De mens is geneigd tot alle kwaad. Deprimerend? Welnee, juist een reden tot opluchting. Want een bijbelse diagnose wijst altijd de weg naar herstel.

tekst Tjerk de Reus

De samenleving van vandaag weet niet goed raad met het kwaad. De algemene stemming luidt: mensen zijn geen zondaren, want elk mens bezit een zuivere, goede kern. Maar als iemand stevig de fout ingaat, is er nauwelijks barmhartigheid. Dat bleek afgelopen voorjaar, toen Benno L. in Leiden ging wonen. Hij had zijn straf uitgezeten en keerde weer terug in de samenleving. Dat wekte grote woede en agressie bij mensen uit zijn nieuwe woonwijk. Ze nagelden hem aan de schandpaal als het ergst denkbare kwaad. Ze lieten hun kinderen voor de camera zeggen dat Benno ‘een mes in zijn rug’ verdiende. Zo’n reactie mist niet alleen barmhartigheid, het maakt ook duidelijk dat het kwaad in onszelf huist.

Diep in ons huist kennelijk een besef dat het mensenleven een pijnlijk en moeizaam project is.

Ook in de kerk is het lastig om te beweren dat mensen zondaren zijn. Veel mensen voelen zich een beetje ongemakkelijk bij de bewering dat we ‘van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten’. Dat klinkt nogal onplezierig en is het nu echt zo erg? Haat ik mijn buurman en collega daadwerkelijk? Hoe massief deze formulering ook lijkt, eeuwenlang heeft die overtuigend in de oren geklonken van vele generaties gelovigen. De bekende zin over onze ingebakken boosaardigheid stamt uit de Heidelbergse Catechismus, een invloedrijk kerkelijk geschrift uit de zestiende eeuw. Maar inhoudelijk gaat deze kijk op zonde en kwaad veel verder terug, via de vroege kerk naar het Nieuwe Testament.

Naar Gods beeld

Hoe moet je die sombere zinnen uit de catechismus precies opvatten? Is de mens één brok hatelijke kwaadaardigheid? Kun je nog geen stapje in de goede richting zetten? Dit is de populaire, maar nogal oppervlakkige interpretatie van de catechismus. De formulering ‘van nature geneigd je naaste te haten’ betekent níet dat alles wat we doen rechtstreeks verband houdt met het diepste duivelse kwaad. Naar het christelijke besef zijn mensen geschapen naar Gods beeld, maar het kwade heeft vat op ons. Theologisch gezien betekent dit dat het kwaad niet hoort bij de essentie van ons mens-zijn, maar is het is ‘accidenteel’, bijkomstig. Je kunt de mens dus niet definiëren als een kwaadaardig fenomeen. Wel zit de neiging tot het kwade erin – en dat is een nogal realistische constatering. Als je een avondje tv kijkt, weet je dat.

Het kwaad is bovendien een plakkerig goedje dat iets met je doet als je je ermee inlaat. In volledige vrijheid kiezen tussen goed en kwaad lukt ons daarom vaak nauwelijks. De neiging om bijvoorbeeld voor eigenbelang te gaan heeft zich diep genesteld in de menselijke geest en dat bepaalt vaak je keuzegedrag. De ogenschijnlijk sombere zinnen uit de catechismus zijn dus niet veel somberder dan de feitelijke stand van zaken in mensenlevens. Maar het gaat in de Bijbel en ook in de catechismus niet zomaar om een setje feiten uit de realiteit. De hamvraag luidt: wat betekent dit voor onze relatie met God? Daar zit de kern van het christelijke spreken over zonde en kwaad. Het gaat het dus niet over falen, fouten en boosaardigheid op zichzelf, maar over vervreemding van de Schepper.

Paradoxaal genoeg maakt de christelijke theologie op dit punt het kwaad nog problematischer – het gaat niet zomaar om ‘fouten’, maar om een ontwrichte relatie  –  en tegelijk wordt het nu zo licht als een veertje. Want als het kwaad en de vervreemding benoemd worden, is de verzoening eigenlijk al aan de orde. Dat is het bijbelse perspectief: de onthulling van het kwaad dient ter genezing, bevrijding en herstel. Dit gebeurt ook in de aloude catechismus: de harde noten over ’s mensen kwade geneigdheid worden gekraakt in het bredere raamwerk van vergeving en verzoening. Dan ontstaat er ook ruimte voor vernieuwing en voor enthousiasme om niet het kwaad, maar de Heer te volgen.

Opluchting

Hoewel de formulering uit de catechismus uit verre tijden stamt, valt er veel voor te zeggen om hem te koesteren. Sterker nog, de kerk zou dit inzicht over de mens fier en zelfbewust ter sprake moeten brengen, op zondagmorgen én door de week. Want de onthulling over onze geneigdheid tot het kwade is per saldo een opluchtende diagnose: het doorbreekt de vervreemding. Daarmee doet de kerk iets wezenlijk anders dan de vaak deprimerende stemmen uit filosofie, kunst en literatuur. In de mensbeelden die je daar tegenkomt, tref je vaak diepe twijfel aan, wanhoop over de mens en sarcasme over de ethische motieven die we hoog houden. Kunstenaars prikken door onze zelfbeelden heen en onthullen onze schamelheid. Somberheid troef dus – en dat is paradoxaal als je bedenkt hoeveel weerzin er is tegen het christendom met zijn strenge zondeleer. Diep in ons huist kennelijk een besef dat het mensenleven een pijnlijk en moeizaam project is. Maar wat moet je met het besef dat ook jouw leven niet losstaat van kwaad, zonde en schuld? Omdat we er ‘niets mee kunnen’ houden we het liever bij de ideologie van het ‘heilige ik’: mijn goede bedoelingen en mijn onaantastbare individualiteit.

Precies dit irreële besef leidt tot agressie en meedogenloosheid. Dat blijkt wel uit de reacties op Benno L. De Britse cultuurcriticus Theodore Dalrymple schrijft in een van zijn boeken dat hij het christelijke zondebegrip, met name de erfzonde, ‘de nuttigste van alle mythes’ vindt. Volgens hem kun je, als je een reële visie hebt op het kwaad in de mens, ‘een klare blik paren aan mededogen, terwijl dat heel moeilijk is voor iemand die in de natuurlijke goedheid van de mens gelooft – iemand die alles vergeeft omdat hij zegt dat hij alles begrijpt en vervolgens onverschillig en gevoelloos wordt.’

In onze cultuur van het weggemoffelde kwade geweten kan de kerk een actueel verhaal houden. Kwaad, zonde, schuld, boosaardigheid – het behoort allemaal tot de realiteit van ons leven. De eeuwenoude geloofstraditie maakt ons elke keer weer wakker uit onze al te positieve dromen. Maar anders dan de sombere stemmen uit de cultuur, die de mens in deprimerende termen schetsten, plaatst de kerk onze kwade geneigdheid in een breder kader, of beter: in een hoopvolle relatie met de Schepper. Dit inzicht verdient het om met fijnzinnigheid, tact en realiteitszin ter sprake te komen, zonder massieve en abstracte termen. Als dat gebeurt, kan de krachtige taal van de bijbelse profeten en evangelisten, en van onze scherpzinnige voorvaderen die de catechismus opstelden, in de wereld van vandaag landen als een bericht van hoop en mededogen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *