Cees Pols in de rubriek Makers over zijn nieuwe roman ‘De Hef ziet alles’.

‘Mijn nieuwe roman De Hef ziet alles gaat over twee jongens van Rotterdam-Zuid. Ze wonen op het Katendrecht van net na de oorlog. Het was de rosse buurt van de haven. Er werd gevochten en gezopen, maar de prostitutie was er nog niet commercieel, het ging er nog vrij gemoedelijk aan toe. De hoeren werkten vaak in kamertjes in- of achter het huis. Iedereen verdiende er wel wat aan. In die wijk groeit de tweeling op. De oudste was verwacht, voor hem was een naam bedacht. Op de jongste was niet gerekend. Uiteindelijk noemen zijn ouders hem maar Ruurd. De jongens zwerven door Rotterdam-Zuid en ook vaak over de markt onder het spoorviaduct in het centrum.

Mijn boeken ontstaan vanuit een beeld dat me niet meer loslaat. Zo verging het me ook met  de oude spoorbrug, die Rotterdammers De Hef noemen, en vroeger hoogste plek van Rotterdam was. Tegenwoordig ligt hij verzonken tussen de hoogbouw. Het is een prachtig ambachtelijk ding, met al die klinknagels. De Hef was een symbool voor de jongens. Vooral als hun vader hen waarschuwde, zoals vaders dat doen: let op, De Hef ziet alles.

Het verhaal begint als Ruurd, die in zijn studententijd moest vluchten uit Rotterdam, na vele omzwervingen over de aardbol terugkeert op Zuid. Hij is ziek en heeft niet lang meer te leven. Hij gaat op zoek naar zijn familie. Uit mijn tijd in de verslavingszorg weet ik dat mensen dan dingen uit het verleden willen goedmaken. Ruurds hele jeugd was een  zoektocht  naar erkenning, wat hij niet vond. Als er shag gehaald moest worden, deed zijn broer dat. Zijn broer koos een vak dat vader goedkeurde. En zo waren er meer dingen. Misschien wel onbewust, vergroot Ruurd de afstand tot zijn familie. Tegen de wil van zijn vader in, gaat hij studeren. Weg- en Waterbouw dwingt hij af, wat hem een glansrijke carrière oplevert. Maar gelukkig werd hij er niet van.

Een journalist maakte ooit een analyse van het werk van vier christelijke schrijvers. Ook dat van mij. Haar conclusie was dat twee van hen, waaronder ik, nogal met het thema schuld bezig waren. De andere twee meer met “de vonkjes van Gods genade”. Het is natuurlijk een analyse op de vierkante komma, want uiteindelijk komen we alle vier in de persoon van Christus toch weer bij elkaar uit, vind ik. Maar ik ging het toch maar eens teruglezen. En ja, ze had gelijk. Waar dat thema schuld vandaan komt? Terugkijkend kom je wel ergens bij een strak reformatorische opvoeding uit. Ik kerk nog steeds bij de ‘bonders’, voel me met hen verbonden. Mijn werk bij Justitie zal er ook mee te maken hebben. Na tien jaar als gevangenbewaarder, heb ik een tijd in de justitiële verslavingszorg gewerkt. Ik schreef rapporten voor de rechtbank, tekende de levensverhalen van criminele verslaafden op. Dat probeer je dan een beetje literair aan te pakken, een goede openingszin maakt dat je verhaal door de rechter gelezen wordt. Zo probeerde ik de onafhankelijke macht te beïnvloeden en ben ik verslingerd geraakt aan levensverhalen.

Toen ik stopte met rapporteren ben ik mijn eerste boek gaan schrijven, Bewaarder gevangen. Een fictief verhaal, gebaseerd op personages die ik kende. Een keurige huisvader, gevangenbewaarder van beroep, schoot de junk dood die een relatie met zijn dochter had. Hij wilde maar een ding: de doodstraf. Die had hij verdiend, vond hij zelf. Als boetedoening. Hij leefde met de tekst uit de Romeinenbrief: Want de bezoldiging van de zonde is de dood. De tweede helft van de tekst had hij nog nooit gelezen. Daar staat: maar de genadegift Gods is het eeuwige leven. Daar kwam hij in de gevangenis achter.

Mijn tweede boek, Witter dan sneeuw, gaat over een meisje dat misbruikt is door een gepensioneerde havenbaron. Jaren later krijgt hij een tia en moet zij hem verzorgen. Als hij om euthanasie vraagt, weigert ze dat. Ze wilde hem zo lang mogelijk laten lijden. Het thema schuld en boetedoening zit ook in mijn vijfde roman verwerkt. Met het gedoe of mijn boek wel of niet een christelijke roman is, heb ik helemaal niets. Ik schrijf en dat doe ik als christen. De Boodschap ligt er niet duimendik bovenop, maar laat zich zeker vinden! Wat ik wil zeggen? Dat God mensen nooit opgeeft. De lezers moeten dat er zelf uithalen. Ik zet ze aan het werk, maar ga hen niet betuttelen.

In De hef ziet alles wordt vreemd gegaan. Het is nu eenmaal een van de vele zonden die gebeuren in het leven. Ruurd is een eenzame figuur. Hij behelpt zich met escorts, de kosten declareert hij via zijn bedrijf. Zo wil ik schrijven. Ik ben er ook wel een beetje klaar mee dat we als christenen zoveel onderscheid maken tussen de zondag en de rest van de week, en tussen de ene en de andere zonde. Ons taalgebruik is te verhullend geworden. Gek genoeg kwam ik daar opnieuw achter toen ik de Bijbel in Gewone Taal opensloeg, en ontdekte hoe direct en eerlijk de Bijbel eigenlijk is. Hoe mooi en literair oudere vertalingen ook zijn, misschien ook wel “dieper”, als de oudere teksten niet meer worden begrepen, werken ze ook verhullend. Zo gaan we ook vaak om met bijvoorbeeld kerstverhalen. Moet je na het “vrije” verhaal echt met een goed gevoel het zaaltje uitlopen? Ik denk dan: laten we als christenen ons huiswerk maken. Laten we ons niet verleiden door al te zoetsappige verhalen. Als je wilt laten zien dat we Christus nodig hebben, moeten het bloed en de vonken eraf springen. Verbijsterd achterblijven, weggerukt uit je comfort-zone bedoel ik. Als schrijver gaat het mij om – en dat heb ik van Dostojevski – het hart van de mens als slagveld tussen God en de duivel.’

Cees Pols (geb. 1953) is schrijver en ambtenaar bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Hij woont in Krimpen aan den IJssel.

Meer informatie over het boek en de presentatie: http://www.dehefzietalles.nl