Geloof en geloofsbeleving kunnen je vermoeien. Fotograaf Samuël Otte raakte het geloof kwijt, terwijl hij er toch ‘vol voor ging’. Hij kon het niet meer opbrengen om steeds naar binnen te staren, om te zien of hij wel gevuld was met de Geest.

tekst en foto Tjerk de Reus

De titel die Samuel Otte (1980) koos voor zijn fotoboek, klinkt onheilspellend: De val. Er is iets verloren geraakt, tussen de vingers door geglipt, Otte is iets kwijt dat ertoe doet. Dat ‘iets’ is het geloof. Samuël Otte groeide op in het hart van de reformatorische wereld, groeide op als gelovige jongen, die geboeid keek naar de grote wandplaat van de brede en de smalle weg. Als twintiger bracht hij een aantal jaren door in een evangelische gemeente, waar hij als volwassene werd gedoopt. Hij bloeide daar op, ontving veel boodschappen van de Geest en leidde anderen overtuigd tot God. Maar op zijn dertigste werd het hem teveel. Vermoeidheid overviel hem, zijn enthousiasme doofde. “Het was gewoon op,’ zegt Otte nu, vijf jaar na zijn ‘val’.

Het afstudeerproject van Otte, waarvan het fotoboek het resultaat is, heeft indruk gemaakt onder vakfotografen. Zijn project is een van de vijf nominaties voor het zogenoemde Steenbergen Stipendium 2016: de prijs voor het beste fotografisch afstudeerwerk. Tot eind oktober is de bijbehorende expositie van de vijf afstudeerprojecten te zien in het Nederlands Fotomuseum te Rotterdam en in de tentoonstelling ‘Belief on the move’ in Utrecht, bij Fotodok.

‘Als het geestelijke besef even weg was, voelde ik me slecht, vies, richtingloos en zonder echte identiteit.’

Het boek van Otte bevat foto’s en tekst. Hij brengt het reformatorische bevindelijke geloof in beeld, met foto’s van studeerkamers van dominees, van de Gorinchemse familiedagen, van moderne kerkgebouwen van de bevindelijk gereformeerden, en van zijn overgrootvader ds. G.H. Kersten, grondlegger van de Gereformeerden Gemeenten. Door alles heen weeft hij het verhaal van zijn verhouding met zijn vader.

Waarom heeft de afbeelding van de brede en de smalle weg zo’n belangrijke plek in je boek en in de expositie?

“Het is een icoon van de bevindelijk gereformeerden, misschien we dé icoon. Je komt hem overal tegen. Als fotograaf voor De Gezinsgids zie ik hem hangen in kerkzaaltjes, bij dominees op hun studeerkamer, bij mensen in de huiskamer. Er zijn in de refowereld maar weinig beelden met zo’n lading. Het was daarom een mooi uitgangspunt. Bij ons thuis hing de plaat niet, maar wel bij mijn opa en oma, die naast ons woonden. Ik kon daar goed naar kijken, ik vond het als kind al een heel romantische plaat. Interessant hoe die smalle weg zich naar de hemel slingerde, bergop. Op de brede weg zag je drankgelagen, uitspattingen, de kermis.”

Paste deze plaat bij het geloof dat oma en opa uitdroegen?

“Ja, zeker. Ik zag hen bij wijze van spreken ook staan, daar op die smalle weg. En ik vond dat heel fijn, want op die brede weg moest je niet zijn. Mijn opa en oma waren diepgelovige mensen, die ook groepen gelovigen bij hen thuis ontvingen. Gezelschappen, noemen ze dergelijke bijeenkomsten. Dat verbaasde mij als kind wel: allemaal pikzwarte mensen kwamen dan op bezoek, ze zongen superlangzaam en uit volle borst. Dat hoorden wij in ons huis dan overal doorklinken. Nee, ik ben er nooit bij geweest. Eigenlijk weet ik ook niet waar ze over praatten. Ongetwijfeld over geestelijke zaken en over ervaringen van God. Misschien ging het over stichtelijke boeken die ze gelezen hadden.”

‘Ik bleef uitkijken naar meer, maar hoe ik me ook uitstrekte of inspande of leegmaakte, de vervulling bleef uit.’

Vertelden ze niet over wat ‘de Here aan hun ziel gedaan’ had?

“Nee, niet aan mij in elk geval. Natuurlijk ging het in de kerk vaak wel over geestelijke ervaringen die je als ‘waar gelovige’ hebt, maar van mijn opa en oma en van mijn ouders hoorde ik daar weinig persoonlijks over. Ik vroeg er ook niet naar. Ik vond het eng en geheimzinnig, ik durfde dat gewoon niet. We luisterden soms wel stiekem aan de deur. Heel mysterieus, dat luide langzame zingen. Maar van de gesprekken kon je niks verstaan. Mijn ouders waren zelf ook niet zo erg open over hun geloof, terwijl zij eigenlijk al een stuk ruimer dachten dan de generatie voor hen. Mijn vader was directeur van bekende reformatorische uitgeverij De Banier. Hij leidde een soort dubbelleven. Als uitgever was hij een betrouwbare refo, zijn klanten hadden veel respect voor hem. Maar met een oom ging hij van tijd tot tijd naar een evangelische kerk in Lelystad. Ik ben met die dubbelheid groot geworden. Naar buiten toe hield je rekening met de mensen die op de uitgeverij kwamen, voor jezelf kon je wat ruimdenkender zijn.”

Nog even terug naar plaat van de twee wegen: jij wilde als kind, als tiener en ook als twintiger dolgraag het ‘smalle pad’ bewandelen.

“Zeker, ja! Als kind zei mij dat wel iets, in je eentje op pad, dat vond ik heel aantrekkelijk. Je maakt dan een andere keus dan de massa, dat is al een soort uitverkiezing. Ik voelde mij wel een buitenstaander en alleen reizen op de smalle weg, dat past daar goed bij. Ik was zeker ook een vrome jongen als tiener, dat bleef ik tot mijn achtentwintigste. Ik deed na de middelbare school de opleiding pastoraal werk aan de Christelijke Hogeschool Ede. Daarna ging ik verder met theologie aan de Vrije Universiteit, maar toen was ik al in een schakeltijd beland. Ik had dus gekozen voor het hoogst haalbare, voor een toekomst in het geestelijke werk. Dit was in zekere zin een keuze voor de smalle weg, ja. Dat voelde goed, het was helemaal niet somber of krampachtig. Je wist waar het uit uitliep: bovenop de berg, waar alles licht is. Met de plaat van de twee wegen interpreteerde ik dus mijn eigen leven. Ook nadat ik lid was geworden van een Vineyardgemeente in Utrecht veranderde dit beeld eigenlijk niet. Ik ging vol voor God! Ik besteedde veel tijd aan Bijbelstudie en gebed, ik wilde Hem volgen met alles wat in mij was. Als ik in de zondagse samenkomst mijn handen ophief tijdens de lofprijzing, ervoer ik contact met een hogere, heerlijke werkelijkheid.”

Toch raakte je ervan los, hoe intensief je het ook beleefde. Of kwam het juist door die intensiteit?

“Het was op. Tamelijk plotseling, eigenlijk. Het is complex om te begrijpen wat er precies gebeurde. Mar een aspect van de omslag die ik meemaakte, had te maken met mijn vriendin toentertijd. Ik zou met haar gaan trouwen. Ik meende ook dat God mij voor haar had bestemd. Maar ik voelde dat het niet oké was, dat ik eigenlijk niet wilde. Ik beste dat en ik smeekte God om leiding. Ik wist: liefde overwint alles! Ik kies voor de weg die God voor mij uitstippelt. Dus gewoon gáán! Zo was mijn geloof. Als je gehoorzaamt, komt het met je gevoel ook wel goed, later. Een sterk geloof straalt overal door. Als ik twijfelde, verweet ik mijzelf dat. Twijfel is een bron van narigheid. Maar er sloeg een soort vermoeidheid toe, ik kon het niet meer opbrengen. Er kwam een dag dat ik tegen God zei: ‘Misschien hebt U grootste plannen met mij en deze vrouw, maar ik heb er geen zin in. Ik wil het gewoon niet.’ Vrij kort daarna merkte ik dat er een schakel in mij was omgegaan. Kerkdiensten deden mij minder, en ik trok de conclusie dat ‘mijn hart zich verhardde’. Ik zag de film Million Dollar Baby, over een meisje van dertig dat bokser wilde worden. Iedereen raadde het haar af, maar ze koos voor haar passie. Ik besloot toen: ik stop met de studie theologie, ik ga naar de kunstacademie.”

Wat maakte je zo vermoeid, dat je ‘op’ raakte?

“Misschien heeft het te maken met een omslag als je dertig bent. Ik wilde niet meer zo introspectief leven: voortdurend naar binnen kijken, in mijn zielenleven. Ik was steeds bezig om mijn emoties op een rij te zetten, en te kijken of ik wel voldoende was gericht op God en op de vervulling met de Geest. Daar was ik sterk mee bezig – maar het gaf níet waarop ik hoopte! Het einddoel blijft steeds heel ver weg. Ik besefte: ik ben nu dertig, ik heb me heel hard overgegeven, met alles wat in mij is heb ik mij aan God gegeven – maar het kon zo niet verder. Ik bleef hopen en uitkijken naar ‘meer’, maar hoe ik me ook uitstrekte of inspande of leegmaakte voor de Geest of stierf aan mijn eigen begeertes – de vervulling bleef uit. Dat brak mij op.”

Wat was je eerste ervaring op de ‘brede weg’?

“Dat heel veel gewoon bleef bestaan. Veel van wat ik eerst koppelde aan God ging gewoon mee; alles wat goed en mooi is, alles wat me drijft en inspireert om iets goeds en moois te maken. Ik trof mezelf dus niet in een kwellende leegte aan, wanhopig zoekend naar zin en betekenis. Nee, het was juist andersom. Als gelovige had ik steeds een kwellend geweten boven me. Het was voortdurend de vraag: is het goed met mij, met mijn geloofsleven? Als mijn gebedsleven intensief was, wist ik dat mijn geestelijk leven op orde was. Maar als dat minder was, als bidden en Bijbellezen eventjes terugliep, ging ik de leegte voelen. En kwam het zelfverwijt. Dan moest ik weer terug naar toewijding, geloof, concentratie op God. Maar toen het geloof uit mijn leven verdween, verdween deze vermoeiende dubbelheid.”

Met dubbelheid bedoel je: het is nooit goed genoeg?

“Klopt, dat zit er de hele tijd in. God is buiten jou, je bent een leeg omhulsel. Je moet met dat geestelijke leven in contact blijven, je moet gevuld worden. Maar als het geestelijke besef even weg is, voel je je slecht, vies, richtingloos en zonder echte identiteit. Dan slaat de geestelijke honger weer toe. Maar het vermoeiende is, dat die vervulling er nooit echt komt. Het is nooit genoeg. Altijd moet je je weer uitstrekken naar méér. Dus de honger blijft en voortdurend graaf je in je ziel. Je bent steeds dingen aan het oplossen. Toen ik dit alles losliet, keerde mijn blik naar buiten. Ik hoefde niet meer controle te houden over mijn gevoelsleven of geloofsbesef. Dat gaf veel ruimte: om energie uit mensen te halen en uit de wereld om me heen – zonder steeds te bedenken of ik wel in de goede verhouding tot God stond.”

Zijn er ook Bijbelse beelden die je meeneemt en die inspirerend voor jou blijven?

“Dat verhaal van Abraham die zijn zoon offert, dat spreekt mij nog altijd aan. Nu nog meer dan vroeger, denk ik. Ik vind het een bewonderenswaardige, rebelse daad van Abraham. Hij gaat tégen de belofte van God in, dat hij een groot nageslacht zou hebben. Het offeren van zoon stond natuurlijk haaks op datgene wat hij altijd geloofd had. Zelf heb ik, in deze lijn, wel gedacht: mijn loslaten van geloof is ook een stap in geloof. Aan geloof en geloofservaring hing ik zo vast, dat was een ding op zich geworden. Een soort afgod, ja. Dan is het heel eng om het geloof los te laten. Daarin herken ik Abraham: het was voor hem een daad van geloof om tégen de belofte van God in te gaan, tegen de God dus zoals hij die kende. Abraham offert ook zijn eigen geloof op. Dat hij die sprong maakt, vind ik heel aansprekend.”

Samuël Otte: De val, uitgave in eigen beheer, € 30,00

 

2 thoughts on “‘Mijn geloof was een afgod geworden’

  1. Mooi interview! Ik lees alleen veel over hoe Samuel zijn geloof beleefde, maar minder over God zelf. Ik ben wel erg benieuwd of God voor Samuel nu (niet) veranderd, weg is of er nog steed is of toe doet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *