God mag dan onveranderlijk zijn, de gemeenschap van zijn gelovigen is dat niet. Nu ik alweer een paar jaar naar de kerk ga, merk ik hoezeer mijn geloof niet alleen van Hem of Haar afhangt, maar van zeer menselijke wezens. Van kapelaans bijvoorbeeld, die je in je hart raken als ze de mis opdragen, maar die ook weer kunnen vertrekken; van kerkgangers die je leert kennen, met wie je zelfs bevriend raakt, maar die zich ook weer van je verwijderen.

Er komt bij dat geloven zo veel mensenwerk kijken; ik had er geen rekening mee gehouden in mijn cerebrale overtuigingen.

De eerste keer dat ik naar ‘mijn’ kerk ging, was de priester een man die deed en sprak zoals ik het had gedroomd. Ingetogen en toch bevlogen, met voldoende gevoel voor het mysterie. Ik kreeg nooit het idee naar een onemanshowte kijken, maar voelde dat deze geestelijke het heilige doorgaf. Hij was een tolk, strikt gesproken, eentje die zichzelf niet breed maakte, maar heel consciëntieus vertaalde, zodat wij kerkgangers geholpen werden met het geloof.

Er komt bij dat geloven zo veel mensenwerk kijken; ik had er geen rekening mee gehouden in mijn cerebrale overtuigingen.

Stephan Sanders

Een voorganger of priester is zelf niet heilig; hij moet het heilige kunnen oproepen, tastbaar maken. Degene die de dienst leidt of de mis celebreert, heeft een ingewikkelde positie: zo iemand is de voorman of -vrouw, zo iemand moet meer theologische kennis hebben dan het merendeel van de gelovigen in de kerk, maar tegelijkertijd mag ook het ego van de voorganger niet groter worden dan dat van al die mensen die zoeken naar geloof en God.

Mijn eerste kapelaan beheerste die balanceerkunst moeiteloos, en ik wist niet beter of het ging altijd zo vanzelfsprekend.

Die naïviteit is mij ontnomen, want na een jaar of twee vertrok de kapelaan; er kwamen invallers, soms passabel, soms matig. Ik merkte dat ik als een recensent in de kerk zat, en hoeveel achting je ook mag hebben voor het kritische bewustzijn, ik wist meteen dat dit niet de bedoeling was.

Je gaat niet naar de kerk als naar een film of een theater. Jij bent niet de kenner, maar juist het tegendeel daarvan: de zoekende, de vragende. En zo had ik meteen mijn eerste geloofscrisis te pakken: God kwam daar niet aan te pas, maar wel de kwaliteit van zijn aardse dienaren.

Nog ingewikkelder vond ik de verwijdering die plaatsvond tussen mij en een geloofsgenoot. Wij waren ongeveer tezelfdertijd begonnen met het geloof, wij waren nieuwkomers in de kerk en hielden ons vast aan elkaar. We konden onze twijfels bespreken, want we hoefden ons niet groot te houden. We konden niet bogen op een routine, en mochten dus onbeschroomd onze verbazing en soms ook verbijstering uitspreken, over het – inmiddels niet meer zo – rijke roomse leven.

Hij zorgde ervoor dat de wekelijkse kerkgang gewoon werd; dat ik me niet meer verexcuseerde als ik mezelf een gelovige noemde.

Ik heb zijn doop meegemaakt, en het was of hij plaatsvervangend de sacramenten ontving die ook mijn nieuwe, gelovige begin markeerden.

Tussen al dat kerkelijke leven door belden en mailden we, en natuurlijk niet alleen over geloofskwesties. Juist het feit dat we het zo uitgebreid over zeer aardse zaken konden hebben, dat we konden bluffen en roddelen, maakte dat het geloof niet apart kwam te staan, maar deel begon uit te maken van mijn dagelijks leven.

En als het zo uitkwam, kon ik zo God noemen, en kwam er geen vraagteken van zijn kant.

Die vriendschap is in korte tijd verwaterd, de oorzaken zijn me nog steeds raadselen.

Het betekent een bres in dat prille geloof van me.

Zo veel mensenwerk – ik had het bij God niet verzonnen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *