De figuur van Zacheüs zou ons te denken moeten geven, vindt Tomás Halík, auteur van het boek Geduld met God. Hedendaagse mensen zien vaak niets in de kerk, maar kijken vanuit hun schuilhoekje tussen de bladeren wel met verwachting naar buiten. 

tekst Tjerk de Reus

De missionaire taak van de kerk is een lastige kwestie. Orthodoxe gelovigen zeggen: je moet op de een of andere manier het evangelie zien over te brengen, in de hoop dat de buitenstaander dit als een bevrijdende waarheid zal ontdekken. Kerkgangers die sceptischer zijn aangelegd, noem hen voor het gemak ‘vrijzinnigen’, zullen terugdeinzen voor het ‘zieltjes winnen’. Vaak zijn zij een stuk minder zelfbewust als het gaat om een eventuele missionaire taak van de kerk. De katholieke priester Tomás Halík (1948) is eigenlijk niet in dit spanningsveld ‘orthodox versus vrijzinnig’ te vangen. Het valt te verwachten dat hij bij het Nederlands publiek beide groepen zal aanspreken. In zijn boek Geduld met God schetst hij een fris type solidariteit met buitenkerkelijken, waarbij hij dogmatische zelfverzekerdheid achter zich laat, maar toch ook geen spoor vertoont van slaperigheid of gebrek aan passie. Halík is een gedreven denker, die zeer diepzinnig weet te peinzen over de uitdagingen voor de kerk vandaag. Die liggen niet alleen in de ‘buitenwereld’,  waar men veelal weinig opheeft met de kerk, maar ook in de christelijke gemeenschap zelf, waar we de ‘nacht van Gods afwezigheid’ gelovig zouden moeten leren verstaan.

‘Atheïsme is een nuttige antithese tegenover een naïef, vulgair theïsme – maar het vraagt om een vervolgstap naar synthese en volwassen geloof.’

Zacheüs

Het boek van Halík laat zich nauwelijks samenvatten. Hoewel hij met een duidelijke beheersing van de stof zijn thema’s uiteen zet, hanteert hij een zoekende en tastende schrijfstijl. Hij loopt graag zijspoortjes in, om de vraag die hij op tafel heeft gelegd vanuit een onverwachte hoek te benaderen. Niettemin is de hoofdgedachte van zijn boek helder: de kerk meent nauwelijks een relatie te kunnen leggen het atheïsme, en ontvlucht graag de lastige vragen die daarmee gemoeid zijn. Dit is echter een misvatting, die de ‘zoekers’ in de hedendaagse cultuur in de kou laat staan. Zoals Jezus oog had voor Zacheüs, die van een afstandje toekeek, nieuwsgierig en ook wel met verlangen, maar zonder zich te durven geven – zo zijn er vandaag veel mensen die de kerk te massief en te irritant vinden, maar toch verwachtingsvol in het leven staan, worstelend met vragen over recht en gerechtigheid, over het lijden en de menselijke bestemming. Halík opent zijn boek dan ook met deze stellingname: ‘Op veel plaatsen ben ik het met atheïsten eens, vaak op bijna ieder punt – behalve in hun geloof dat God niet bestaat.’ In het slothoofdstuk noteert hij: ‘wie weet of God, die de harde verwijten van Job en de verwondingen van Jakob in het nachtelijk gevecht accepteerde, niet ook een zeker genoegen vond in de twist die Nietzsche en vele anderen met hem voerden?’ Halíks punt luidt dat juist felle bestrijders van het geloof op een tegendraadse manier God serieus nemen.

Vulgair

Zonder dat Halík de kerk bij het grof vuil zet, formuleert hij wel tamelijk scherpe kritiek op de sfeer van geriefelijke zekerheid in de kerkelijke traditie. Deze insteek ligt ook wel voor de hand, omdat hij de twijfelende buitenstaander, die zich hoogstens in het portaal van de kerk bevindt, sympathiek vindt en serieus wil nemen. Kerkmensen weten vaak wel de juiste antwoorden, signaleert hij, maar ze zijn vergeten wat de oorspronkelijke vragen waren. Die vragen zijn echter fundamenteel, ze raken aan het mysterie, en zijn niet oplosbaar met de ratio. Halík: ‘Er bestaat altijd de verleiding om antwoorden te zien als afsluiting van het zoekproces, alsof het gesprek over een probleem ging dat nu is opgelost.’ Maar in het geloof gaat het om een mysterie en daarom ‘moeten we nooit de weg van het zoeken en vragen verlaten. Naar Zacheüs toegaan betekent van probleem naar mysterie gaan, van ogenschijnlijk definitieve antwoorden terug naar oneindige vragen.’ Niettemin verdwijnt bij Halík nooit uit beeld dat mensen tot geloof kunnen komen, en dat dit een vreugdevolle zaak is, die de moeite van onze inzet altijd waard is. ‘Atheïsme is een nuttige antithese tegenover een naïef, vulgair theïsme – maar het vraagt om een vervolgstap naar synthese en volwassen geloof. Rijp geloof kent een inademen en een uitademen, nacht en dag – atheïsme is maar een fragment.’ Tegelijk gaat Halík heel ver in het begrijpen van de zoekende, gissende tijdgenoot, en die wil hij niet zonder meer het labeltje ‘godzoeker’ opspelden. In de hoofdstukken van dit boek probeert hij juist in beeld te krijgen hoe mensen bij wijze van spreken ‘van de andere kant’ de ‘verborgenheid en transcendentie van God’ beleven, en daarin ‘nabij God’ zijn.

Voorsmaak

Belangrijk voor Halík is de al genoemde Friedrich Nietzsche, die niet alleen op een bittere manier God en kerk aanklaagde, maar ook zeer geschokt was over het feit dat de Westerse mens God gedood zou hebben. Minstens zo centraal in dit betoog is de Franse heilige Thérèse van Lisieux (1873-1897). In haar laatste levensfase, getekend door ziekte, kwam zij terecht in een ‘nacht van de ziel’: ze miste de ervaring van Gods nabijheid en ontferming. Dat leidde niet tot wanhoop, maar tot geduld, trouw en solidariteit met atheïsten. Wat overbleef was de liefde, noteert Halík, die hierin een heilzame bevrijding ziet van bijvoorbeeld het idee van God als accountant die het grootboek van onze goede daden controleert en hopelijk goedkeurt.  In de lijn hiervan vraagt Halík zich af of ‘een zeker type van geloofsverlies in onze tijd een soort “voorsmaak” van het hemelse koninkrijk’ kan zijn.

Voorbeeldig

Tomás Halík groeide op in het communistische Oost-Europa, en je merkt aan alles dat dit hem heeft gestempeld. Hij is zeker geen pessimist, maar wel een realist, die zwaar tilt aan vraagstukken die dat verdienen. Goedkope en ‘snelle’ antwoorden op de grote vragen waar de kerk voor staat, wijst hij resoluut de deur, zonder zijn missionaire gedrevenheid uit het oog te verliezen. Dankzij deze goed leesbare vertaling is zijn stem vanaf nu aanwezig in het Nederlandse gesprek over kerkzijn, secularisatie en missionair werk – een discussie die tot dusver vooral bepaald wordt door Angelsaksische woordvoerders. Zonder hen tekort te willen doen, kun je stellen dat Halík dieper dan veel anderen afdaalt in het besef van godverlatenheid in onze cultuur en dat hij een voorbeeldige existentiële sensitiviteit heeft voor randgelovigen en niet-gelovigen.

Geduld met God. Twijfel als brug tussen geloven en niet geloven. Door Tomás Halík. Uitgeverij Boekencentrum. Prijs: 19,50 euro

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *