Henk Abbink is rechter. De ‘eenvoudige jongen uit Hengelo’ noemt zich een vredestichter. Met het beeld van God als rechter kan hij prima uit de voeten. ‘Het oordeel is onderdeel van het blijde Evangelie.’

tekst Wilfred Hermans beeld Albert Jan ten Napel

Henk Abbink (59) is een grote man met pretogen en brede schouders. Schouders die een grote verantwoordelijkheid dragen: zijn officiële titel is senior raadsheer bij het Gerechtshof Arnhem, dus wie na een rechtszitting in hoger beroep gaat, komt bij hem terecht. Ook privé speelt Abbink geregeld voor rechter. Als het spannend wordt, mag hij de boel sussen. Dat doet hij met plezier, want Henk houdt wel van een stevig meningsverschil. Sla maar eens met de vuist op tafel. Niet dat hij een ruziezoeker is, maar het klaart de lucht. Je kunt weer samen verder. Toen de rechter kerkenraadslid was, vond men hem dan ook uitermate geschikt om moeilijke boodschappen over te brengen.

“Ik heb een rem, maar als die eraf is, ben ik ook in staat iemand een knal voor z’n kanis te geven”

Abbink is christelijk opgevoed. Op zijn zeventiende ging hij de deur uit, hij studeerde vijf jaar later af. Na de verplichte militaire dienst ging hij in het strafrecht aan het werk. “Mijn interesse voor recht en onrecht is aangewakkerd door het lezen van Tolstoj. Daardoor dacht ik: wat is er toch veel onrecht in de wereld, daar moet wat aan gedaan worden. In het strafrecht was toen – begin jaren zeventig – geen droog brood te verdienen. Het geld werd in het civiele recht verdiend. Daarom ben ik in twee hoofdrichtingen afgestudeerd. Ik wilde officier van justitie worden, geen rechter. Die droom ging niet door, dat was een harde les.”

“Rechters zijn mensen die wikken en wegen, alle argumenten moeten op tafel. Je zult ze dus eerder in het politieke midden vinden dan aan de flanken. Gelukkig beslissen we met z’n drieën, en in 99 procent van de gevallen lukt dat. Zo niet, dan is het twee tegen één. Verder moet je als rechter een tikkeltje eigenwijs zijn, en niet te goedgelovig. Je hebt altijd het laatste woord, en dat kan karakterbedervend zijn; de verleiding is dat je denkt altijd gelijk te hebben, want je krijgt het altijd. Nee, ik neem dat niet mee naar huis. Iets anders wel, namelijk dat ik dingen normaal ga vinden die mijn vrouw verre van normaal vindt. Strafrecht gaat over bloed, seks en geweld, zeg ik weleens. Ik lees en hoor de meest verschrikkelijke dingen. Zo kan een soort beroepsdeformatie optreden, dat ik denk: aha, dus zó kun je ook iemand doodmaken. Dat vertel ik dan in geuren en kleuren op een verjaardag; ‘een leuke zaak’, noemen we dat. ‘Dat is helemaal niet leuk, maar verschrikkelijk!’, zegt mijn vrouw dan. ‘Zag je niet dat ze jou met open mond aankeken?!’” “Nee, ik lig nooit wakker van een zaak. Toch blijven sommige zaken me altijd bij. Twee jongens, 19 en 21. Hun ouders maakten carrière en waren schatrijk, maar waren altijd weg. Ze kochten dat af met geld. Hun zonen waren affectief verwaarloosd, maar trokken met hun geld foute vrienden aan. Ze raakten verslaafd aan heroïne en hadden op een gegeven moment zo veel geld nodig, dat ze gewapend een pompstation overvielen. Al lezend dacht ik: die ouders hadden terecht moeten staan. Ik heb zelden medelijden met verdachten, maar met die jongens wel; je zult maar in zo’n nest geboren worden. Iedereen dacht: wat een mooi leven, maar ze waren doodongelukkig.

Zo is er nog een zaak, van een moordenaar van wie ik vond dat ze niet gestraft hoefde te worden. Een jongedame had twee broers die goed konden leren. Zij niet. Haar ouders gaven altijd hoog op van hun zonen, maar zij hing erbij. Op verjaardagen moest zij met de spullen slepen. Eenmaal op kamers kon ze zich niet redden, raakte verslaafd en werd uiteindelijk prostituee. Ze kreeg een dochtertje – ik weet nog hoe ze heet. Ze had alleen nog contact met oma, bij wie ze met haar dochtertje iedere week ging eten. Toen ging oma dood. Compleet radeloos besloot ze zelfmoord te plegen. Ze werkte twee weken keihard, kocht een enorme portie heroïne en injecteerde zowel haar vierjarige dochtertje als zichzelf. Na twee dagen werd zij wakker, maar haar dochtertje lag bijna zwart naast haar. Moord, met voorbedachten rade. Twaalf, vijftien jaar, riep iedereen. Leek mij onterecht. Redelijk snel besloten we tot drie jaar. Wie dat in de krant leest, schreeuwt moord en brand, maar als je de achtergrond weet, praat je anders. Er sprak zelfs liefde uit haar daad, want ze had haar kind veel te veel gegeven, waardoor zijzelf weer wakker werd.

Helaas hoor ik zelden nog iets van veroordeelden, en hen opzoeken is niet professioneel. Zo iemand zou ik het Evangelie willen vertellen; die overvallers net zo goed. Ze zijn op alle fronten liefde tekortgekomen, maar God heeft wel belangstelling voor hen, en ik kan hun dat vertellen… Ik heb weleens overwogen dominee te worden. Om toch iets voor gevangenen te doen, zit ik in de Raad van Toezicht van Gevangenenzorg Nederland.”

“Je kunt misdaad op verschillende manieren benaderen. In de Sovjet-Unie bestond geen criminaliteit; criminelen waren ziek en werden in instellingen opgesloten. De andere visie is: het ligt aan de opvoeding. Als je mensen maar goed opvoedt en onderwijst, komt het goed – de D66-opvatting. Dat is niet waar, want ook goede mensen doen slechte dingen. In beide gevallen gaat men ervan uit dat de mens goed is, maar vanuit de Bijbel weten we dat dit niet zo is.

Ik ben geen haar beter dan de daders die bij mij voor het hekje staan. Primair zie ik hen als zondaren, en door de zonde gaat de zaak kapot. Ik heb een rem, maar als die eraf is, ben ik ook in staat iemand een knal voor z’n kanis te geven. En als mijn vrouw of kinderen wat overkomt, mag de dader dankbaar zijn als de politie hem eerder te pakken heeft dan ik. Die houding beïnvloedt mijn werk; je brengt jezelf en je normen en waarden mee, ook al corrigeer je elkaar. Ik begrijp daders misschien sneller, maar dat wil niet zeggen dat ik hun daden door de vingers zie. Als die jongens verkering krijgen en hun vrouw raakt zwanger, is dat vaak een natuurlijk moment om te zeggen: en nu ben ik het zat. En als je vraagt wat ze het liefst willen, dan zeggen ze: een vrouw, werk en een huisje. Strenger straffen helpt niet, want zeventig procent gaat weer de fout in. Dat geldt voor kleinere misdrijven – mensen die hun verslaving moeten onderhouden – niet voor moord en verkrachting. Overvallen zijn bijvoorbeeld niet te voorkomen door strenger te straffen, ook niet als afschrikmiddel. Vaak wordt een overval in een opwelling gepleegd door jongens rond de twintig die verslaafd of in geldnood zijn. Ze trekken een sok met wat gaten over hun kop en rennen naar binnen. Omdat er steeds vaker gepind wordt, zijn openbare gelegenheden niet meer populair. Woningovervallen zijn nu ‘in’. Vier à vijf jaar is dan een gebruikelijke straf. In de jaren tachtig was dat ondenkbaar. Mensen die zich enorm opwinden over lage straffen zijn vaak slecht geïnformeerd. Van de 27 landen van de Europese Unie straffen er maar twee zwaarder dan wij. Strafrecht is strikt genomen: vergelding. Maar je hebt meerdere strafdoelen, bijvoorbeeld: resocialiseren. Iemand die op zijn achttiende een stevige jeugdzonde begaat, moet je die tot zijn dertigste vastzetten? Die komt verbitterd uit de gevangenis en is kansloos op de arbeidsmarkt. Natuurlijk vinden slachtoffers iedere straf te laag. ‘Aan de hoogste boom. Wij hebben levenslang’, zeggen ze dan. Dat is ook zo, maar als dat de maatstaf wordt, is het geen rechtspraak meer. Ikzelf vind de grens: kan de maatschappij ermee leven?”

“Als je goed in je vak bent, heb je ook op andere terreinen wat te zeggen”

Abbink deed de Puttense moordzaak, toen deze voor de tweede keer in hoger beroep werd behandeld. Vanwege het onterecht veroordelen van twee mannen staat de zaak bekend als een grote gerechtelijke dwaling. Was hier sprake van machtsmisbruik? “Rechters zijn heel voorzichtig, en je doet het altijd met z’n drieën. In het geval van de Puttense moordzaak hebben de rechters hun macht niet misbruikt; wel had de politie gemanipuleerd bij het verhoor en informatie gesuggereerd, wat de toenmalige verdachte heeft verleid tot het afleggen van de bekentenis. Gek genoeg hebben we voor een verkrachting en moord nog nooit zo veel bewijs gehad; een moordenaar die bekent is al uniek, een verkrachter die bekent heb ik nog nooit meegemaakt. Hier hadden we twee mannen die én een moord én een verkrachting bekenden, en twee anderen zeiden: ‘Wij hebben het gezien.’ Stel dat de rechtbank de verdachten had vrijgesproken. Dan had het publiek gedacht: hebben ze een gaatje in hun hoofd?! Schreeuwende koppen in De Telegraaf. Als ik de eerste, foutieve veroordeling had gedaan, dan zou dat mij nooit meer loslaten. Maar ik begrijp hun oordeel van destijds. De druk op de rechtspraak om snel tot een strenge straf te komen is veel groter dan vroeger, en iedereen doet daaraan mee. De boef moet gepakt – klaar. Is er een verdachte, dan roepen de media direct: ‘We hebben ’m!’ Die druk voelen we, hoewel niemand ons rechters kan ontslaan, dus onze baan staat nooit op het spel. We zijn onafhankelijk, dat is het aardige.”

“Ik hoef mijn christelijke principes nooit te verloochenen, en mijn collega’s weten dat ik christen ben. Toegegeven: ik koketteer er een beetje mee, ik leg het er soms dik bovenop. En ik praat er ook over, bijvoorbeeld over zonde, de onverbeterlijkheid van mensen. Ze vinden mij zwaar orthodox, hoewel ik dat kerkelijk gezien niet ben. Toen ik hier in 1998 in Arnhem begon, werd meteen duidelijk dat ik christen was. Prins Maurits trouwde dat jaar met de katholieke Marilène, en heel Nederland discussieerde toen over de vraag of Beatrix, destijds koningin, wel of niet aan de eucharistie moest deelnemen. Tijdens de gezamenlijke lunch werd aan mij, de nieuweling, gevraagd: ‘Henk, wat ben jij eigenlijk van huis uit?’ Ik zeg: ‘Zondaar. Maar Goddank een verloste zondaar.’ ‘Wat zegt-ie nou?’, werd er gefluisterd. Ze wilden natuurlijk weten welke kerkelijke achtergrond ik had. Ik zag dat als ingeving van de Heilige Geest. Op de Vrije Universiteit gaf ik zestien jaar lang gastcolleges aan zo’n tachtig advocaten; Moszkowicz, Kraal, Plasman, die jongens. Daar ging het net zo. Ik zocht altijd een bijbeltekst op die bij het college paste. Ging het over de ‘ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel’, het terugbetalen van de buit, dan zei ik: ‘U denkt dat dit iets nieuws is, maar het is al heel oud. Het staat al in Deuteronomium, in de wet die Mozes van God kreeg. We zijn aan de VU, dus u weet dat allemaal.’ In de pauze kwamen altijd mensen naar me toe die voorzichtig vroegen: ‘Bent u gelovig? Gaat u naar de kerk?’ Ik zeg: ‘Ja, u ook?’ Dan zeiden ze nee. Ik zeg: ‘Hoe komt dat dan?’ Ja, je moet altijd uitleggen waarom je christen bent, en veel christenen raken dan in de problemen, want je kunt niet bewijzen dat God bestaat. Ik draai het altijd om. Dan zeiden ze: ‘Ik ben er niet mee opgevoed.’ Ik zeg: ‘Dat geeft niks, u kunt het nu nog leren. Dat is heel belangrijk, want geloven is een kwestie van leven of dood.’ ‘Nou, ik heb daar geen belangstelling voor.’ ‘Daar begrijp ik niks van’, zei ik dan. ‘U weet niet wat het is, en ik zeg u dat het een kwestie van leven of dood is. Dan is het op z’n minst de moeite waard er u eens in te verdiepen.’ Of ik bang was daardoor niet serieus genomen te worden? Nee. Als je goed in je vak bent, heb je ook op andere terreinen wat te zeggen. Daarom moet een christen een vakman zijn.”

“Het beeld van God als rechter vind ik uitermate geruststellend; dat uiteindelijk iedereen verantwoording moet afleggen. De Janjaweed in Darfur, Hitler die zichzelf een kogel door de kop joeg en dacht: nu ben ik ervan af. En zo’n Mugabe in Zimbabwe; hij ontloopt zijn straf bij het Internationaal Strafhof in Den Haag, zolang hij aan de macht is. Daarom móét hij aan de macht blijven. Net als die Bashir van Sudan. Ook voor slachtoffers van nooit opgeloste misdaden lijkt me een eindoordeel geruststellend. Het oordeel is onderdeel van het blijde Evangelie, goed nieuws. Het oordeel van ons rechters is voorlopig, een tijdelijke oplossing, misschien niet eens rechtvaardig; ik kan alleen de buitenkant zien.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *