Home>Algemeen>“God verzoent zich met mensen, niet met ellende”
Professor Mechteld Jansen over God in haar leven.

“God verzoent zich met mensen, niet met ellende”

Er zijn dagen dat Mechteld Jansen – rector van de Protestantse Theologische Universiteit – ‘op een EO-fruitmand-manier’ zingend door de universiteitsgangen wandelt. Maar ze kan ook piekerend woelen in haar bed. “Dan denk ik: ik zei vanmiddag dit, maar ik had eigenlijk iets anders moeten zeggen.”

tekst Sjoerd Wielenga beeld Albert Jan ten Napel

Exodus 2:3-5

“Ze (…) legde het kind erin en zette de mand tussen het riet langs de oever van de Nijl.” 

“Ik ben een watermens, houd van eindeloos zwemmen. Ik kom uit een oud vissersgeslacht uit Harderwijk, waar ik zelf ook geboren ben. Mijn vader was de eerste in zijn familie die ging studeren; hij werd accountant. Ik ben de op één na oudste in een gereformeerd gezin van vijf kinderen. Mijn ouders legden de nadruk op leren, presteren en grote nieuwsgierigheid. Je kon alles weten, mocht alles weten en over alles praten. We zijn opgevoed met een groot verantwoordelijkheidsgevoel; kerk en samenleving konden altijd op ons rekenen.

De schaduwzijde is dat we niet leerden om de boel de boel te laten. In het gezin was warmte, maar bij onze vader, die vorig jaar overleed, misten we een goed evenwicht tussen rationaliteit en emotionaliteit. Voor de emoties hadden we als broers en zussen elkaar.

Veel mensen zeggen dat je je eigen levensverhaal maakt. Maar ik schrijf mijn eigen verhaal niet, ik ben het gevolg van de generatie voor me: mijn naam, mijn identiteit en de bescherming die ik heb gekregen. Mijn generatie mocht gezond opgroeien en we kregen veel kansen: ik kreeg muziekles, dansles en was lid van een sportvereniging. Maar de sfeer in de familie was toch ook klassiek gereformeerd. Mijn vader en moeder gingen ons voor in het lezen in de Bijbel, gebed, zang en muziek. We gingen wekelijks naar de kerk en leefden mee met de gemeente. Dankzij de lagere school van de Gereformeerde Bond kreeg ik een bevindelijke antenne; het geloof heeft zich dus ook wel langs de gevoelsweg ontwikkeld.

In mijn tienertijd werd ik aangesproken door het werk van Youth for Christ. Daardoor ben ik heel bewust gaan geloven en raakte ik actief in het evangelisatiewerk. Dat was toen een beetje rebels omdat Youth for Christ het echt heel anders deed dan de ‘statische kerk’. Het was voor mij een soort vlucht uit die vaste vormen, maar zei de kerk niet vaarwel.

De geloofstaal is zo geëvolueerd, het ethisch besef is zo anders

Toen ik op mijn zestiende tegen mijn opa door de telefoon zei dat ik theologie wilde gaan studeren, zei hij: ‘Als meisje? Dat kan toch niet?’ Een paar weken later was ik bij hem thuis. Hij had altijd een statenbijbel, dik en zwaar, openliggen op de salontafel. Hij vertelde me dat hij de Bijbel er nog eens op na had geslagen. Hij vond het verhaal over de rechter Deborah, die leidinggaf aan Israël. Toen vond hij het goed. Dat trof mij. Hij ging vanuit de situatie ‘help, er is hier een vrouw die theologie wil doen’ de Bijbel weer in en veranderde van standpunt. Het was zijn eigen ontdekking en dat wilde hij me meegeven als een soort grootvaderlijke zegen.

Als ik een gesprek zou ensceneren tussen mijn grootvader en mijn zonen van 23 en 24 jaar zouden ze elkaar niet begrijpen. De geloofstaal is zo geëvolueerd, het ethisch besef is zo anders. Daar zouden drie tolken tussen moeten zitten. Mijn grootvader verwees zijn antwoord op alle vragen naar ‘het verlossend en verzoenend bloed van onze Here Jezus Christus’. Dat was voor hem existentieel. Zo zullen onze jongens dat niet zeggen, maar ze zoeken wel de doorgaande trouw van het christelijk geloof in hun leven. Ze geloven wel, mijn kinderen. Het geloof is voor hun: hoe gaan wij om met vreemdelingen?

Dat is heel anders dan in de tijd van mijn grootvader. Iedereen die je kende, woonde binnen een straal van vijf kilometer van ons huis. Alles daarbuiten was vreemd. ‘Ons kent ons’ was toen belangrijk. Bij onze kinderen zie ik een grotere openheid naar de wereld. Ze maken veel muziek en treden op in het land. Ze hebben zich maatschappelijk, cultureel en qua scholing nog verder ontwikkeld dan mijn generatie. Van die kleine vissersmensen uit Harderwijk is een enorme emancipatie uitgegaan.”

Waarom zou ik op zoek gaan naar een andere stem
dan die waarmee ik ben opgevoed?

Exodus 2:11-15

“Hij keek om zich heen en toen hij zag dat er niemand in de buurt was, sloeg hij de Egyptenaar dood.”

“Vlak voor het slapen tóch nog je e-mail checken en dan zo boos worden dat je met je vinger een pistool op die mail schiet… Ja, ik kan wel driftig zijn, maar het is niet mijn eerste eigenschap. Met de mens als moordmachine ben ik vroeg geconfronteerd. Een onderwijzer van de lagere school vertelde ons tot in detail over de verschrikkingen van de Holocaust. Hij leefde zijn eigen trauma op de klas uit. Als kind wenste ik dat hij dood was, dan hoefde ik die verhalen niet meer te horen. Misschien daarom wel verdiepte ik me als theologiestudent verder in de relatie tussen het jodendom, Christus’ dood en de Holocaust.

Toen mijn man en ik in Kameroen woonden, moest ik in m’n eentje preken in een kamp voor militairen. Dat was heel griezelig omdat die militairen er gevangenen martelden; het leken wel concentratiekampen. Ik moest daar het evangelie verkondigen. Ik preekte over de rechtvaardige God die slachtoffers én daders doorziet. Jezus vertegenwoordigt aan het kruis zowel daders als slachtoffers. Dat is het evangelie van het kruis dat een cyclus van geweld wil doorbreken. Jezus doorbreekt de cirkel van geweld van een man die er gek van wordt, van een vrouw die beschuldigd en bijna gestenigd wordt.”

Exodus 15:22

“Drie dagen trokken ze door de woestijn zonder water te vinden.”

“In Kameroen ervoer ik een diepe eenzaamheid. Ik begreep de taal en de cultuur niet en we praatten voortdurend langs elkaar heen. In Kameroen is ‘ja’ ‘nee’ en ‘nee’ is ‘ja’ –  althans zo lijkt dat in het begin. Mijn man en ik hadden gelukkig elkaar, maar we waren samen eenzaam.

We hebben acht jaar lang op kinderen gewacht. Dat was een barre tijd. Ik dacht veel aan Bijbelverhalen over onvruchtbare vrouwen die smeekten om een kind. In Bijbelverhalen wordt de vruchtbaarheid van het geloof verbeeld door verhalen over zwangere vrouwen. Ik vind het nog altijd moeilijk om met Kerstmis te preken over al die vrouwen die zwanger worden.
Mijn verlangen was heel groot, maar ik voelde me door God niet verlaten. Hij vond het óók verschrikkelijk. In die periode las ik een boek van theoloog Ulrich Hedinger, ‘Tegen de verzoening van God met de ellende’. God verzoent zich niet met ellende, wél met mensen! Dat troostte mij. Ik dacht niet: God, waarom zorg je niet voor een kind? Maar: wat heb je toch geleden met al die mensen die naar kinderen verlangden.”

Soms zie ik nu al een voorteken, maar voor straks weet ik niet beter
dan dat God mij helemaal omgeeft

Exodus 15:27

“Hierna kwamen ze in Elim, een plaats met twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen. Daar sloegen ze bij het water hun tenten op.”

“Als rector ben ik bezig met debat, strategie, beleid, financiële uitdagingen en personeelsmanagement. In Exodus zie je dat leiders durven uit te barsten in een lied. Soms hef ik hier in de gang een lied aan. Op een EO Fruitmand-manier brul ik dan: Heer, ik hoor van rijke zegen. Maar ik kan ook Vlieg Met Me Mee van Paul de Leeuw zingen. Er gaat vreselijk veel goed – een goede review, accreditatie of nieuwe wetenschapper die ik binnenhaal – en dat moeten we vieren! Pak die tamboerijn, rammel erop los, dans!

In mijn vrije tijd stijldans ik met mijn man en op vakantie in Spanje ook de flamenco. Als de jongens een weekend thuis zijn, dansen we als gezin ook in de huiskamer. Maar ze schamen zich dood als wij gaan discodansen.”

Exodus 4:10

“Neemt u mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker.”

“Ik vind het moeilijk om gesprekken met mensen los te laten. Dan lig ik ‘s avonds te malen in bed en evalueer hele gesprekken, op het dwangmatige af. Dan denk ik: ‘Ik zei vanmiddag dit tegen hem of haar, maar ik had eigenlijk iets anders moeten zeggen’. Ik reflecteer eindeloos waarom relaties niet goed gingen. Eigenlijk heel pretentieus van me, dat alle relaties met mensen goed moeten zijn. Van mijn coach moest ik onderhandelingen, gesprekken en discussies na afloop juist leren loslaten. Dus niet eindeloos evalueren. Pijnlijke elementen moest ik letterlijk – alsof ik de pijn met twee handen beetpak – wegzetten. Dat is een innerlijk ritueel; een vorm van vergeving, ook aan jezelf. En dan is het klaar.”

Exodus 3:2

“Daar verscheen de engel van de Heer aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde.”

“Als je, zoals ik, geboren bent in een christelijk gezin, heeft dat iets als een lot. Mensen zeggen dan wel: ‘Als je in India geboren was, was je vast geen christen geweest’. Maar geloven is dat je het lot leert ombuigen in je bestemming: het valt je toe. De vraag is: wat doe je ermee? Waarom zou ik op zoek gaan naar een andere stem dan die waarmee ik ben opgevoed? Dit is het geloof dat mij gegeven is, ik onderzoek het vervolgens en ik beaam het. Ik waag het erop. Nu is het mijn bestemming geworden; ik ben aangekomen waar ik heen moest. Af en toe heb ik een vurig moment: God, ik herken U weer, ook in de levens van anderen.”

Deuteronomium 34:4

“Dit is het land waarvan ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet.”

“Wat komt er uit de toekomst van God op ons af? God belooft ons dat onze tranen afgewist worden. Dat Hij alles is in allen. Af en toe heb ik daar al uitzicht op, bijvoorbeeld als ik kijk naar de toekomst van de kerk. Een kerk in het café, een huiskamer, een achterstandswijk; een kliederkerk of een digitale kerk. De nieuwe generatie doet veel experimenten. Mijn zegen hebben ze. Ik vertrouw erop dat er in de toekomst volgelingen van Jezus zullen zijn. Maar ik denk dat de kerk van de toekomst niet alleen uit experimenten bestaat. Ik geloof ook in een dieselkerk: anderhalve non en een dominee die door blijven zingen met hun getijdengezangen.

Ik heb geen beeld van een gemeubileerde hemel waarvan je precies weet
waar de kamers en de deuren zijn

Voor mijn eigen dood ben ik he-le-maal niet bang. Natuurlijk ga ik dood en dat is maar goed ook. Ik heb het gevoel dat ik nu al twee levens heb geleefd. Ik heb zóveel leven gehad dat ik het volkomen logisch vind dat deze aarde voor mij niet eeuwig zal duren en ik het veld moet ruimen voor andere mensen. Ik blijf stug volhouden, in de verwachting dat er na mijn dood een vorm van leven met God zal zijn. Over die dood heen is er iets veel diepers: dat je in contact staat met de wereld van liefde, licht en geest. Die wereld is niet kapot te krijgen. Die is er nu al, al is het naar de hemel een beetje zoeken in een wereld waar de hemel aan flarden wordt geschoten. Ik geloof in een andere wereld, maar ik heb geen beeld van een gemeubileerde hemel waarvan je precies weet waar de kamers en de deuren zijn. De hemel is de aanwezigheid van God. Na de dood mag ik in Gods sfeer zijn. Dan is dat alles wat er is. Soms zie ik nu al een voorteken, maar voor straks weet ik niet beter dan dat God mij helemaal omgeeft.”

Prof. dr. Mechteld Jansen (1960) studeerde theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze was predikant in Wageningen en in Kameroen. In 2008 werd ze hoogleraar missiologie aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU).

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *