Voor welke uitdaging staat de kerk de komende jaren? Aan de hand van het Onze Vader analyseert Evert Jan Ouweneel het verleden: de ‘laatste’ uitdaging die ons nog te wachten staat, is het opgeven van onze controlemechanismen en leren beschikbaar te zijn voor God. Een essay van Evert Jan Ouweneel. (foto: Sjaak Verboom)

Het Nederlandse christendom kent een opvallende transparantie: als iemand zich nu nog navolger van Christus noemt, is de kans groot dat hij of zij het ook werkelijk is. Vroeger kon het ook om allerlei politieke, economische en culturele redenen gunstig zijn als christen door het leven te gaan. Inmiddels zijn die grotendeels weggevallen en is er nog maar één reden over: Christus.

Hoe droevig het verschijnsel kerkverlating ook moge zijn, er kan ook iets moois gebeuren wanneer alleen diegenen overblijven die om Christus bij de Kerk van Christus willen horen. Wanneer ik terugkijk op de afgelopen decennia zie ik een Kerk die juist vanwege haar machtsverlies aan het terugkeren is tot het vólle Evangelie en het gebed dat Jezus ons leerde: “Onze Vader in de hemel, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome, uw wil geschiedde”. Regel voor regel zijn wij de kracht van deze woorden aan het herwaarderen. De recente geschiedenis van het Nederlandse christendom is in deze vier uitspraken samen te vatten. We hebben veel ontdekt, maar de grootste uitdaging ligt misschien nog voor ons.

Bekering

Jaren ’60-’70: Uw naam worde geheiligd

Zo’n halve eeuw geleden was bekering het centrale thema in de evangelieverkondiging. God is heilig, zo luidde de boodschap, daar kan een mens slechts voor buigen. Maar steeds minder Nederlanders voelden zich aangesproken en verlieten de kerk. Daarbij deed zich iets opvallends voor: veel van wat pas later door de kleinere kerken werd omarmd, komen wij hier al tegen in de kerken die het hardste leeglopen. Van conceptueel naar relationeel denken (uitgedrukt in een interesse voor joodse denkers als Lapide en Levinas) en een grote bewogenheid over het onrecht in de wereld (uitgedrukt in het verzet tegen bijvoorbeeld kernwapens en later Apartheid). Het kon de leegloop echter niet tegenhouden, want in de drukte van de goede bedoelingen verdween God bij velen alsnog uit beeld.

De jaren zestig en zeventig waren ook de jaren van het Tweede Vaticaans Concilie en de modernisering van de Katholieke Kerk. Tegelijk kreeg de pinksterbeweging een boost na de massabijeenkomsten van T.L. Osborn eind jaren vijftig. Nieuwe gemeenten ontstonden met een nieuwe nadruk op het verband tussen geloof en gezondheid in de vorm van gebedsgenezingen.

Al met al werd de kerk in deze periode wakker geschud met zowel leegloop als nieuwe bewegingen.

Vaderhart

Jaren ’80-’90 Onze Vader in de hemel

Toen braken de jaren tachtig en negentig aan en zagen wij een bijzondere interesse ontstaan voor het vaderhart van God. Denk aan het gelijknamige boek van Floyd McClung. Kom zoals je bent, luidde de boodschap, en weet hoe kostbaar je bent in Gods ogen. Het geloof in een oneindige verdoemenis raakte in verval, want het beeld van een liefhebbende vader bleek nauwelijks te combineren met de gedachte van een oneindige straf. Velen hielden (en houden) zich vast aan de gelijkenis van de verloren zoon, waarin de vader op de uitkijk blijft staan.

Dit is ook de periode waarin menig kerk zich laat inspireren door het succes van Amerikaanse megakerken als Willow Creek, Saddleback en de Crystal Cathedral. Tegelijk nemen anderen juist afstand van welk kerkinstituut dan ook en zoeken hun toevlucht in de kleinschaligheid en informele setting van een huisgemeente. Maar hoe de gelovigen zich ook (re)organiseren, tegelijk zetten zij in op de “oecumene van het hart”. Moe van hun eigen verdeeldheid zoeken kerkverbanden elkaar op om op een dieper niveau de eenheid te vieren.

En dan was er de Toronto Blessing, begin jaren negentig, die een boost gaf aan de charismatische beweging in Nederland. Opvallend aan de Toronto Blessing was, dat deze weliswaar bekend werd vanwege verschijnselen als vallen in de Geest, maar eigenlijk draaide om de openbaring van Gods vaderhart.

Zo kwam de relationele kant van het Evangelie in deze periode centraal te staan: horizontaal en verticaal verdiepte ons besef dat wij allen kinderen van één Vader zijn. Ónze Vader.

Gerechtigheid

Jaren ’00-’10: Uw koninkrijk kome

In het nieuwe millennium brak vooral in de kleinere denominaties het besef door, dat de kerk meer te doen heeft dan zich om haar eigen kudde te bekommeren. Onder leiding van theologen als N.T. Wright mag het Evangelie volop op aarde landen. Biologisch en fair trade, naastenhulp en voedselbank; de kerk wil maatschappelijk een steentje bijdragen en verlangt naar ‘het Koninkrijk en zijn gerechtigheid’ in het hier en nu. Maar geen wereldverbeterende massademonstraties à la de jaren tachtig. Organisaties als Present, HiP, GIDSnetwerk en Youth for Christ moedigen christenen aan zich in te zetten voor de eigen stad.

Tegelijk raken veel gelovigen meer geïnteresseerd in kerk-zijn dan in kerk-bezoek. Een netwerk-christendom krijgt gestalte, waarbij men elkaar steeds makkelijker buiten de bestaande instituten weet te vinden. Traditionele kerkverbanden zien het gebeuren en besluiten steun te geven aan alternatieve vormen van kerk- en christen-zijn.

Al met al begint het ons te dagen dat de kerk nog altijd een factor van betekenis kan zijn, maar dat dit een ondernemende geest en open houding naar de samenleving vraagt.

God is God

Jaren ’20-’30: Uw wil geschiedde

Wat nu? De jaren twintig en dertig moeten nog aanbreken. Wat begon met de kracht van bekering werd aangevuld met een hernieuwd besef van Gods vaderhart. Daarna volgde een nieuwe waardering voor de maatschappelijke rol van de kerk. Wat valt er nu nog te ontdekken?

Nog één grote uitdaging staat ons denk ik te wachten. Hoe voorkomen we dat ons hetzelfde overkomt als de grote protestantse kerken in de jaren zeventig en tachtig? Ook zij beseften de betekenis van relationeel denken en maatschappelijke relevantie, maar velen kregen het te druk met goede werken om God nog nodig te hebben. Ook in onze tijd loert dit gevaar, al ziet het er net wat anders uit: postmoderner en meer vanuit een minderheidsbesef.

Het Nederlandse christendom kan alsnog verliezen wat zij in de afgelopen decennia heeft ontdekt, indien zij niet radicaal leert leven vanuit het besef dat God God is. Dat ons vertrouwen in Hem belangrijker is dan ons begrip van Hem, en dat al onze inspanningen tevergeefs zijn als Hij het huis niet bouwt. De ‘laatste’ uitdaging die ons nog te wachten staat, is het opgeven van onze controlemechanismen en leren beschikbaar te zijn voor God.

Deïsme van goede werken

Welke controlemechanismen moeten we dan leren loslaten?

  1. De feilloze bijbel als waarheidsgarantie. Wat als het in de bijbel niet om foutloze concepten draait, maar om het proeven van Gods goedheid en het ontwikkelen van Godsvertrouwen?
  2. De belijdenis als gemeenschapsgarantie. Wat als God de schapen niet van de bokken scheidt op basis van concepten, maar op basis van de weldaden die wij anderen bewijzen (Matteüs 25)?
  3. De opleiding als leiderschapsgarantie. Wat als het toekomstig leiderschap vooral afhangt van voorbeelden die inspireren en veel minder van gediplomeerden die instrueren?
  4. Gehoorzaamheid als geluksgarantie. Wat als het Evangelie niet begint bij onze kracht (ons vermogen tot gehoorzaamheid), maar bij onze zwakheid, daar waar ons kunnen eindigt?
  5. Bijbelse principes als succesgarantie. Wat als seculiere mensen dezelfde principes verkondigen, maar dan zónder bijbelverzen?

Hoe raar het ook klinkt, het grootste gevaar dat ons bedreigt is een ‘deïsme van goede werken’: wij die aan onze gehoorzaamheid en wat goddelijke concepten genoeg hebben om het ware, schone en goede op het spoor te komen. Zelfs de werking van de Geest kan tot principe worden gereduceerd.

Mijn genade is jou genoeg

Er gebeuren mooie dingen in de Kerk van Nederland, maar we zijn er nog niet. Onze ‘laatste’ opdracht is, denk ik, dat wij de volgende twee vragen doordenken en doorleven:

Wat als de waarheid een Persoon is en geen concept?

Wat als de kerk een Lichaam is en geen instituut?

Een concept is juist of onjuist en kan botsen met de concepten van andere kerken, maar aan de waarheid als Persoon kun je je gezamenlijk verbinden; je kunt eraan twijfelen, maar jezelf er ook weer aan leren overgeven.

Een instituut kan failliet gaan of fuseren, en een gevangene worden van zijn eigen statuten; maar een Lichaam kan vallen én door God weer worden opgericht om beschikbaar te zijn voor welk werk dan ook.

Het lijkt erop dat het Nederlandse christendom nog één ding rest: de omarming van het ‘Uw wil geschiedde’ vanuit het ‘Mijn genade is jou genoeg’. Want het beste wat ons kan overkomen hebben wij zelf niet in de hand: Gods werkzaamheid door ons heen, waardoor dingen gebeuren die geen mens in staat is te doen. We hebben geen Kerk nodig om dat te doen wat ieder welwillend mens kan doen, maar om dat te doen wat alleen God kan doen.

Beschikbaar zijn, daar kon het weleens om draaien. Beschikbaarheid vanuit een ‘vrede die alle verstand te boven gaat’, vanuit de mildheid van de Bergrede, vanuit een bewogenheid over dat wat God beweegt, vanuit de betrouwbaarheid van het stug volhouden, vanuit onderlinge broederschap en vanuit een naastenzorg voorbij de schuldvraag.

Pas wanneer de krimpende kerk met lege handen durft te staan en leert te leven vanuit het gebed van Franciscus, ‘Maak mij een instrument van Uw vrede’, zal haar het volle Evangelie overkomen.

Evert Jan Ouweneel is cultuurfilosoof. Dit artikel is een ingekorte bewerking van de lezing die hij op 5 juni uitsprak tijdens het jaarlijkse congres van Missie Nederland (voorheen EA-EZA).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *