Net als zijn vader en overgrootvader blijft hij het podium zoeken, want domineeskinderen blijven preken. Maar vijftig dagen coma hebben Otto de Bruijne veranderd. ‘Wat geloof ik nog meer wat niet feitelijk gebeurd is, maar wel als waarheid zeggingskracht heeft?’

Exodus 2:3-5 
Ze (…) legde het kind erin en zette de mand tussen het riet langs de oever van de Nijl. 

“Ik werd geboren als de achtste, een nakomertje in het keukentje van God, de pastorie. Ik lag echt in een geweldige wieg! Ik groeide op in het stinkende Zaanstad met z’n fabrieken van Verkade. Er hing een grauwe sluier over de straten. Het grootste feest was als de Verkade-band of de Albert Heijn-band in uniforms gestoken met trommels en tamboer door de straten trok.” Hij straalt. “Maar verder was het een donkere industriestad. Ik wilde daar kleur aan geven, met mijn levendige fantasie en mijn tekeningen. Ze noemden me thuis de Fantast en de Potlootvreter. Ik schiep een eigen wereld en speelde voor God: besliste over leven en dood met mijn oorlogsspeelgoed.

Ons gezin was een chaotisch gezelschap waar iedereen alles kon zeggen omdat er toch niemand naar luisterde. Een gezin waar de vader op de kansel stond, maar thuis een kind was dat driftig kon worden, humeurig was of sentimenteel werd. Ik vraag me weleens af: wie was die man op de kansel? Daar stond een instituut in een toga die avondmaalswijn met een hoge haal uitschonk. Mijn moeder stond doodsangsten uit, bang dat hij zou morsen, net als thuis bij de soep. Verder had ik geen idee wat hij deed. Hij zei op maandag dat hij iemand ging begraven, maar ik zag geen schep op z’n fiets. Of dat hij een paartje ging trouwen, maar ik zag geen paardje.” Met zijn ogen dicht: “Verder eindeloze boekenkasten, Chopin, humor en een zekere godsbeleving. Ik ben als gereformeerd-synodaal niet opgevoed met een persoonlijke relatie met God, maar wel met het idee dat je een opdracht hebt. We leefden in de gereformeerde zuil, waarin we niet naar de Matthäus Passion luisterden als de KRO ’m uitzond op de radio, maar alleen als de NCRV dat deed. Dat lijkt benepen, maar het is soevereiniteit in eigen kring. Loyaal zijn aan de eigen zuil.  

Een verre voorvader heeft in Lille de beelden van een kerk aan stukken geslagen; hij is onthoofd door de troepen van Alva. Mijn overgrootvader was molenaar, maar toen zijn vrouw overleed, bad hij op zijn knieën aan het bed: ‘HEERE, als ik de molen kan verkopen, word ik dominee.’ De volgende dag was zijn molen verkocht. Hij werd predikant bij de Afgescheidenen. 

Zijn zoon, mijn opa, was arts. Mijn vader bedreef pastoraat zoals zijn vader patiënten hielp. Hij praatte tien minuten met zieke gemeenteleden en gaf als recept een bijbeltekst mee. Maar ik zag mijn vader ook sjouwen en doen. Gedoe met de kerkenraad, de stroperigheid en de angst. Omdat ik mijn vader zo zag zwoegen, wilde ik als tiener een rusthuis voor pastors oprichten. Mijn moeder begreep het wel, tot mijn vader drong het niet door. Hij was te druk. Mijn broers deden er lacherig over: Otto wil een bejaardenhuis beginnen. Maar toen ik 35 was, wilde ik echt een plek voor uitgebluste werkers in de kerk realiseren. ‘Horeb’ wilde ik het noemen, naar de berg die Elia beklimt als hij een burn-out heeft. Maar de tragiek is dat het huis er nooit is gekomen omdat ik zelf een burn-out kreeg.
Domineeskinderen blijven preken en het podium zoeken. Dat zie je ook aan mijn overbuurjongen Freek de Jonge. Als ik zelf geen christen was geworden, was ik ook cabaretier geweest. Je hebt het idee dat je iets moet betekenen. Mijn vader was een pen-mond-figuur, mijn identificatiefiguur. Dat ben ik dus ook gaan doen: ik spreek en ik schrijf. Dat geeft ook status, dat is ook wel een drijfveer.”

Exodus 2:11-15
Hij keek om zich heen en toen hij zag dat er niemand in de buurt was, sloeg hij de Egyptenaar dood.

“Je maakt mij oprecht boos met het simplisme in de evangelische wereld. In de jaren zestig werd ik, onder invloed van Billy Graham, evangelisch. Ik vond hem eerst veel te simpel redeneren: vrede vinden bij God en dat soort dingen, terwijl de wereld in brand stond. De Vietnamoorlog was bezig, de seksuele revolutie was aan de gang, enzovoorts. Maar ik werd geraakt door de vreugde van evangelische christenen als Henk Binnendijk, ook al kijkt hij altijd heel ernstig. De muziek was vrolijker dan het orgel en het geloof werd persoonlijk gemaakt. Maar de keerzijde zag ik al snel. De groenteboer mocht preken en hij had het denkraam van een postzegel. Iedereen vond dat schitterend: kijk hoe de Geest werkt! Maar op zeker moment denk je: wat is hier aan de hand? Zulke sprekers vergisten zich voortdurend, waren moralistisch en hadden te weinig bijbelkennis. Ging het bijvoorbeeld over ‘de vijf dwaze maagden en de vijf wijzen’.” Glimlacht: “Soms dacht ik: waren het maar vissers die het schreven, dan klopte het tenminste. Maar iedereen was blij – en dat is ook wat waard. Gelukkig is het niveau in de evangelische beweging inmiddels omhooggegaan. De liederen blijven wel allerbelabberdst. Rijmelarij en melodieën die vaak podium-gedreven zijn. De gemeente volgt de zangers in plaats van dat de gemeente zélf zingt. Pop church noem ik het. Het simplisme van het christendom is momenteel dat als het maar simpel is, het als echt wordt bestempeld. Maar het mysterie, de stiltes, het niet alles willen invullen, de artisticiteit worden weggeschoven. Als iemand het in twee woorden – ‘Jezus redt’ – zegt, ja, dan is het echt. Daar kan ik maar moeilijk mee omgaan. Ik hou van vragen stellen. Ja, als tante To zoiets zegt, word ik er niet kwaad van. Maar als een evangelische leider zich zo gedraagt, dan wordt het evangelie gekaapt door pop church, simplisme en populisme.”

Ex 15:22
Drie dagen trokken ze door de woestijn zonder water te vinden. 

“Toen ik 21 jaar was, verloren we vlak na de bevalling ons eerste kind. Maar dat is niet erg. Excuse me. Twee weken later hadden we een pleeggezin met vijf kinderen. Nee, een kind dat sterft is geen woestijnervaring. Ik was jong en had veel energie om verder te gaan met leven. ‘Tot volgend jaar’, was de enige reactie van de kraamverzorgster. Mijn vrouw was verpleegkundige, ze wist dat kinderen dood kunnen gaan. Een gemeenteambtenaar deelde me mee dat ons kind begraven zou worden. Mijn vrouw zou dan alleen thuis moeten blijven; ik ben bij haar gebleven. Na de bevalling kregen we een borrel om te kunnen slapen… Dat was het.”

Na enig aandringen vertelt hij verder. “Ja, 25 jaar later had ik het er moeilijk mee. Toen ik 43 was en die burn-out had, overviel het me plotseling. Ik had mijn zoon niet begraven! Het kind werd weggehaald en we hebben hem nooit meer gezien. Ik herinner me nog hoe het jongetje met specialisten om zich heen vocht voor zijn leven. Ik dacht terug aan wat ik iemand eens hoorde zeggen: ‘Als je iets wilt zeggen tegen iemand die overleden is, zeg het dan maar tegen Jezus.’ Ik zocht uit waar hij begraven lag. Met mijn vrouw ben ik ernaartoe gegaan en heb gebeden: ‘Wilt U doorgeven dat het me erg spijt dat ik jou niet begraven heb, want je bent onze zoon.’ Ik heb daar staan huilen bij het graf. We hebben elkaar omarmd en zijn weer weggegaan.” Hij raakt geëmotioneerd. “Ik voel het nú weer… Door hem niet te begraven, heb ik respect en eerbied onthouden aan een mens door God geschapen. Dat gaat niet weg. Mark, heette hij. Mijn oudste zoon heeft dezelfde naam als zijn overleden broertje, maar het is geen vernoeming. Achteraf vind ik het niet fijn voor mijn zoon; hij is immers een ander mens.
Mijn burn-out was wel een woestijnervaring. Ik had in een hogedrukketel geleefd. Ik was succesvol met Tear in Afrika, ik was zwanger van het Horeb-idee. Ik was ervan overtuigd dat het Gods plan was; had ook een soort visioen ontvangen waarin ik bevestigd werd op de goede weg te zijn. En dan krijgt deze meneer een burn-out. Het centrum ging niet door; dat leverde me heel wat huilen op. Je rouwt om het sterven van je visie; alsof je weer een kindje moet begraven. Het was emotioneel een vlakke periode. Hoe we man en vrouw waren, hoe ik er voor mijn kinderen niet was, ik bad niet meer, las geen Bijbel. Ik kon geen taken meer uitvoeren. Ik moest álles afzeggen, afzeggen, afzeggen. Ik lag alleen maar op de bank Tetris te spelen. 
Had ik God niet goed begrepen? Hier heeft de evangelische christen zichzelf klemgezet. In mijn burn-out leerde ik afscheid te nemen van dat gedachtegoed. Want was ik er nou om God te dienen of is Hij er om mij te dienen? ‘Wij zijn in de hemel heel moe van jou’, zei God tegen me. ‘Mogen wij ook een keertje rust?’ Waar ik last van had, zie je ook in de kerk: de psychologisering van het evangelie. Bij God op schoot, thuiskomen bij de Vader. Dat vind ik allemaal sentimenteel, feminien geneuzel.” Fel: “Ik ben een calvinist! Hállo! Ik ben gereformeerd! Ik ga niet in zijn baard kroelen! Ik verzet me ook tegen de evangelische retoriek dat er een doorbraak van bekering in Nederland aankomt. Een fata morgana. De secularisering zet gewoon door en er gebeurt geen zak.”


Het hele verhaal lezen? Koop De Nieuwe Koers digitaal. Of lees 3 maanden voor maar 3 euro.

3 thoughts on “‘God zei tegen me: Wij zijn in de hemel heel moe van jou’

  1. hallo Otto, een beetje genuanceerder mag ook wel…”bij de Vader op schoot”, tja daar heb ik ook niets mee…maar “thuiskomen bij de Vader” is wel een bijbelse mogelijke realiteit, wie ben jij om dat ” feminien, sentimenteel geneuzel” te noemen? En de evangelische wereld omvat wel iets meer variatie en diepgang dan jij nu noemt. “Secularisatie zet gewoon door en er gebeurt verder geen zak”….zou het niet EN EN kunnen zijn? Voortgaande secularisatie EN meer mensen die tot toegewijd geloof komen? En wellicht in anderssoortige “kerk” gemeenschappen terecht komen dan wij kennen. Er gebeurt tegenwoordig veel goeds op een manier waar wij ouderen (ik ben ook zestiger) geen weet van hebben. Zoals jongeren die nu bereikt worden via chr. jongerenbedieningen die social media gebruiken. Maar zonder verwachting, voorbede en aan de tijd aangepaste actie zal er inderdaad “geen zak gebeuren…”.

  2. Een indrukwekkend artikel.
    Alleen wat ontzettend jammer, dat dhr. De Bruijne zegt: ‘ ……. thuiskomen bij de Vader. Dat vind ik allemaal sentimenteel, FEMINIEN geneuzel’. Als we bedenken dat de “Barmhartigheid” van God een zeer vrouwelijk=feminien karakter draagt ( hebr. Rachamim, baarmoeder), dan slaat dhr. De Bruijne de plank dubbel en dwars mis. Gelukkig maar, dat Jezus dat thuiskomen bij de Vader géén ‘sentimenteel, feminien geneuzel’ vond, maar juist de kern van ons mensenleven.

    1. Wat dat ‘feminien’ geneuzel betreft raakt Otto wel een punt. Het blijkt dat in de VS veel mannen afhaken van hun evangelische gemeente, juist vanwege ‘feminien’ geneuzel en gezang. Een van de redenen was inderdaad de zang en muziek. Die mannen willen liederen zoals ‘Onward Christian Soldiers’, en niet 10 minuten ‘Hillsong-waven’ met opgeheven handen op noten van minstens 4 tellen……….

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *