Op 28 januari overleed predikant Nico ter Linden. Ruim een jaar geleden interviewde Wilfred Hermans hem voor De Nieuwe Koers in de rubriek ‘Levensdagen’. “Op mijn rouwkaart”, zei hij toen, “mag deze tekst: ‘Gij hebt mij gemaeckt en moogt mij weer ontmaecken’.”

Dag 1: De dag van vandaag.
“Er was onlangs een dame bij me. Ze doet dit jaar de oudejaarsconference. ‘Als het donker wordt, mag ik dan bij jou’, hoe heet ze nou? Dominee wordt oud. De Breij, Claudia de Breij! Ik was een van de tien mensen die zij wilde raadplegen over het ouder worden. Voorin haar boekje dat ze mij gaf, schreef ze: Voor Nico, omdat hij zorgt dat ik kan geloven. Ofwel: bij Ter Linden doe ik ook nog mee. Leuk, hè? Zo krijg ik veel brieven van mensen die schrijven: ‘U helpt mij met geloven, zo kan ik er weer tegen’. Verheldering van de Heilige Schrift draagt bij aan bestaansverheldering. Ik vind het dood- en doodzonde als mensen afhaken omdat Jezus over H2O gewandeld zou hebben. Ik kan hen zó uitleggen dat we de Heilige Schrift zo niet hoeven te lezen, dat vind ik enig om te doen.
Ik krijg ook veel boze brieven. Laatst nog een hele venijnige. Of ik ondanks al het bestuderen van de Heilige Schrift nog steeds niet begreep… – en dan komt er een heel conventioneel Jezusbeeld uit en krijg ik op mijn donder. Maar na vijfentwintig jaar columns schrijven in Trouw heb ik twee dingen geleerd: anonieme brieven lees ik niet, en brieven zonder vraag erin beantwoord ik niet. De rest beantwoord ik wel, want de vervuiler betaalt. Als de kerk malle dingen geleerd heeft, en ik ga daar niet meer in mee en maak daardoor mensen onzeker of verdrietig, dan moet ik daar mijn verantwoordelijkheid voor nemen.
Een jaar geleden ben ik geopereerd, er openbaarden zich enige ongerechtigheden aan de lever. De arts vond dat ik er zo nuchter over praatte, maar ik ben jarenlang predikant in een longkliniek geweest voor talloze mensen die bang waren te sterven. Dan ben je geen knip voor de neus waard als je zelf niet eens bedenkt hoe het is om in dat bed te liggen. Ik herinner me dat ik altijd, als ik weer buiten liep, bewust heel diep ademhaalde. Er komt vast een dag dat ik benauwd zal zijn; nu niet, dus geniet ervan! Maar vanwege die kwaal verwacht ik niet 99 te worden, zoals mijn vader. Toch leef ik niet driftig, alsof ik kort voor sluitingstijd zit. En na mijn laatste boekje ‘En dan nog dit’ is er ook geen boek meer dat zich aandient. Ik ben er ook huiverig voor een boek te veel te schrijven.”

Nico ter Linden, beeld Albert Jan ten Napel

Dag 2: De dag dat ik over de snelweg naar Oene fietste.
“Mijn beide grootvaders waren hervormd predikant. Grootvader Ter Linden noemde zichzelf ‘confessioneel met ethische staart’. Ik had een onbezorgde jeugd. Mijn ouders trouwden in de crisisjaren, dus ze leefden zuinig. Mijn vader werkte bij de Raad voor de Predikantstraktementen en mijn moeder was vertaalster. In 1940, ik was vier, verhuisden ze van Amersfoort naar het Statenkwartier in Den Haag. In de oorlog moesten we evacueren en een eind verderop gaan wonen. Daar zaten we met z’n vijven in twee kleine kamertjes. Ik had met wat vriendjes een bende opgericht. Als de geallieerden landden op Scheveningen, zouden wij de Duitsers met onze houten zwaarden in de rug aanvallen. We oefenden ook, eendracht maakt macht.
’s Nachts vlogen de raketten over die de Duitsers naar Londen schoten. Laatst hoorde ik iemand op tv uitleggen wat voor raketten die V2’s waren. Toen hoorde ik ze weer; goh, wat een rrrotdingen waren dat. Als het geluid ophield, wist je dat ze zouden neerkomen. Dat gebeurde nogal eens te vroeg, omdat die raketten nog niet zo goed waren. Ik bad altijd dat ze niet op ons huis zouden vallen, en daarna dat ze ook niet in Londen zouden vallen, maar in zee – als het even kon op een Duits schip.
In de hongerwinter aten we op de kachel gepofte bloembollen. Om te overleven mocht ik die winter als jochie van zeven op mijn kleine fietsje achter een kennis aan naar Oene, bij Epe. Wij kenden er een boer en boerin die hadden gehoord dat we honger leden. Het was mijn eer te na om het touwtje tussen mij en die man strak te laten zijn, ik wilde me niet laten slepen, dus ik heb zelf gefietst. We deden er drie dagen over en fietsten over de snelweg, want er was geen verkeer. Als er Duitse legerauto’s langskwamen, moesten we aan de kant. Onderweg zagen we een meneer langs de weg half onder een kleed liggen. ‘Ja, die meneer is dood.’ In Oene heb ik tot het eind van de oorlog gewoond.”

Dat Jezus zegt dat er in de hemel niet getrouwd wordt, vind ik prachtig. Hij zegt daarmee: houd toch op met denken in de voor ons bekende categorieën.

Dag 3: De dag dat ik examen deed op de middelbare school.
“De scherpe kanten zijn er inmiddels wel vanaf, want ik ben bijna tachtig, maar ik heb negen jaar over het gymnasium gedaan, op het Vrijzinnig-Christelijk Lyceum in Den Haag. Ik hoorde daar in het rechter rijtje, om het in voetbaltermen te zeggen, ik moest steeds vechten tegen degradatie. Toch had ik geen nare schooltijd: ik heb van harte gevoetbald, voor de schoolkrant gewerkt en heerlijk toneel gespeeld. En veel gespijbeld. Als ik het niet zag zitten om een repetitie te maken, smeerde ik ‘m. Dat ik het toch gered heb, komt op rekening van mijn rector Geert Kazemier. Die man bleef in mij geloven. Toen ik hem veel later in een radioprogramma vroeg waarom hij in mij was blijven geloven, ondanks die negen jaar gymnasium, zei hij: ‘Ik had je cabaret zien doen.’ Ik was een pubertje met pukkels, maar hij zag iets in me. Ontroerend. Als ik later in het pastoraat met niet deugende pubers te maken had, zei ik vaak tegen mezelf: probeer te kijken als Kaas. Na de middelbare school heb ik nog heel lang nare dromen gehad. Ik moest examen doen, en de hoogleraar zei: ‘Wat komt u doen? U mag niet eens examen doen’. Dus het zat diep.
Op mijn dertiende, veertiende jaar heb ik het geloof tijdelijk losgelaten. Ik stelde mezelf geen religieuze vragen en leefde van proefwerk naar proefwerk, van voetbalwedstrijd naar voetbalwedstrijd. Dat botste wel met mijn ouders, ja. Soms koos mijn vader een kerkdienst uit waarvan ‘ie dacht dat het wel iets voor mij zou zijn. Dan gingen we samen naar dominee Piet Lugtigheid. Een mooie standwerker van Onze Lieve Heer, een oude zeeman. Dat kon ik tenminste volgen. En soms luisterde ik naar dominee H.A. Visser bij de IKON, ‘De jonge kerk hoort het oude woord’. Die dominee preekte eigentijds. Ik heb hem in de Wester opgevolgd.”

Dag 4: De dag dat ik mijn geloof hervond.
“Toen ik in militaire dienst zat, kwam alles wat mij qua geloof was aangedragen weer boven. Ik was de enige die las, ze noemden me ‘de professor’. In die tijd kreeg ik de behoefte om eens rustig met iemand te praten. De legerpredikant – ‘de kletsmajoor’ – leek me een aardige vent, dus met hem heb ik stevig doorgepraat. Ik weet niet meer waarover, maar het leidde wel tot bestaansverheldering. Toen ik werd overgeplaatst, werkte daar een legerpredikant die er he-le-maal niks van bakte. Ik dacht: je zult maar zo’n mooi vak hebben, en er dan zo met de pet naar gooien. Dat wilde ik beter doen. Eigenlijk heb ik door die ervaring gekozen voor het vak van zielzorger, niet primair voor de theologie. Het vak koos mij, zeg ik weleens.
Met welke boodschap ik mensen troost? Ik troost mensen niet met boodschappen. Dat is een hardnekkige vraag die elke keer bij u terugkomt, hoe ik mensen troost. Ja, ik ben een pastor, maar niet één die troost uit voorraad leverbaar heeft. Ik bleef in elk geval heel dicht bij mensen, als het kon op diepteniveau. U hebt het idee dat er in mijn theologie geen bodem is? Die is er ook niet. Ik kan geen bodem verzinnen die er niet is. Iemand kan zelf een bodem maken, en ik kan daarbij helpen.”

Je moet een mens niet zozeer aanzien op zijn doen en laten, maar op zijn lijden. Dan verandert de hele relatie.

Dag 5: De dag dat ik gevangenispredikant werd.
“Toen ik een tijdje dominee was in Stompetoren vroeg de gevangenisdirecteur van Alkmaar of ik twee dagen per week in zijn gevangenis wilde werken. Ik wist op dat moment überhaupt niet hoe pastoraat werkte, en nog steeds leren ze dat niet goed op de opleidingen. Zelfs mijn voorganger in de gevangenis werkte me niet in. Hij zei alleen: ‘Pas ervoor op om God ‘vader’ te noemen’. In een mum van tijd ontdekte ik dat dit onzin was, want die jongens wisten heus wel hoe een vader hoort te zijn.
Een gedetineerde wilde mij meteen spreken. Ik bedacht me vooraf dat ik zijn dossier niet wilde kennen. Ik wilde die vent ontmoeten, los van zijn delict. Mens ontmoet mens, twee kinderen Gods in één hok. Na een tijdje vertelde die jongen dat ‘ie iemand gewurgd had. Hij keek naar zijn handen en zei: ‘Ik moet nog lachen als ik eraan denk’. Daar heb ik later krachtig over moeten nadenken: wat betekent dit? Welke interventie past hier? Hoe ga je met gestoorde mensen om? Ik had kunnen zeggen: ‘Dat is anders helemaal niet om te lachen!’, maar dan oordeel je. Aan je water voel je dat je dat niet moet doen. Ik weet niet meer wat ik toen heb gezegd, een slechte interventie was het in elk geval. Toen ben ik gaan studeren bij de katholieke professor Berger, godsdienstpsycholoog te Nijmegen. Een openbaring! Ik heb er leren luisteren en in mijn eigen ziel leren kijken. In het pastoraat geldt wat ik van Bonhoeffer heb geleerd: wie een mens veracht, zal nooit iets met hem kunnen beginnen. En: je moet een mens niet zozeer aanzien op zijn doen en laten, maar op zijn lijden. Dan verandert de hele relatie.
In mijn pastoraat heb ik héél vaak gedacht: misschien had een echt kundige vent je kunnen helpen. Niet dat gebrekkige van mij. Dat stemt tot bescheidenheid. Ik deed wat ik kon, maar ik wens weleens ik dat ik meer had gekund.
Soms hoor ik een pastor zeggen over wat het belangrijkste is van zijn vak: ‘Er zijn voor een ander’. Dan word ik razend. Als wie, als wat, waarom?! Je moet een hart voor mensen hebben, én op z’n minst heel goed geïnformeerd zijn. Als een gedetineerde tegen mij begint te lachen als hij vertelt dat ‘ie iemand heeft gewurgd, kan ik beginnen te veronderstellen dat die man zich mogelijk doodschaamt. Hij is aan het biechten. Voetbal kijken is wat dat betreft leerzaam. Ik zie weleens iemand na het missen van een geweldige kans z’n shirt over z’n hoofd doen, of lachen. Een verslaggever die dan zegt ‘En nog lachen ook!’ snapt er niks van.”

Ik hoorde laatst op tv: ‘De koningin is katholiek opgevoed, de koning is hervormd’. Dan denk ik: zo mag ik het horen.

Dag 6: De dag dat ik besloot mijn preken anders te eindigen.
“Ik had geleerd om christocentrisch te preken: ‘God heeft het voor de Gekruisigde opgenomen en in Hem voor de wereld die Hem verwierp’, u kent die riedel. Eigenlijk een verplicht nummer. Toen kwam er – nota bene op de kansel – het moment dat op het eind van de preek die niet-doorleefde Jezuspassage naderde. Er was geen weg terug, maar op dat moment besloot ik: dit doe ik nooit meer. Sinds die ervaring eindig ik een preek liever met: ‘Het verhaal gaat dat God…’ Daarmee plaats ik mezelf onder het verhaal, ik kom van de preekstoel af. De camera staat dan beneden, niet boven. Als ik tegenwoordig een kerk bezoek, ga ik het liefst naar een kerk waar de camera niet boven staat, bijvoorbeeld de Doopsgezinde kerk aan het Singel, of naar Durgerdam, waar één van mijn leerlingen staat. Ik ben natuurlijk hervormd, ik houd van dat woord; het woord PKN krijg ik nauwelijks uit mijn mond… Ik hoorde laatst op tv: ‘De koningin is katholiek opgevoed, de koning is hervormd’. Dan denk ik: zo mag ik het horen.”

Dag 7: De dag die nog moet komen.
“Welke vraag ik aan God zou stellen, mócht ik Hem ontmoeten? Het bittere raadsel van de goede schepping. Niet van de zondeval, die zie ik niet historiserend natuurlijk, er is nooit leven geweest zonder bittere dood. De dood maakt het leven spannend, dat snap ik nog wel, maar dat een kindje van twee kanker krijgt, zal ik maar zeggen… Waar is dat voor nodig, nondedju? En dat sommige mensen zulke zware levens krijgen te leven. In de gevangenis verdiepte ik me in de levens van die jongens. Jan werd geboren tijdens een bombardement. Moeder was een hoer, vader onbekend. Ruzie met de onderwijzer, school niet afgemaakt, ruzie met de politie, ruzie met de rechter. En dat is dan de eerste alinea van zijn file! Die jongen mag ik wel ontzettend gaan liefhebben, denk je dan.
Ik weet nog niet of ik begraven of gecremeerd wordt, maar op de kaart mag deze tekst: ‘Want Gij hebt mij gemaeckt en moogt mij weer ontmaecken’, Breederode. Oud-Nederlands, prachtig. Verder vind ik ‘De Heer is mijn Herder’ een hele mooie. Dat basisvertrouwen. Die jongen uit de bajes – moeder hoer, vader onbekend – miste die basisveiligheid, en zonder die veiligheid kan een mens nauwelijks tot geloof komen.
Wat mij na dit leven te wachten staat? Ik zou het niet weten, en ik houd me er ook niet mee bezig. Fantaseren mag, als je maar weet dat het fantasie is. Als er een hiernamaals is, is het er totaliter aliter, volstrekt anders. We’ll see. Dat Jezus zegt dat er in de hemel niet getrouwd wordt, vind ik prachtig. Hij zegt daarmee: houd toch op met denken in de voor ons bekende categorieën. Ik vind de hemel een mooie gedachte, en nog niet eens zozeer voor mezelf. Er zijn anderen die zoveel geleden hebben, die je zó toe bidt dat ze nooit meer hoeven te lijden, het lijden te boven zijn gekomen. Ik hoop dat het niet al te altruïstisch overkomt, maar mij is al zoveel zegen ten deel gevallen. Ik kan best zonder, hoor.”

tekst Wilfred Hermans beeld Albert Jan ten Napel

Meer van De Nieuwe Koers? Lees het laatste nummer digitaal. Of sluit een (proef)abonnement af!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *