Organist Rien Donkersloot vindt het Geneefs psalter een feest. Met twee notenwaarden 129 melodieën maken die na vijfhonderd jaar nog steeds gezongen worden, dat is bijzonder knap, zegt hij.

tekst Jasper van den Bovenkamp beeld Lianne ter Maat

Achter de drie klavieren van het Naber-orgel in de Amersfoortse Sint-Joriskerk is Rien Donkersloot in zijn element. De 29-jarige organist begeleidt, verstopt tussen de rijzige fronten van het instrument, nagenoeg elke zondag de samenzang in dit monumentale godshuis met zijn zes seconden akoestiek. En in een kerk van degelijke Gereformeerde Bondssignatuur – wat de Joriskerk is – bestaat die samenzang goeddeels uit psalmen, gezongen op de melodieën van het Geneefs psalter.

“Als je niet duidelijk en ferm begeleidt, gaat iedereen z’n eigen gang”

Hoewel de muziek dateert van de zestiende eeuw en de teksten worden gezongen volgens een berijming uit 1773, strekken ze de jonge Donkersloot anno 2015 tot zowel muzikale als inhoudelijke vreugde. Want dat de lied- en tekstschrijvers erin geslaagd zijn eeuwen na dato nog van zich te laten horen, dat mag een prestatie heten, vindt hij.

Kwaliteit

Er is eigenlijk maar één woord dat het mirakel verklaart, zegt Donkersloot op de orgelbank, “en dat is kwaliteit. Ze hebben gewerkt met twee soorten noten: open en dichte. Met die elementen hebben ze ‘t gedaan. Je komt geen ingewikkelde ritmes tegen met doorgangsnootjes en dat soort dingen, wat je bij latere liederen wel ziet. En achtste of zestiende nootjes, daar is allemaal geen sprake van. Toch zijn er 129 unieke melodieën ontstaan die in de meeste gevallen ook nog eens een goed huwelijk vormen met de tekst. Kijk naar het verschil tussen Psalm 51 en 149. De eerste heeft een frygische melodie (somber en triest, red.), die heel goed aansluit bij het ingetogen gebedskarakter van de tekst. Psalm 149 heeft een dorische wijs (sterk en robuust, red.), waar veel energie en ritme in zit. Het lied loopt heel mooi vanuit de hoge d naar beneden en krijgt in de tweede helft een interessante wending door een aantal regels dat met kwartnoten begint. Ik kan me met deze muziek een levendige voorstelling van de reidans maken, waarover het in de psalm gaat.”

Voor Donkersloot is het een feestje om tijdens de erediensten zo intensief met psalmen bezig te zijn, zegt hij. “Je kunt er alle kanten mee uit. Het is een boek uit één stuk, een eenheid, altijd zingbaar. En toch is er ook grote diversiteit: er zijn psalmen die je op een jazzy manier kunt uitvoeren, je kunt de melodieën door een orgel laten begeleiden, je kunt ze ondersteunen met moderne akkoorden, maar ze zijn ook a capella gezongen mooi.”

Minimal music

Van die veelkleurigheid laat Donkersloot graag wat horen. “Meestal improviseer ik”, legt hij uit, “maar ik speel ook wel koraalvoorspelen of psalmbewerkingen van Jan Pieterszoon Sweelinck en Anthonie van Noordt. Ik houd niet van gedoe, van fratsen, en dat waardeer ik in die componisten. Hun muziek is zo mooi sober, echt calvinistisch in haar toonzetting. Waar ik ook van kan genieten, zijn de twintigste-eeuwse bewerkingen van Bert Matter. Psalm 65 bijvoorbeeld heeft hij gecomponeerd in een soort minimal music-stijl.”

Donkersloot pakt twee potloden, klemt daarmee in het bovenste klavier een quint (e-b) en varieert ondertussen op het middelste manuaal met tonen die op abstracte wijze de Geneefse melodie oproepen. Terwijl de prestanten, fluiten en strijkers zacht ruisen, klimt de lofzang uit Sions zalen met stil ontzag tot God.

Wredelijk verplett’ren

Zo kan het dus. Maar ook heel anders, verzekert de organist. Neem Psalm 137, waar de oude berijming in het vijfde couplet meldt dat hij gelukkig is “die u terneer zal slaan / uw kinderkens zal grijpen, o gij trotsen, / en wredelijk verplettr’en aan de rotsen.” Donkersloot: “Er is best een aantal psalmen dat nauwelijks gezongen wordt, vaak omdat de teksten ervan zo lastig te verteren zijn. De tekst van deze psalm slik je ook niet zomaar weg. Maar zou je ‘m daarom niet zingen? Ik kan begrijpen dat voorgangers het lastig vinden, maar je kunt het uitleggen aan de gemeente. Het zijn Schriftwoorden die ingebed zijn in een groter geheel. Waarom staan die woorden er? Dat duiden is beter dan de psalm overslaan.”

Maar hoe pak je de begeleiding van een dergelijk lied aan? Want hoe dan ook, de tekst blijft gruwelijk. “Als we dit couplet zouden zingen, zou ik een stevig, dissonant voorspel spelen”, zegt Donkersloot, terwijl hij een goed deel van de dispositie van het Naber-orgel opentrekt: een ronkende bazuin in het pedaal en zwaar geschut in de manualen. Even later beuken de wrange klanken tegen de muren van het kerkgebouw. De laatste akkoorden van het couplet worden ruw overstemd met chaotische clusters, waarbij de organist zonder nadenken zijn handen over het klavier laat stuiteren.

Is dat persoonlijke agressie, vertaald naar muziek? Nee hoor, lacht Donkersloot, terwijl de grauwe galmen van Psalm 137 in de nokken van het godshuis wegsterven. “Ik probeer wel een beetje m’n verstand erbij te houden.”

Met de vertaalslag van psalmtekst naar voorspel en begeleidingsmuziek is het uitkijken geblazen, zegt de organist. “Dat gemeenteleden niet gaan denken van: o, hij moet weer even z’n dingetjes laten horen. Door bijvoorbeeld een koekoeksmotief te laten klinken als er in de tekst een vogeltje voorbijkomt, dat soort dingen.” Soms subtiel, soms expliciet laat Donkersloot zijn eigen gevoel in de muziek meeklinken, “maar nooit voordat de emotie langs de ratio is geweest. Anders kan het snel plat worden.”

Dienstbaar

En, zegt hij, organisten vergeten in hun drang een subjectieve lading aan de begeleiding mee te geven weleens waarvoor ze achter de klavieren zitten: om dienstbaar te zijn aan de samenzang. “Zo zie ik het ten minste. Ik ben hier om de boel te stroomlijnen, ervoor te zorgen dat er goed gezongen wordt, dat de harde feiten kloppen: maat, ritme, toonhoogte, tempo. Niet zelden zie je dat subjectiviteit invloed heeft op de precisie van begeleiding en de manier waarop een psalm gezongen moet worden.”

Maar psalmen zijn bij uitstek subjectief en gaan juist over emotie, toch? “Jawel, maar het is nooit die emotie op zichzelf. Het gevoel van de psalmdichter verhoudt zich altijd tot personen, omstandigheden, of een daad van God. Op die manier kun je de invloed van de organist ook duiden. Natuurlijk mag de muziek een persoonlijke inslag hebben, maar de emotie moet niet prevaleren. Het moet ook kloppen. Psalmen begeleiden is een ambacht.”

In dat ambacht is Donkersloot consciëntieus. Zijn psalmbegeleiding is strak en zonder strapatsen. Ook opvallend: de stevige registratie. Of de organist nu een loflied of een klaagzang begeleidt, het koraal heeft standaard een krachtig volume. “Ik heb altijd een soort van minimum aantal registers in m’n hoofd”, zegt Donkersloot en hij trekt er een boel open. “Dit gebruik ik bijvoorbeeld bij Psalm 6”, en hij begint de boetpsalm met zwaar pedaal en een schelle uitkomende stem te spelen. Is dat niet een wat merkwaardige vertolking van zo’n ingetogen lied? Volstrekt niet, vindt Donkersloot, daar gaat het ook niet om. “Als je niet duidelijk en ferm begeleidt, gaat iedereen z’n eigen gang. En dan is er geen goede gemeentezang.”

Favoriete psalm

Heeft Donkersloot eigenlijk een favoriete psalm, eentje waarvan hij blij wordt als-ie op de liturgie staat? Enig denkwerk brengt de organist bij Psalm 148. “Die gaat over de schepping, het is een lied vol lofprijzing. En kijk eens wat er met het ritme gebeurt in die eerste regel: tam-tidam-tidi-tam -tidi-tam-tam. Je verwacht iets heel anders hier. Dat zijn van die verrassende dingen van het Geneefs psalter. Maar wat ik aan vrijwel alle psalmen goed vindt, is toch die goede verstandhouding tussen tekst en muziek. In liedbundels staan veel mooie melodieën en prachtige teksten, maar lang niet altijd sluiten die twee op elkaar aan. Ik moest met Goede Vrijdag eens een liedje begeleiden over Golgotha op een soort schlager-muziek. Dan voel je direct: dit past niet.”

Zijn er ook lelijke psalmen? Dat vindt Donkersloot een ingewikkelde vraag. Het is niet diplomatiek, verzekert hij, maar een lelijke psalm, nee, die kan hij zo snel niet noemen. “Nou ja, als je naar de melodie van Psalm 23 kijkt – de tekst is prachtig – dan kom je op een gegeven moment bij een regel die een beetje rondcirkelt. Misschien een zwak moment. En Psalm 146 vind ik persoonlijk minder geslaagd als het gaat om de verhouding tussen tekst en muziek: je verwacht een proclamerende melodie, terwijl die nogal mineur is. Maar wie ben ik?”

Dat is een interessante vraag. Want Donkersloot staat in een lange traditie van musici die zich elk op hun eigen manier, in hun tijd en in hun kerkelijke context tot het psalmboek proberen te verhouden. Zijn er twee organisten die in psalmzingend Nederland op die traditie een stempel hebben gedrukt, dan zijn het Feike Asma en Jan Zwart wel. Heeft Donkersloot enige verwantschap met ze? “Verwantschap… Hmm… Nou ja, kijk, Feike Asma vind ik een inspirerend figuur in die zin dat hij telkens op zoek ging naar de juiste klank voor een bepaalde compositie. Maar met zijn bewerkingen heb ik niet zoveel. Ik vind ze niet zo bij de psalmen passen, eerlijk gezegd. Hij gebruikt veel van die ordinaire akkoorden.”

Wat zijn ordinaire akkoorden? “Dat kan ik heel goed nadoen”, lacht de organist een tikje schalks en hij gaat recht achter de klavieren zitten. Met een olijke twinkeling in zijn ogen en schuin achteromkijkend laat Donkersloot een serie volgeharmoniseerde akkoorden uit het orgel rollen. Akkoorden die soms al te gretig over elkaar heen buitelen, terwijl de pedaalpartij erachteraan sleept. Alsof een wiek van de molen de ander inhaalt. “Nou ja”, relativeert Donkersloot, “dit is vooral hoe discipelen van Asma en Zwart spelen. Zelf waren die organisten authentiek en ze vertolkten de psalmen zoals ze vonden dat ze het moesten doen. Op die manier hebben ze veel mensen de liefde voor het psalmboek bijgebracht. Dat moet je niet vergeten.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *