Zeven dagen uit het leven van ervaren gelovigen. Welke lessen willen zij, nu ze wat ouder zijn en soms door het leven getekend, graag doorgeven aan volgende generaties?

tekst Wilfred Hermans beeld Albert Jan ten Napel

Toen vorig jaar een naamgenoot overleed, moest Willem Aantjes (1923) via Twitter bevestigen dat hij leeft. Springlevend is ‘ie, de voormalig fractievoorzitter van de ARP en het CDA. Alleen ziet hij door een oogziekte nog maar met één oog, voor dertig procent. Recent begroef hij zijn oudste broer die 94 werd; sindsdien heeft hij pas het idee dat het bij hemzelf ook ooit eindigt. Aantjes telt zijn zegeningen, en “de belangrijkste staat nu in de keuken”. Ineke, zijn dertig jaar jongere vrouw én mantelzorger: “Iemand anders beschikt over hoe lang ik nog leef, maar zij verlengt het.”

1: De dag dat Rotterdam werd gebombardeerd

“Mijn ouders waren geen zware bonders, maar wel trouwe leden van de Gereformeerde Bondskerk in Bleskensgraaf. Aan de bijbelkennis die ik aan die tijd heb overgehouden, heb ik ontzettend veel gehad in mijn politieke werk.
Thuis voerde gevoel niet de boventoon. Er moest gewerkt worden en we moesten veel zelf doen. De band met mijn moeder was sterker dan die met mijn vader, hoewel mijn vader een emotioneler persoon was dan mijn moeder. Bij het ouder worden zie ik daar steeds meer de waarde van in, maar vroeger was een beetje soft zijn niet gangbaar. Ik weet nog dat een vriendinnetje van mijn zus heel jong aan tuberculose is overleden. Mijn vader stond erbij te huilen, maar mijn moeder zei: ‘Het is natuurlijk verschrikkelijk, maar een mán die erbij staat te huilen…?!’
Later, in de meidagen van 1940, kon ik vanuit Bleskensgraaf het bombardement op Rotterdam zien. De eerste dagen van het bombardement ging ik per fiets naar Rotterdam, waar ik aan het gymnasium studeerde. De stank in die brandende stad vergeet ik nooit meer; er lagen lijken onder de gebouwen, en het was prachtig weer. De brandweer probeerde die huizen nat te houden, het water liep er rood weer uit. Afschuwelijk.”

2: De dag dat ik Ineke ontmoette

“Praten is volgens mij het geheim van een goed huwelijk. Of dat mis ging in mijn eerste huwelijk? Daar wil ik het liever niet over hebben, dat is geen leuke tijd geweest. Mijn kinderen zeggen over die periode: werd er maar gepraat, er werd alleen maar gezwegen. Het was een harde les. Mensen vragen verbaasd hoe je na veertig jaar nog kunt scheiden, maar het was een heel geleidelijk proces van vervreemding. Ik stelde de verkeerde prioriteiten. Werken in de politiek is funest als je het niet goed weet te combineren met het thuisfront. Ik was er nooit bij het avondeten; als ik thuiskwam, lagen de kinderen op bed. Als ze ’s ochtends naar school gingen, riep hun moeder: ‘Ssst, pa slaapt nog!’ Laat naar bed, laat opstaan, desastreus. Het is goedkoop om te zeggen dat ik het achteraf anders had willen doen; als het erop aankwam, was ik er. Het is maar goed dat zij uiteindelijk de knoop heeft doorgehakt, want ik dacht destijds: een scheiding kan ik me als politicus niet veroorloven.
Een paar jaar later ontmoette ik Ineke. Zij is een generatie jonger, zoals je hebt gezien. Ze heeft zich bekwaamd in de mantelzorg van deze oude heer. Het voordeel van getrouwd zijn met zo’n jonge vrouw? Dat is een eenzijdig voordeel. Ik had eigenlijk niet meer willen trouwen; je weet dat zij normaliter nog een hele tijd alleen verder zal moeten. Of we nog ruzie hebben? Nee, we hebben alles uitgevochten vóór we trouwden. Dat beveel ik altijd aan: maak ruzie vóór je trouwt, daarna niet meer. Je moet niet zeggen: ach, als we getrouwd zijn, gaan die problemen wel over. Maar onze ruzies na het trouwen zijn niet eens op twee handen te tellen. Dat is aan Ineke te danken, want voor ons huwelijk had ik de neiging dicht te slaan als het schuurde. ‘Doe je mond open, je zult praten!’ zei ze dan. Dat heeft goed gewerkt.”

3: De dag van mijn Bergrede

“Er zou nooit een kabinet Aantjes zijn gekomen; mijn hart lag in het parlement, je moet je grenzen kennen. Toch heeft iedere politicus naast idealen ook ambities, want zonder ambities kom je er niet; de politicus die zegt ze niet te hebben, liegt dat ‘ie barst. De vraag is: staan je idealen in dienst van je ambities, of staan je ambities in dienst van je idealen?
Mijn politieke visie is vooral bekend geworden door wat mijn ‘Bergrede’ is genoemd. Het past bij de gelijkenis van de Goede Herder. Die 99 zijn echt wel eerst veilig onder de hoede van de herdershond gebracht, maar het hárt van de herder ging uit naar die ene. Zo hoort politiek te zijn. Bij wetsontwerpen vroeg ik vaak: wat is voor de mensen die het van deze wet moeten hebben het verschil als het wordt zoals de regering het wil, of zoals jij het wil?’ Een heel goed criterium.
Het is geen kwaaie wil, hoor, maar binnen het CDA wordt helaas onderschat hoe de Bijbel hierbij een richtsnoer kan zijn. De wereld hunkert naar christelijke politiek, zei ik in mijn Bergrede. Man, er zijn bijbelverhalen waar je zó goed politieke richting aan kunt ontlenen! In 1 Samuël 15 staat het verhaal van koning Saul, de gezalfde des Heren. Hij deed alles wat God wilde, en opeens staat er: ‘Ook richtte hij een gedenkteken voor zichzelf op.’ Nou, dan gaat het fout. Nog een bijbelvers, Jesaja 50: ‘Hij wekt mij het oor, elke morgen, opdat ik als een leerling hore.’ Elke dag moet je weer een antwoord vinden. Dus niet: onze vaderen hebben het zo gedaan, of: wat een verval!, maar wij moeten antwoorden vinden op de problemen van vandaag! In de ochtend werpt de zon een heel andere schaduw dan om vier uur ’s middags; niet dat de zon dus niet betrouwbaar zou zijn, maar de aarde is gedraaid. Dat is de basis van het compromis.”

Dag 4: De dag van de val*

“Mensen zijn altijd erg geïntrigeerd door deze zaak. Wat ze van mij als politicus vonden, bepaalt hoe ze naar deze zaak kijken. Maar uit allerlei onderzoeken is gebleken dat Loe de Jong ernaast zat toen hij zei dat ik SS’er zou zijn geweest. Dat zeg ik niet om mezelf schoon te praten, het is onderzocht. Hij heeft het één keer halfslachtig toegegeven, verder nooit. Ik wilde er graag met hem over praten, maar dat had volgens hem geen enkele zin. Ik ben daar niet haatdragend over geweest. Elk mens vergaloppeert zich weleens; het is alleen lullig dat ik daar het slachtoffer van ben geworden, en dat De Jong er niet over wil praten. Hij heeft een eigen normbesef. Zijn hele oordeel over mensen is gebouwd op het dilemma goed-fout. Daarmee oordeelt hij op symbolen. Ik heb daarvan geleerd: oordeel niet op symbolen, maar op feiten. Wat bepaalt of iets goed of fout is? Als iemand met de letters SS in verband wordt gebracht, moet je vervolgens wel kijken wat de feiten zijn.
Ik ben een man met een juridisch geweten. Ik zeg: wat niet bewezen is, heeft niet bestaan, ook als dit in mijn eigen nadeel zou zijn. Wat mij nu nog het meest steekt, is dat Loe de Jong het niet op kon brengen om te zeggen dat hij ernaast zat. Helaas leeft hij niet meer. Maar ik ben niet rancuneus, echt niet. De levensles die ik hiervan leerde, is: wees niet bang voor mensen die je iets te verwijten hebben, maar voor mensen die iets aan je te danken hebben. Ik neem mensen die iets aan mij te danken hebben het een beetje kwalijk dat ze mij niet gesteund hebben in die periode. Nee, geen namen, dat had je gedacht. Tegelijk waren er politieke vijanden die het wél publiekelijk voor me opnamen, terwijl ze ook blij hadden kunnen zijn dat ik een opdonder kreeg. Of ik nu nog vijanden heb? Vast wel, maar niet dat ik weet. Ik ben een ongevaarlijke man geworden.
Je moet jezelf voortdurend toetsen aan de hand van criteria die in alle situaties toepasbaar zijn. Dat is het levensmotto dat mij in de oorlog geholpen en na de oorlog overeind gehouden heeft. Rondom mijn val heb ik mezelf afgevraagd: deugen je motieven? Ja. Dien je er onbedoeld verkeerde zaken mee? Nee. Schaad je er de goede zaak mee? Nee. Loop je risico’s? Ja. Jij, of anderen ook? Alleen ik. Nou dan. Nou dan! Wat verbééldt zo’n De Jong – die ik niet haat – zich dan? Hij oordeelt op symbolen, niet op feiten; die les van mij zal Sybrand Buma nooit vergeten, vertelde hij me op mijn negentigste verjaardag. Nou, dan laat je toch wat na, hoor.”

5: De dag dat mijn kleindochter overleed

“Op haar achttiende is mijn kleindochter Sigrid overleden aan koolstofmonoxidevergiftiging in haar studentenflat. De avond na de reparatie van de geiser zag de onderbuurman water door het plafond komen. Hij rende naar boven, zag dat er licht brandde en hoorde de radio. Hij belde aan, maar er werd niet opengedaan. De direct gealarmeerde brandweer brak de deur open, maar ze was al dood. Bij de aanleg van de geiser was de aan- en afvoerleiding verwisseld. Mijn zoon Klaas belde me half zes in de ochtend met de mededeling. Nóg schrikt hij zich rot als er ’s ochtends vroeg gebeld wordt. ‘Ik heb nog een zoon’, zegt hij dan.
Ik had een speciale band met Sigrid; ze was op m’n verjaardag geboren. Maar als je me vraagt wat mijn grootste verdriet is, is dat niet het overlijden van mijn kleindochter Sigrid, maar het verdriet wat mijn eigen kinderen daarover hebben. Daar sta je machteloos bij, terwijl ik iemand ben die graag de touwtjes in hánden heeft! Je kunt als vader niks doen dan er gewoon zijn; hopen en bidden – dat is dan de standaard uitdrukking – dat je zoon en schoondochter elkaar niet verliezen, wat gelukkig niet is gebeurd. Mijn geloof is er niet door veranderd. Ik vind het goedkoop om God verwijten te maken; hoe kan ik in die raadsels kijken? Zelfs de monteur verwijt ik niks, hij doet het toch ook niet expres?”

6: De dag dat ik voorzitter werd van de Patiënten Klachten Commissie

“Er zijn uitzonderingen, maar in beginsel zeg ik dat je vrijwilligerswerk als een morele plicht moet zien als je betaald werk hebt. Het verrijkt je enorm. Tijdgebrek? Iedereen heeft toch een weekend?
Ikzelf heb vrijwilligerswerk lang afgewezen, totdat ik inzag dat dit eigenlijk niet kon. Ik ben daarna dertig jaar bestuurslid geweest van Zon & Schild, een psychiatrische instelling. De confrontatie met mensen die buiten de samenleving staan en eigenlijk niet als volwaardig burger worden beschouwd, heeft veel voor mijn politiek werk betekend. Ik heb ervoor gezorgd dat er een stembureau op Zon & Schild kwam, al hadden sommigen daar hun bedenkingen bij. Dat was een groot succes, en iedereen wist hoe het bureau daar gekomen was. Opvallend: ik kreeg dat jaar maar één voorkeurstem vanuit Zon & Schild. Ik zei: zie je nou wel dat deze mensen heel goed zelf kunnen nadenken? Je zou de mensen búiten Zon & Schild de kost moeten geven die stemrecht hebben maar eigenlijk niet toerekeningsvatbaar zijn. Ik word er nóg kwaad over…
Op mijn zevenstigste moest ik stoppen. Een half jaar later belde de directie met de vraag of ik voorzitter van de Patiënten Klachten Commissie wilde worden. Ik zei: ‘Graag, maar dat kan niet; ik heb in de ogen van de cliënten dertig jaar aan de managementkant gestaan, dus ik ben niet onafhankelijk.’ Toen zei de directeur: ‘Dat dachten wij ook, maar het is een voorstel van de patiëntenraad. Zij willen jou hebben.’ Dat is één van de ontroerendste ervaringen uit mijn leven, dat die mensen begrepen hebben waar mijn hart lag…”

Dag 7: De oordeelsdag

“Het is heel moeilijk om het beeld dat ik heb meegekregen, kwijt te raken: een Vader in de wolken op een rechterstoel, en daarnaast Jezus die voor jou pleit; want God Zelf leest alleen maar voor wat er niet deugt – en dat is nog meer dan je zelf beseft. Al die constructies… Maar ik geloof wel in een oordeel, hoewel dat beroepsdeformatie zou kunnen zijn. Ik heb mijn hele leven verantwoordelijkheid moeten dragen, daar til ik zwaar aan. Ik ben opgevoed met het idee: zelf je keuzes maken, geen verantwoordelijkheid zonder verantwoording.
Dogma’s als de scheppingsdagen en de drie-eenheid – die volgens mij bedacht is door een paar oude heren in Nicea – geloof ik niet meer. Ik denk dat het constructies zijn, maar ik weet het niet, joh; jij ook niet. Eén ding weet ik zeker: we zullen nooit weten hoe het zit – ook al wordt het als een zaak van leven en dood erin gestampt dat je dat wél moet weten. Het staat me tegen om te zeggen ‘ik geloof dat er iets is’; als er íets niet is, dan is het iets, maar ik kan me er geen beeld van maken. Mijn geloof hangt er niet vanaf. Wat wel onopgeefbaar is? Vertrouwen. Ik roep altijd heel hard – vooral tegen mezelf – dat ik het angstgeloof heb ingeruild voor een vertrouwensgeloof. Ik vertrouw erop dat het eindoordeel berust bij Iemand die milder over me zal oordelen dan ik weet dat ik verdien. Van je eigen verdiensten moet je het niet hebben. Dat zit er van vroeger nog in, en dat is maar goed ook. Mijn beroemde Bergrede eindigt met het gegeven dat we keuzes moeten maken in het leven. ‘Adam, waar zijt gij?’, ofwel ‘Mens, waar sta je, welke keuzes maak je?’ Daar begon het leven mee, en zal het leven ook mee eindigen. Er wordt ons dan niet gevraagd ‘Hoeveel heb je verdiend?’, maar ‘Hoe goed heb je gediend?’”

De uitgebreide versies van de interviews in Levensdagen zullen in de loop van 2016 gebundeld worden in een boekuitgave die verschijnt bij uitgeverij Buijten & Schipperheijn. 

* ‘De val van Aantjes’: Aantjes trad in 1978 af als kamerlid en fractievoorzitter voor de ARP nadat historicus Loe de Jong live op tv meldde dat Aantjes lid zou zijn geweest van de SS. Een half jaar later bleek dit een vergissing: Aantjes had zich aangemeld bij de Germaanse SS (hij weigerde uiteindelijk om daadwerkelijk dienst te nemen) omdat de opleiding daarvoor in Nederland plaatsvond; het SS-lidmaatschap leek de enige manier om Duitsland (waar hij moest werken) te kunnen ontvluchten.

10 Levenslessen van Willem Aantjes

1. Maak ruzie vóór je trouwt, daarna niet meer.
2. Oordeel niet op symbolen, maar op feiten.
3. Wees niet bang voor mensen die je iets te verwijten hebben, maar voor mensen die iets aan je te danken hebben.
4. Stel jezelf de vraag: staan je idealen in dienst van je ambities, of staan je ambities in dienst van je idealen?
5. Je moet je keuzes niet alleen voor jezelf kunnen verantwoorden, maar ook aan anderen kunnen uitleggen.
6. Het volk is er niet voor het gezag, maar het gezag is er voor het volk. Waar dit uit het oog verloren wordt, is het tijd voor een wisseling van de macht.
7. Wees als de Goede Herder; die 99 zijn belangrijk, maar je mag die ene niet verwaarlozen.
8. Doe naast je vaste baan altijd vrijwilligerswerk. Het is je morele plicht en het verrijkt je leven.
9. Als je samen een groot verdriet moet verwerken, helpt het niet om je aan elkaar vast te klampen; gun ieder z’n eigen verwerkingsproces.
10. Je moet jezelf voortdurend toetsen aan de hand van criteria die in alle situaties toepasbaar zijn.

 

One thought on “‘Ik heb mijn angstgeloof ingeruild voor een vertrouwensgeloof’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *