkaar in dit gesprek voor het eerst troffen: ze hebben elkaar gevonden. Een samenwerking lijkt in de maak.

Verder lezen?

Als je meer wilt leren over de leefwereld van componist Simeon ten Holt, dan is het mooie boek van Wilma de Rek Canto Ostinato. Simeon ten Holt over zijn meesterwerk een aanrader. Het boek is opgebouwd uit interviews met Ten Holt. Ook zijn vrienden, collega’s en bewonderaars komen aan het woord.

Verder luisteren?

Op de website van organist Bergwerff zijn cd’s van de orgelvariant te bestellen: www.aartbergwerff.nl. Jeroen & Sandra van Veen, een pianoduo bestaande uit broer en zus, zijn de bekendste Nederlandse uitvoerders van het werk. Op hun website zijn diverse varianten te bestellen: www.pianoduo.org.

Verder kijken?

Op de website www.hollanddoc.nl is de documentaire Over Canto te zien. Volgens Ramon Gieling, de maker van de documentaire, is de Canto in staat een radicale verandering in iemand teweeg te brengen. Daarover komen in deze film diverse bewonderaars aan het woord.

Zelf meemaken?

Op 21 juni 2014, de langste dag van het jaar, verzorgt pianoduo Jeroen & Sandra van Veen net als vorig jaar een uitvoering in de Jeruzalemkerk in Amsterdam. Kaarten zijn te bestellen via www.jeruzalem-kerk.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *