Hé, dacht Bert Keizer toen hij afgelopen maand samen met Theo Boer op uitnodiging van de Deense Raad voor de Ethiek in Kopenhagen was, leuk, we gaan samen uit eten. Maar Theo had geen tijd. Vandaag zitten ze voor het eerst in hun leven echt tegenover elkaar. Eindelijk. Boer: “De afwezigheid van een intelligent debat over euthanasie stoort me. Wij zijn allebei horzels, maar we geven ons ongelijk graag toe.” Keizer: “Nou ja, graag.”

tekst Jasper van den Bovenkamp beeld Iris Schoonus

In de Twitter-feed van medisch-ethicus Theo Boer wemelt het van de euthanasieberichtjes. Ergens halverwege passeert een screenshot van een recente column van arts en filosoof Bert Keizer in dagblad Trouw, waarin hij betoogt dat ziekenhuizen en artsen nou eens moeten stoppen met het overbehandelen van kwetsbare ouderen. Er staan wat reacties onder. ‘Ik ken de auteur als iemand die cynisch doet over ethiek en wijsbegeerte’, zegt iemand. ‘Waarom zou ik zijn teksten nog lezen?’ Een ander: ‘Cynisme, ermee koketteren… Ik moet mijn leestijd goed gebruiken.’ 

Bent u cynisch, of begrijpen deze mensen u niet goed?

Theoloog en medisch-ethicus Theo Boer (links) en arts en filosoof Bert Keizer (rechts)

KEIZER “Ik krijg dat verwijt vaker, maar ik vind het een verschrikkelijke beschuldiging. Cynisme is liefdeloos, en dat ben ik niet. Cynisch ben je wanneer je als paus zegt: ik geloof er niks van, van het hele gezeik – en, oh ja, kijk eens naar mijn bewoning, zo’n huis heb jij niet, hè! Dán ben je een cynicus. Misschien ben ik onprettig gezelschap, maar cynisme vind ik een lullige kwalificatie. Ga eens na, ik heb vierendertig jaar in een verpleeghuis gewerkt, en ik kan je vertellen, dat is niet de leukste plek van de gezondheidszorg. Een status van nul komma nul. Je moet toegewijd zijn om dat werk te kunnen doen. Wat mensen bedoelen, is dat ik een werkelijkheid nogal fluks hun kant opschuif die ze liever niet zien.”

BOER “Ja en nee, Bert. Jouw boodschap is soms nogal paradoxaal. Aan de ene kant zeg je: filosofen en ethici hebben niks te vertellen. Tegelijk ben je zelf ook filosoof, en je staat wel degelijk zinvolle dingen te zeggen.”

KEIZER “Filosofen en ethici zijn over het algemeen priesters die over seks praten, maar ze doen ‘het’ niet. Ik snap best: dat kun je niet generaliseren. Je mag over oorlog praten zonder dat je er ooit één gevoerd hebt. Maar als het gaat om specifieke zaken zoals operatietechniek, dan weten filosofen gewoon niet waar het over gaat. En dat is mijn bezwaar tegen hoe het euthanasiedebat wordt gevoerd; het wordt sterk overbevolkt door ethici, en ik heb daar inderdaad geen hoge pet van op. Jullie zitten allemaal te lullen over zwemles en je hebt nooit water gezien. Als arts zit ik elke dag middenin de materie waarover het in dat soort discussies gaat.”

BOER “Medisch gesproken ben jij een expert, maar in het euthanasiedebat gaat het over vraagstukken waar iedereen verstand van heeft: incasseren en volhouden. Die discussie moet je niet aan artsen overlaten. Als het leven ons een enorme poets bakt – om in jouw jargon te spreken – dan gaat een arts mij niet vertellen of ik moet stoppen of doorgaan. Dat gesprek moeten we met de hele samenleving voeren: wanneer is het leven nog te harden, en wanneer niet meer? In het gesprek zoals het nu wordt gevoerd, dreigen we elkaar de put in te praten. En dat is tegelijk ook mijn grootste kritiek op jou: ik vind je soms best een beetje hopeloos. Neem jouw eindeloze kritiek op het leven in verpleeghuizen. Heb je daar nou echt de zon nooit zien schijnen? Maakte je daar geen bijzondere dingen mee?”

KEIZER “Ik heb veel gezeurd over de kwaliteit van het aanbod, maar ik heb er altijd met plezier rondgelopen. De levens in wier schaduw ik werkte, heb ik ook nooit beschouwd als volstrekt waardeloos. Kom nou, dan ga je daar niet werken!”

BOER “Maar hoe moet ik uitspraken van jou als ‘daar wil je niet zijn, in een verpleeghuis’ en ‘het zijn stakkers’ dan begrijpen?

KEIZER “Ik ontmoette ooit iemand in het verpleeghuis die een beetje om zich heen stond te kijken en vervolgens bij mij in de lift stapte. ‘Het zijn toch wel stakkers, hè’, zei hij tegen mij. ‘Nee’, zei ik, ‘dat zijn het niet! Ik ken die mensen, ik weet wat hun hobby’s zijn, waar hun laatste vakantie naartoe ging, wie hun kinderen zijn.’ Deze scène heb ik ooit opgeschreven, maar kennelijk blijft het verhaal op een nogal merkwaardige manier hangen. Ik heb altijd met vreugde en respect onder deze mensen verkeerd.”

BOER “Dat vermoed ik ten zeerste.”

KEIZER “Ja, maar jij komt nu wel weer met zo’n opmerking als ‘jij schrijft over die lui dit en dat’. Maar dat heb ik nooit gedaan. Ik hoop werkelijk niet dat het mijn reputatie is dat ik die mensen wegschrijf als waardeloze gebakjes.”

BOER “Als jij het hebt over verpleeghuiszorg, gaat het vaak over de problematische kant ervan, dat is gewoon zo. Ik weet best dat je er genuanceerd over kunt zijn, maar je moet je realiseren dat die negatieve benadering effect sorteert op de buitenwereld.”

KEIZER “Ik heb altijd betoogd dat de bevolking van het verpleeghuis bestaat uit mensen die niet van plan waren daar te eindigen. Daar heb ik me aan geërgerd. Tja, ik heb er wel met open ogen rondgelopen, als je dat bedoelt.” 

Venijn

Theo Boer en Bert Keizer zijn krap vijf minuten in gesprek als ze hun meest principiële meningsverschillen op tafel hebben gegooid. De twee sparen elkaar niet, maar evenmin zoeken ze elkaars ondergang. Integendeel, ze grinniken om het subtiele venijn dat soms doorklinkt in de woorden van de ander.

BOER “Als mensen met beginnende dementie aan jou vragen om euthanasie, kun jij je dan voorstellen dat ze ondraaglijk lijden?”

KEIZER “Ja.”

BOER “Verleen je zulke mensen euthanasie omdat jij je hun leed kunt voorstellen, of omdat je uit respect niet anders kunt dan meegaan in hun ervaring?”

KEIZER “Ik kan wel anders, hoor. Maar mensen weten mij in de regel wel te overtuigen.”

BOER “Overtuigen ze je ook weleens niet?”

KEIZER “Nee. Mensen die zich aanmelden bij de Levenseindekliniek, zijn niet zo gelukkig met hun dementie. Meestal denk ik na een kwartier: oh, dit kán niet!”

BOER “Hoeveel doe jij er per jaar?”

KEIZER “Zestien.”

BOER “Heb je altijd het gevoel: hier sta ik honderd procent achter?”

KEIZER “Nee.”

BOER “Welke marge van onzekerheid sta jij jezelf toe?” 

KEIZER “Ik zou wel een rekenmachine zijn als ik altijd op honderd procent uitkwam. Dat is juist het martelende van euthanasie: het karteltje dat blijft rafelen aan de rand, dat je denkt: is dit nou helemaal onder de wet? Want het is passen en meten, soms is het wrikken, een beetje verdraaien in je verslag, zodat het allemaal goedkomt.”

BOER “Volgens mij heb ik jou eens horen zeggen dat een foute euthanasie relatief is; de betrokkene kan achteraf nooit zeggen: nee, dit wilde ik zo niet.”

KEIZER (zuurtjes lachend) “Kijk, dat vind ik nou een cynische opmerking.” Vervolgt: “Maar ik zal je een voorbeeld geven van een foute euthanasie uit mijn eigen ervaring, weliswaar van voor de tijd dat we het allemaal goed hadden geregeld. Er was een man van 56 – zelf was ik toen een jaar of 35, ik vond hem toen oud – en hij had longkanker. Door zijn oncologen was hij over een aantal hordes heen geholpen, en daar was dan uiteindelijk toch het graf. Dat is oncologie hè: ze gieten gif op je tumor – hij slinkt – ze gieten door – hij zwelt weer aan – en dan nemen ze afscheid van je. Heb je al die shit doorgemaakt, kan je toch nog het graf in. Lekker. Die man was dus boos, en in zijn woede vroeg-ie om euthanasie. In die woede, zijn wraak op het leven, ben ik meegegaan. Als ik daar nu op terugkijk, denk ik: dat is niet goed! Die kinderen hebben een woedende vader zien doodgaan, alleen al daarom.”

BOER “Ik ken dat soort verhalen niet uit eigen ervaring, maar in de ruim vierduizend dossiers die ik als lid van een toetsingscommissie destijds heb gezien, kwam ik soortgelijke anekdotes tegen. Zo las ik van een arts die een getergde patiënt euthanasie verleende. Hij zei: ik gun haar deze laatste mogelijkheid om het de ziekte betaald te zetten.”

KEIZER “Dat is verkeerde euthanasie.”

BOER “Waarom vind je dat?”

KEIZER “Als je in een euthanasietraject zit, zweeft jou ‘het goede sterven’ voor ogen. In dit soort gevallen lijkt me daarvan geen sprake. Er zijn artsen die eisen dat je je nog verzoent met je dochter, die nu in Amerika woont. Terwijl zo’n vader denkt: die trut hoef ik nooit meer te zien. Waarop de dokter denkt: ja, maar dan gaat hij onaf het graf in. Afijn, je kunt je vergissen als dokter.” 

BOER “Wat is een goede dood volgens jou?”

KEIZER “Eén van de eisen is dat hij op het goede moment komt.”

BOER “En wie bepaalt dat?”

KEIZER “Dat bepaalt de biologie. Zodra je kinderen het zonder jou redden – de vogels zijn het nest uit en vliegen zelf – dan kun je zeggen: een belangrijk deel van jouw taak op aarde is volbracht.”

BOER “Dat is niet zozeer een biologisch als wel een evolutie-biologisch argument. Je hebt je genen doorgegeven, et voilà, je taak zit erop. Ik vind het wat smal. Liever denk ik in een meer natuurlijke lijn van ‘opstaan, blinken en verzinken’. Ik denk het leven in het beeld van een soort boogbrug. In de jaren tachtig en negentig werden de meeste mensen geëuthanaseerd op het moment dat de brug weer bijna de grond raakte. Vlak voor ze zouden verzinken, werd het draadje doorgeknipt. In veel landen is dit nog steeds het criterium voor euthanasie: de dood moet redelijk aanstaande zijn. 

In dergelijke gevallen kan ik me euthanasie ook nog wel voorstellen. Maar waar ik moeite mee heb, is dat we door alle verruimingen van het beleid levens nu met jaren aan het verkorten zijn. Als lid van een toetsingscommissie heb ik 53 gevallen van de Levenseindekliniek bestudeerd; bij ruim de helft van hen was de gemiddelde levensverwachting meer dan twee jaar, met een geschat gemiddelde van zeven jaar. Als je dit gaat doorrekenen, heeft de Levenseindekliniek in totaal honderden mensen uit het leven gehaald met wie het leven nog niet klaar was. Die ontwikkeling staat mij tegen. En ik gok dat jij ook mensen helpt met een vergelijkbare levensverwachting.” 

KEIZER “Wij verlenen vandaag euthanasie aan mensen tegen wie we twintig jaar geleden hadden gezegd: wat denk je wel! Of ik dat erg vind? Nee. Maar, zeg ik daarbij, we moeten wel bij elkaar te rade blijven gaan: waarom denk jij dat het erg is? Er bestaat simpelweg zorg over, niet alleen in de ultra-protestantse hoek, maar maatschappijbreed. En ik moet je eerlijk zeggen, ik zit soms ook wel te kijken: jongens, gaat dit wel goed? We zijn in een situatie beland waarin mensen een stempeltje komen halen bij de arts, de SCEN-arts, de Levenseindekliniek: mag ik dood? En wij zeggen dan: je hebt gelijk hoor, je leven is voorbij, ga maar. 

Ik zou om die reden de strafbaarheid van hulp bij zelfdoding willen schrappen. Laat mensen het zelf doen. Ik verwacht dat het aantal aanvragen zal afnemen. Mensen, goed van lijf en leden, die hun arm naar mij uitsteken, en dat ik daar dan een spuit in moet zetten – ik kan er niet zo goed tegen.”

BOER “Dat heb ik eerder ook al bepleit: kun je het zelf, doe het dan ook zelf. De grap is dat Eugène Sutorius, de grote man van de NVVE in de jaren negentig, in een interview in Trouw destijds iets zei als: gezien de groeiende autonomie van patiënten verwacht ik dat steeds meer mensen zullen kiezen voor hulp bij zelfdoding in plaats van euthanasie. Precies het omgekeerde is gebeurd.”

KEIZER “Ja, omdat die andere route niet zo makkelijk is. Ben je niet zo handig met toetsenbord en muis, dan tover je dat middeltje niet zomaar je huiskamer binnen. Het kan wel, heeft Albert Heringa laten zien. Hij hielp een paar jaar geleden zijn 99-jarige moeder te sterven. Maar daar is de rechter dus bovenop gesprongen, waardoor de doe-het-zelfeuthanasie in een link daglicht is komen staan. Zonde!”

BOER “Het verbaast mij dat er van die hulp bij zelfdoding maar mondjesmaat gebruik wordt gemaakt, terwijl de euthanasiepraktijk wél drastisch groeit.”

KEIZER “Ik ben een drankjesdokter. ‘Het is úw dood, daar staat-ie.’”

BOER “Als ik bij artsenfederatie KNMG vraag: ‘Zouden jullie niet liever willen dat de patiënt het zelf doet?’, krijg ik geregeld te horen dat artsen het liever zelf doen, omdat ze dan vrijwel zeker weten dat het goed gaat. Hulp bij zelfdoding kan twintig minuten duren, maar ook drie uur.”

KEIZER “Je bedoelt hier het verschil tussen een intraveneuze injectie door de arts (euthanasie) en een barbituraatdrankje dat de patiënt zelf opdrinkt (hulp bij zelfdoding), neem ik aan? Ik moet je melden dat het aantoonbare lulkoek is, en ik vecht er iedere dag tegen. Iedereen zit te tetteren over dat drankje, maar er is goed onderzoek naar gedaan en de feiten laten iets heel anders zien.”

BOER “Vertel.”

KEIZER “Het gaat gewoon goed.”

In uw essay Voltooid geeft u een voorbeeld uit uw eigen praktijk waarin de patiënt na inname van het drankje moet braken.

KEIZER “Nee, nee, dat ging over iemand die een injectie kreeg van de arts. Het was een jonge vent; tussen de middag was hij naar het café gegaan: tapas, pilsje, pilsje, tapas, enzovoort – we gaan toch dood. Om halfdrie kreeg hij zijn euthanasie. De spuit was nog niet halfleeg, of hij gooide het hele spul eruit. Waar ik maar mee wil zeggen: met die intraveneuze methodes kun je evengoed voor onaangename verrassingen komen te staan. Dus dat gebabbel van ‘ja, maar met een infuus weet je zeker dat het goed gaat…’ Hou toch op.”

Ik heb het nagezocht. Op pagina 79 van Voltooid schrijft u over ‘een hele zwerm van angsten rond de uitvoering’ van euthanasie. Eén van de dingen waarvoor u bang bent, zo citeer ik u: ‘De patiënt drinkt het drankje en begint al na één slok onbedaarlijk te hoesten en te braken (is mij overkomen).”

KEIZER “Je hebt gelijk. Ook bij het drankje gaat het wel eens fout.”

BOER “Ik vermoed dat er een ander argument meeweegt, namelijk bij de gebruiker zelf. Hij wil deze ultieme daad niet alleen verrichten. De arts, jouw vertrouwenspersoon die je heeft geholpen bij je griepprikken en je bevalling, die moet jou nu ook helpen bij je sterven. In de Amerikaanse staat Oregon, waar alleen het drankje is toegestaan, is het aantal gevallen van hulp bij zelfdoding slechts vijf procent van onze euthanasiecijfers. Zou het niet zo zijn dat veel mensen in Nederland onder dergelijke wetgeving zeggen: dan maar liever niet?”

KEIZER “Dat is mijn verborgen agenda. Dat meen ik echt. Ik denk dat het aantal gevallen afneemt. Maar vind jij het zo verschrikkelijk dat mensen nu euthanasie krijgen die we twintig jaar geleden zouden weigeren?”

BOER “Ja, dat vind ik verschrikkelijk. Euthanasie, hoewel ik het mij kan voorstellen, moet een uitzondering zijn. Het doodmaken van iemand anders of jezelf blijft hoe dan ook een moreel problematische handeling.”

KEIZER “Die verruiming van de euthanasiepraktijk doet mij ook weleens op m’n kop krabben, hoor. Ik zit er wel een beetje mee.”

Meneer Keizer, nog even terug naar die column in Trouw. U zegt daarin: de geneeskunde heeft zijn grenzen, artsen gaan te ver met behandelen. Waar komt die drang bij medici vandaan?

KEIZER “Er zijn verschillende factoren. De eerste is de eigen doodsangst. De tweede: artsen die de smaak in ziekenhuizen bepalen, zijn veertigers. Ze hebben zelf schoolgaande kinderen, staan middenin het leven, vinden dat ook de moeite waard en achten daarom de dood een verkeerde afloop van een ziekbed, omdat ze er helemaal niet voor in de stemming zijn. En de derde factor is de verslaving aan diagnostiek. Het ziekenhuis is een diagnosefabriek: energie, tijd noch genialiteit worden gespaard om uit te zoeken ‘wat het is’. Maar die andere belangrijke vraag – wat betekent het voor jou om ‘het’ te hebben? – die komt niet aan de orde.”

Nee, liet u eerder in een interview met de Volkskrant weten, dat ‘kun je beneden in de kelder uitzoeken, in een klein kuthokje dat ze eufemistisch ‘stiltecentrum’ hebben genoemd.’

KEIZER “En de dokter volgt je niet naar dat hokje.”

‘Als je mooi wilt sterven, moet je eerst weg zien te komen uit het ziekenhuis’, zei u in datzelfde interview.

KEIZER “Aan het feit dat er in ziekenhuizen slecht gestorven wordt, hebben we de hospicebeweging te danken. Specialisten behandelen hun patiënten jaar in, jaar uit. Op een gegeven moment lukt het niet meer, en dan zegt de cardioloog: u bent uitbehandeld. En hij werpt het pakketje in de schoot van de huisarts. Nee, is dan mijn antwoord, halverwege de crematie is de patiënt uitbehandeld, maar niet zolang hij leeft. Specialisten ervaren hun eigen houding niet als een schandaal, wat het naar mijn idee wel is.”

BOER “Dat wil ik bijvallen en nuanceren. Ik ben het met je eens dat er in onze ziekenhuizen te lang wordt doorbehandeld en slecht wordt gestorven; dat is misschien wel een van de redenen waarom in Nederland relatief vaak naar euthanasie wordt gegrepen. Tegelijk lijkt het mij in het belang van patiënten dat ze worden behandeld door chirurgen en oncologen met de hoogste medische ambities. Natuurlijk zolang medici maar op tijd aangeven: ik kan u niet tot de dood begeleiden. Ze moeten op een gegeven moment hun patiënt in vrede kunnen laten gaan. Laatst las ik een brief van een chirurg, die schreef: ‘Ik laat deze patiënt nu gaan en heb haar verteld dat haar niks meer rest dan pijn, pijn, pijn. Hoogachtend.’ De huisarts mocht de euthanasie inkoppen. Een goede overdracht van ziekenhuis naar stervensbegeleider, zoals in dit voorbeeld, zou ik zeer toejuichen.

Ik heb me verdiept in wat kerkvaders ons te zeggen hebben over moderne medisch-ethische vragen. Augustinus zegt ergens dat hij zich goed kan voorstellen dat iemand dood wil, bijvoorbeeld als hij vervolgd wordt en daarmee zijn integriteit verliest, maar ook als hij, door pijn gedreven, rare dingen gaat doen. Maar, zegt hij dan: de dood moet van elders komen. In lijn daarmee zou ik willen pleiten voor een harmonischer relatie met onze biologie, anders dan nu het geval is, waarbij we de biologie van begin tot eind manipuleren. Op het moment dat ik in coma raak, mag je gerust stoppen met behandelen. Dan is mijn tijd gekomen.” 

In het Nederlands Dagblad schreef u recent dat de dood te snel als oplossing voor alle problemen wordt aangedragen. U zegt: ‘Ik acht inmiddels bewezen dat legalisering van euthanasie onze samenleving diepgaand heeft veranderd – we leggen minder nadruk op volhouden, met lijden omgaan, elkaar erdoorheen slepen, hoop houden.’

BOER “Gekscherend zeg ik weleens: ik ben kalend en de ultieme oplossing tegen kaalheid is de guillotine. Dan ben je van het hele probleem af. Waar ik me aan stoor, is dat zo’n beetje alle mediaproducties rondom euthanasie zich bedienen van woorden als ‘humaan’ en ‘dapper’. De Stentor ruimde begin dit jaar acht pagina’s in om de casus van de 29-jarige Aurelia Brouwers te beschrijven. Ook voor de religieuze lezers was gezorgd: God vond euthanasie prima. We moeten serieus rekenen met het Werther-effect: de dood van de een roept die van de ander op, en we gaan het gewoon vinden. Het lijkt me verschrikkelijk als een van de kinderen straks tegen mij, oud en de dagen zat, zegt: maar pap, er is toch een oplossing! Zet dan alsjeblieft Bach en Mozart op, en sleep me erdoorheen.”

Meneer Keizer, hoe heilig is het leven voor u?

KEIZER “Ik heb niks met die term.”

Gebruikt u uw eigen idioom.

KEIZER (na lang nadenken) “Kijk, het verschil tussen een auto naar de sloperij brengen en een mens begraven, dat is voor mij geen lood om oud ijzer. Maar heilig, nee, daar heb ik niks mee.”

BOER “Rechtsfilosoof Ronald Dworkin, zelf niet religieus, beschrijft in zijn boek Life’s Dominion twee redenen om het leven te achten. Eén: een uit mijn autonomie voortkomende wens om te leven. Twee: Een uit het leven voortkomend appèl op mij. Ik denk dat jij, Bert, niet wilt zeggen dat je als niet-religieus het mysterie van het leven in de vingers hebt. Toch?”

KEIZER “Wij begrijpen niet zoveel van onszelf. Hoe slimmer we geworden zijn in termen van zelfanalyse, hoe minder we voorstellen. Het idee dat we als mens unieke wezens zijn, is geslonken, het is wat provinciaals geworden. Ik ben over deze kwestie in verlegenheid.”

Theo Boer (1960) is theoloog en ethicus. Hij is universitair docent ethiek bij de PThU en Lindeboom-hoogleraar Ethiek van de Zorg aan de Theologische Universiteit in Kampen. Hij was jarenlang lid van een Regionale Toetsingscommissie voor Euthanasie.

Bert Keizer (1947) is arts, filosoof en schrijver. Hij werkte ruim dertig jaar als arts in een verpleeghuis. Sinds 2016 werkt hij voor de Levenseindekliniek, waar hij zich bezighoudt met euthanasieverzoeken van ouderen met complexe gezondheidsproblemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *