Nadat iemand een brandende Koran voor zijn deur legde, is Nabeel zijn leven in Pakistan niet meer zeker. Beschuldigd van blasfemie moest hij halsoverkop vluchten. Omdat het pijn doet, belt hij niet zo vaak met zijn familie, en nog minder met zijn vriendin. “Voor haar toekomst is het beter als ze me gaat haten.”

Nabeel* (25): “Ik probeer niet te vaak aan Pakistan te denken. Dat lukt door actief te blijven, mensen te helpen, of door te slapen. Maar ’s nachts lig ik vaak wakker, denkend aan thuis. Het is normaal dat je familie, vrienden en je vriendin mist, toch? Als ik bel met familie, vragen ze hoe het gaat, wat ik eet, welke plannen ik maak. Maar ik bel hen niet zo vaak, dat is te confronterend. Dan wil ik bij hen zijn. Als ik me niet goed voel, of ziek ben, vertel ik dat niet aan mijn moeder. Het zou haar aan het huilen maken. Andersom, als mijn familie moeilijkheden doormaakt, vertellen ze het mij ook niet. Dat hoor ik later, van vrienden.”

Gepest op het werk
“Soms kijk ik foto’s terug van mijn leven in Pakistan. De natuur is prachtig, met bergen en woestijnen. Ik had er een mooi leven: ik kon doen wat ik leuk vond, had een fijne familie, een mooie baan, vrienden – ook moslimvrienden – en een lieve vriendin. Alles ging goed. Tegelijkertijd was het leven in Pakistan, zeker in de grote steden, vaak onrustig. Ik begon de dagelijkse gevechten normaal te vinden, maar sinds ik veertien maanden in Nederland ben, heb ik nog nooit twee mannen zien vechten. Ik begrijp nu pas dat het helemaal niet normaal is als er dagelijks op straat wordt gevochten.

Op de middelbare school was ik de enige christen in mijn klas. Op een dag mocht ik de toetsen van klasgenoten nakijken, omdat de leraar tevreden over mij was en het zelf druk had. Een klasgenoot met een stevig postuur die meende dat het cijfer dat ik hem gaf te laag was, sloeg me in elkaar en zei: ‘Je hebt gewoon een hekel aan me omdat je christen bent!’

Na mijn opleiding werkte ik als communicatietechneut, ik verzorgde satellietverbindingen voor een nieuwsstation. Ik woonde vlakbij ons kantoor, dus ik werd door mijn baas – een moslim – vaak gebeld als er een spoedgeval was. Dat kwam vaak voor, een paar keer per week was er wel een bomaanslag ergens in de regio. Op kantoor was ik net als in mijn klas de enige christen, maar daar had mijn baas geen moeite mee, in tegenstelling tot degene die mijn salaris moest uitbetalen. Die persoon heeft me acht maanden niet betaald omdat ik christen was, totdat ik het mijn baas vertelde, die boos op hem werd.

Later werd ik steeds vaker gepest omdat ik christen ben. Tijdens live-uitzendingen saboteerden ze de satellietverbinding. Die viel onder mijn verantwoordelijkheid, waardoor ik aan allerlei partijen moest uitleggen waarom het beeld opeens op zwart stond. Gelukkig had ik het vertrouwen van mijn baas, dus ik ben nooit ontslagen.”

Lees dit nummer digitaal. Of sluit een (proef)abonnement af. 

 

Brandende Koran
“Uiteindelijk moest ik Pakistan uitvluchten vanwege een vooropgezet plan van een collega met wie ik als kind bevriend was. Hij woonde bij mij in de wijk. Op een avond – ik was alleen thuis – ging de deurbel, maar er stond niemand voor de deur. Op de grond zag ik een brandend boek liggen. Ik wilde het boek redden, maar op dat moment duwde die collega met twee vrienden mij naar binnen. ‘Je verbrandt de Koran, ik zag het!’, schreeuwden ze. ‘Dit is blasfemie, je moet mee naar de moskee’. Zulke verhalen had ik tijdens mijn werk al vaker gehoord; mensen die van blasfemie werden beticht, werden soms terplekke vermoord. Daarvoor is maar één brandende koranpagina nodig. Nu overkwam het mijzelf, al wist ik op dat moment niet dat het de Koran was. Ik dacht koortsachtig na. Ze zouden mij kunnen vermoorden en zelf vrijuit gaan. M’n collega gaf mij drie opties: per direct de islam accepteren, meekomen naar de moskee of hen de politie laten bellen. Alle drie waren natuurlijk geen optie; ik zou mezelf nooit vergeven als ik terplekke een knieval had gemaakt voor de islam. Ik zei: ‘We waren al vrienden toen we nog kinderen waren. Geef me nog één nacht met mijn familie, dan zal ik morgen de islam accepteren’. Zijn vrienden geloofden me niet, maar hijzelf ging akkoord, de volgende dag zouden we elkaar zien bij de moskee. ‘Als je niet komt, vermoord ik je familie’, zei hij nog. Omdat hij mij en mijn familie zo goed kende, had ‘ie nooit verwacht dat ik mijn werk en familie zou opgeven, maar ik deed het toch. Ik dook twee maanden onder bij een moslimvriend. Die periode leek jaren te duren. Elke dag dacht ik: misschien is dit mijn laatste dag. Mijn familie moest ook verhuizen, uit angst om gevonden en gemarteld te worden.”

Beslissend moment
“Het was moeilijk om als christen het land uit te komen. Ik hoorde van een dominee dat er een katholieke conferentie in Polen was waar alleen christenen zich voor zouden kunnen opgeven. Ruim tienduizend Pakistaanse christenen schreven zich in. Het lukte slechts een paar honderd mensen om een visum te krijgen omdat er veel moslims op de ambassade werken die niet wilden dat zoveel christenen het land zouden verlaten. Toen ik in een lange wachtrij stond, werd de één na de ander vóór mij afgewezen. Ik dacht: dit is het, mijn toekomst hangt van dit moment af. Ik zei tegen God: als U mij nu helpt, zal ik daarna mijn leven in Uw dienst stellen. Toen ik aan de beurt was, zei de ambassademedewerker: ‘Pak je spullen, je hebt één dag om het land te verlaten’. Ik was totaal overweldigd! Toen ik het gebouw uitliep, huilde ik en riep keihard: ‘Halleluja!’ Zo ben ik normaal helemaal niet. Iedereen keek me verbaasd aan: wat is er met die jongen? Mijn belofte aan God wil ik graag concreet maken: ik had al een stuk land gekocht om een huis te bouwen. Het is een prachtig gebied waar ook veel politici wonen. Dat huis was mijn droom, maar nu droom ik ervan om op die plek een kerk te bouwen. Als het mij niet lukt dit zelf te doen omdat ik niet terug kan, dan zorg ik wel dat anderen het doen.

God hielp me bij de ambassade, maar nog veel vaker. In Nederland kende ik niemand, maar tot op de dag van vandaag heb ik elke dag te eten, en ik heb geen nacht op straat hoeven slapen. Ik geloof dat dit van God komt; steeds als ik Hem iets vraag, geeft Hij het. Nu ik een vluchteling ben, geef ik God niet de schuld. In de Bijbel komen zulke verhalen ook voor. Job werd alles afgenomen, maar hij zei: ‘God geeft en God neemt, geprezen zij de Heer’. Hij bleef op God vertrouwen en kreeg op het eind alles terug – zelfs meer dan dat. Soms denk ik: misschien is dit ook hoe het bij mij gaat.”

Anderen tot zegen zijn
“Toen ik net in Nederland was, kwam ik in een asielzoekerscentrum terecht. Dat was vreselijk. Ik lag nachten wakker, denkend aan alle gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Er waren veel moslims en een christen in mijn azc is in elkaar geslagen. Maar inmiddels heb ik veel redenen om met een glimlach door het leven te gaan. Ik heb veel mensen leren kennen, sommigen zie ik inmiddels zelfs als familie. En het is heerlijk om in alle vrijheid mijn geloof te beleven. Ik ben naar Opwekking en New Wine geweest; zo’n festival met duizenden christenen bij elkaar is in Pakistan ondenkbaar. Op New Wine bad ik tijdens een dienst tot God: ‘U hebt me zo goed geholpen, nu wil ik graag anderen tot een zegen zijn, wilt U me helpen? Ik heb Uw zegen nodig.’ Toen ik ‘Amen’ zei, liep de spreker het podium af, rechtstreeks naar mij toe. Hij zei: ‘Kan ik voor je bidden?’ Hij vroeg wat mijn naam was en zei: ‘Je vroeg om Gods zegen om anderen te helpen. Geloof maar dat Hij het je geeft. Blijf sterk, God zegene je!’ Ik was helemaal verbaasd, want ik had niet hardop gebeden – hoe kon hij dit dan weten? Dat moment heeft me veel kracht gegeven.

Op een ander moment mocht ik bij een jeugdvereniging vijf minuten iets over mijn leven vertellen; de mensen bij wie ik woon, hadden me daar geïntroduceerd. Ik vond dat heel spannend, iets persoonlijks zeggen voor zo’n groep, maar plotseling begon ik te praten en hield ik niet meer op. Ik voelde dat God het door mij heen deed. Er was ook een baby in de zaal. Ik zei: ‘Kijk allemaal eens naar haar?’ Iedereen keek, en begon als vanzelf te glimlachen. Ik zei: ‘Dat gebeurt automatisch als je naar een baby kijkt. Hetzelfde gebeurt als je op God vertrouwt en met Hem praat. God is puur en licht, net als een baby. Als je met God leeft, geeft dat vreugde.”

Lees dit nummer digitaal. Of sluit een (proef)abonnement af. 

“Als ik één dag terug zou kunnen naar Pakistan, dan zou ik mijn familie opzoeken en iets eten wat mijn moeder heeft klaargemaakt; alles wat zij maakt, is het lekkerste wat er bestaat! Zelfs haar thee was bijzonder. Dat realiseer ik me nu pas. Sorry dat dit me aan het huilen maakt… Ik zou al mijn vrienden thuis uitnodigen, samen bidden en danken dat iedereen leeft en gezond is. Maar ik denk niet dat terugkeren naar Pakistan een optie is. Ik maak geen plannen voor de toekomst, want ik heb geen idee waar ik dan ben, hoe ik leef en met wie. God heeft me tot nu toe geholpen, Hij zal me ook wel verder helpen.”

“Ik heb nu zeven jaar een relatie met mijn vriendin, maar ik weet niet of een toekomst voor ons is weggelegd. Ik wil het wel, maar ik weet niet hoe, als je elkaar nooit ziet. Soms denk ik: laten we stoppen, dan kan ze een ander vinden. Herinneringen aan de goede tijd die we hadden, verscheuren me soms. Mijn mooiste herinnering? Elke dag, elk moment dat we samen waren, in de kerk, of samen in gebed. Als ik voor m’n werk op pad ging – wat gezien de bomaanslagen gevaarlijk was – bad ze voor me. We waren goede vrienden, ze was mijn steun en toeverlaat. Ze stuurt me vaak berichtjes, maar vaak reageer ik niet. Ik…, ik wil graag met haar verder, maar wil haar geen valse hoop geven. Vanaf het moment dat meisjes in onze cultuur vijfentwintig zijn, kiezen hun ouders een jongen voor hen uit. Dus als ik de komende vijf jaar niet kan terugkeren naar Pakistan, en haar ouders willen een andere jongen voor haar uitkiezen, dan is het voor haar moeilijk loskomen van mij als we nu dagelijks contact houden. Misschien denkt ze: hij is niet meer in me geïnteresseerd. Zo wil ik haar de ruimte geven om met een ander verder te gaan. Het is ingewikkeld, ik weet niet of ik er goed aan doe… Moet ik haar de waarheid vertellen? Nee, dat zou haar te veel pijn doen, dan gaat ze nóg meer van me houden. Voor haar toekomst is het beter als ze me gaat haten.

Tegelijkertijd hecht ik me langzamerhand wel aan mensen in Nederland die mijn familie zijn geworden, terwijl het niet zeker is dat ik hier kan blijven. Een afscheid zou heel pijnlijk zijn, maar ik leef bij de dag en heb dat contact nodig. Ik ben niet van steen.”

tekst Wilfred Hermans beeld Jaap Schuurman

* Uit veiligheidsoverwegingen is de naam Nabeel gefingeerd, en staat hij onherkenbaar op de foto.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *