Simon(e) van Saarloos stelt in haar essay Herdenken herdacht dat we (onrecht uit) onze geschiedenis niet zozeer moeten herdenken, als wel moeten vergeten: verbeeld morgen alsof vandaag niet bestaat. Ze gaat daarbij echter nauwelijks in op de vraag hóé je dan het verleden kunt vergeten, zegt Willem Maarten Dekker. 

tekst Willem Maarten Dekker

Hoe kunnen wij vandaag herdenken? En wát moeten we herdenken? Deze vragen zijn in onze tijd steeds meer aan de orde. Dat heeft uiteraard te maken met het feit dat wij steeds onzekerder worden over wie wij nog samen, als samenleving, zijn. In wat we samen herdenken, leggen we iets van onze identiteit bloot – en een samenleving die zichzelf en de weg kwijt is, weet dus niet meer te herdenken. Moeten we het nog op z’n christelijks doen? Kerstfeest is nog steeds een wijdverbreid moment van ‘herdenken’, maar moet hier en daar ook liever ‘winterfeest’ worden genoemd, of in ieder geval ontdaan worden van zijn christelijke symboliek. De dodenherdenking op 4 mei begint steeds meer weerstand op te roepen: hebben de doden uit andere oorlogen niet evenveel ‘recht’ op herdenking dan die uit de Tweede Wereldoorlog, en moeten we ook de Duitse slachtoffers niet een keer herdenken? Bovendien: wordt het geen tijd om ándere slachtoffers van de geschiedenis te herdenken, zoals vrouwen, zwarten en lhbt’ers? Kortom, samen herdenken wordt steeds moeilijker. De individualisering dringt ook het fenomeen herdenken binnen. Laat iedereen zelf maar weten hoe hij viert of herdenkt. Maar is daarmee de essentie van het herdenken niet opgegeven?

Dat zijn de vragen die de redactie van Nieuw Licht– een ‘filosofische pamfletreeks’ van Prometheus – voorlegde aan het aanstormende talent Simon(e) van Saarloos. Het spel met de voornaam verraadt vervolgens al enigszins uit welke hoek bij Van Saarloos de wind waait. Zonder het woord ‘revolutie’ te gebruiken, staat ze toch met veel andere (met name Franse) postmoderne denkers tot haar knieën in de communistische traditie, waarin deze wereld in wezen slecht en verdorven bevonden wordt, en daarom omvergeworpen moet worden. Dit komt in dit pamflet op een uiterst krasse wijze naar voren, omdat hier onomwonden de wens klinkt het verleden te vergeten en uit te wissen, en zelfs een ander verleden geëist wordt. Van Saarloos kiest voor de utopie en, zo zegt ze: “De utopie eist dat het verleden anders is.” De laatste zin van het essay luidt: “Dat is de dagelijkse utopische oefening die ik voorstel: morgen verbeelden, zonder trouw te blijven aan het hier en nu.” Dat laatste verwoordt ze ergens anders nog sterker: “De werkelijkheid zoals deze is wordt steeds verworpen.”

Te veel (historische) kennis verlamt. Dat is scherp gezien, en volop actueel. Niet voor niets zijn tallozen in onze tijd de ontelbare ‘deskundologen’ zat

Willem Maarten Dekker

Van Saarloos staat daarmee niet alleen in de links-revolutionaire traditie, maar ook in die van Nietzsche. Revolutionairen vinden elkaar altijd. Nietzsche had in zijn tekst Over nut en nadeel van geschiedenis voor het levenook vooral oog voor het nadeel. (Daarbij wilde Nietzsche overigens het verleden inruilen voor de glorie van het Duitse volk en zag hij het doel van de mensheid expliciet “in haar hoogste exemplaren”. Ik vraag mij weleens af of de huidige revolutionairen die graag een beetje met Nietzsche dwepen zich dat realiseren.) Nietzsche ziet in zijn Duitse Bildungskultur ook een teveel aan geschiedenis regeren. Dat schaadt volgens hem het vrije, ongedwongen leven. Te veel (historische) kennis verlamt. Dat lijkt mij op zichzelf scherp gezien, en volop actueel. Niet voor niets zijn tallozen in onze tijd de ontelbare ‘deskundologen’ zat, en zelfs de wetenschap. Want alle kennis blijkt ook weer betwijfeld te kunnen worden, zodat je nooit genoeg en het nooit precies genoeg weet. Denk aan de klimaatcrisis. Onze eindeloze hoeveelheid kennis over het milieu blijft multi-interpretabel, en zo leidt juist die kennis tot verlamming, tot een onvermogen om te handelen. Maar het geldt inderdaad ook de geschiedenis. Om te kunnen handelen moet je vríj zijn, en om vrij te zijn moet je ook de (historische) context kunnen relativeren. Het is een sceptische wijsheid, die naar cynisme kan neigen, maar daarom niet onjuist. Ook niet nieuw overigens. De bijbelse scepticus Prediker zei al precies hetzelfde: “Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe.” Maar, zegt hij, laat je niet verlammen: “Wérp je brood uit over het water.” 

Het verleden relativeren of “een ander verleden eisen”, dat is echter een heel verschil. Voor Van Saarloos is het verleden zozeer een doem geworden, dat ze het verleden eigenlijk wil afschaffen, en dus ook niet meer herdenken. Het identiteitsloze van onze cultuur wordt hier niet als problematisch ervaren, maar juist omarmd. We moeten nóg identiteitslozer worden, we moeten helemaal met ons eigen verleden breken. Van Saarloos ziet dat zo, omdat zij veel slachtoffers van de wittemannengeschiedenis waarneemt. Het gaat dan over vrouwen, mensen “van kleur” en lhbt’ers. Zij zijn door de geschiedenis weggemoffeld, zij hebben geen gezicht gekregen, zij mochten en mogen niet bestaan. Daar heeft zij zonder enige twijfel een punt. Elke natie en elke cultuur filtert haar verleden, en ook een collectief geheugen is een selectief geheugen. Sommige dingen schrijven wij op in de geschiedenisboeken die wij onze kinderen te leren geven, en die willen wij ons dus blijven herinneren, en andere dingen schrijven wij niet op. Daarin is momenteel een enorme verandering gaande. De Gouden Eeuw mag volgens sommigen geen Gouden Eeuw meer heten en omgekeerd verschijnt de vuistdikke bestseller 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Wij herschrijven de geschiedenis – niet omdat de geschiedenis zelf veranderd is, maar omdat we er een ander filter op wensen te zetten.

Vergeving draagt ook de component van vergeten mee. Niet in de zin van: je geheugen wissen, maar in de zin van: er écht vrij van worden

Willem Maarten Dekker

Maar: ook kiezen voor een ander filter op de geschiedenis is nog iets anders dan “een ander verleden eisen”. Ook bij een ander filter probeer je heel basaal de geschiedenis récht te doen door geen dingen te verzinnen die niet gebeurd zijn, en geen dingen te ontkennen die wel gebeurd zijn. Het belang van de kunst van de zeventiende eeuw relativeren is iets anders dan het leven en de werken van Rembrandt ontkennen. Zelf geen christen, geen man, niet blank of geen hetero zijn is ook iets anders dan ontkennen dat Rembrandt en Van Gogh het wel waren. Filteren is onvermijdelijk, maar iets ontkennen of verzwijgen is immoreel. In dat opzicht leven wij in een spannende tijd. Dat blijkt ook uit dit boekje, want Van Saarloos is vooral ergens tégen: tegen blanke, heteroseksuele, christelijke mannen. Zij hebben immers de geschiedenis bepaald. Maar ergens tégen zijn levert eigenlijk nooit rijke of draagkrachtige gedachten op. Dat geldt ook hier. Simon(e) leeft veel te veel van wat ze bestrijdt. Als ze echt in de kracht van haar eigen denken geloofde, zou ze het christendom en de westerse geschiedenis er ook gewoon kunnen laten zijn.  

Van Saarloos gaat slechts heel kort met Nietzsche in gesprek, en valt vervolgens vooral Sylvana Simons bij en verschillende denkers die aandacht vragen voor de vergeten geschiedenis van vrouwen, zwarten, homo’s en queers – en daar maatschappelijke eisen aan verbinden. Dat zij tegen hen zegt dat zij zich niet alleen het hun aangedane onrecht moeten herinneren, maar óók vergeten, is een origineel gezichtspunt, dat te denken geeft. Ze gaat daarbij echter nauwelijks in op de vraag hóé je dan het verleden kunt vergeten. We kennen allemaal de ervaring: “Dát kán ik niet vergeten” – vooral als het om trauma’s, misdaden of falen gaat. Om te vergeten, en zeker om sámen, als samenleving, te vergeten, is toch onmiskenbaar een bepaalde kracht nodig? Welke kracht zou dat moeten zijn? Daar heeft Van Saarloos geen antwoord op.

Ja, heel even verwijst ze naar Hanna Arendt, die het in deze context heeft over vergéving. Dat is inderdaad het fenomeen dat volgens de monotheïstische tradities kracht heeft om met het verleden om te gaan. Vergeving maakt dat je het verleden achter je kunt laten. En inderdaad, daar zit ook iets van vergeten in. Niet in de zin van: uit je geheugen wissen, maar wel in de zin van: er écht vrij van worden, het verleden echt laten waar het hoort: áchter je, en niet voor je, zodat het je in je handelen en beleven ook niet meer hindert. Dat gun ik alle minderheidsgroepen die in de geschiedenis benadeeld zijn ook. Maar dan moeten zij zich inderdaad het fenomeen van de vergeving toe-eigenen – zoals de daders op enigerlei wijze berouw moeten tonen. Dan kunnen we samen verder, niet zónder verleden, laat staan door “een ander verleden te eisen”, maar voortbouwend op het góéde van het verleden. Dat is wat de monotheïstische tradities bedoelen met het gebod: “Eér je vader en je moeder.” Dat zijn niet alleen je biologische ouders, maar dat is primair de traditie. Besef dat je ergens vandaan komt, en dat er geen toekomst is zonder dat verleden. De eersten die met dit gebod kwamen, waren de Joden, die nog steeds van het ‘gedenken’ leven. In die zin is er moeilijk een sterker anti-Joods pamflet denkbaar dan dit van Van Saarloos. Dat baart mij wel zorgen.

De Joden leven nog steeds van het ‘gedenken’. In die zin is er moeilijk een sterker anti-Joods pamflet denkbaar dan dit van Van Saarloos

Willem Maarten Dekker

Wij kunnen dus niet zonder het jodendom en de andere monotheïstische tradities, juist ook omdat die ons in de vergeving een andere manier van omgaan met het verleden leren. Maar ja, Van Saarloos rekent daarmee af en bekent zich onomwonden tot een soort van veelgodendom. In een merkwaardige passage belijdt zij haar vertrouwen op “de godinnen”: “Ik kan alleen praten en schrijven wanneer ik op de godinnen vertrouw. De godinnen zijn voelbaar aanwezig. (…) De godinnen zijn verbonden met de eeuwigheid, zij ontstijgen het heden. (…) Zonder de godinnen zou het onmogelijk zijn om me überhaupt te uiten” (23). Ik heb dit met verbijstering gelezen. Hoe bestaat het dat iemand die zo wil afrekenen met het (christelijke) verleden, juist het oeroude heidendom weer geheel naïef binnenhaalt? Deze “godinnen” worden verder totaal niet geïdentificeerd. Volgens filosoof Frédéric Lenoir gaan wij in onze tijd niet zozeer terug naar het veelgodendom, zoals sommigen menen, maar naar een nog ouder stadium uit de godsdienstgeschiedenis, het ongedifferentieerde animisme. Is Van Saarloos daar een voorbeeld van? Dat moet ze in haar volgende essay maar eens uitleggen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *