tekst Wilfred Hermans beeld Albert Jan ten Napel

Twee minuten na de afgesproken tijd belt Ted Meines (1921): “Kom je nog?” Hij is generaal in hart en nieren en wordt ook graag als zodanig aangesproken. Als hij nergens hoeft te spreken, puzzelt hij wat of kijkt hij televisie, maar “dan wordt Tedje al gauw onrustig”. Liever ziet hij de korporaal op de stoep staan om hem naar een afspraak ergens in veteranenland te rijden. Dagelijks beantwoordt hij via zijn toetsenbord met grote letters nog mailtjes, en dat kan niet iedereen van 94, meent de krijgsmachtsveteraan. Zelfredzaamheid, het is de beste remedie tegen ouder worden. “Ik hoop dat de Grote Baas op een gegeven ogenblik tijdens mijn toespraak zal zeggen: Tedje, nou is het afgelopen. Daar ben ik nog altijd militair voor; middenin het gevecht – einde bericht.”

1. De dag van vandaag.
“Gelukkig loop ik nog goed. Af en toe moet mijn linkeroog geïnjecteerd worden, want er staat een hoge druk op. Ik mag dus niet klagen, en dat doe ik ook niet. Mijn gehoorapparaat neemt alle geluiden op, waardoor ik bij veel rumoer weinig versta; er is een verschil tussen horen en verstaan. Behoorlijk vermoeiend, en dat is jammer, maar goed. Ik word dus met plezier ouder. Natuurlijk, het is net als met het weer: de ene dag is beter dan de andere, maar ik ben diep dankbaar dat ik nog steeds aanwezig mag zijn, én dat ik in staat ben mijn getuigenis af te leggen. Vele mannen en vrouwen van mijn leeftijd ontberen de geestelijke vermogens om dat nog te kunnen. Ik vertel in interviews liever niet wat ik gedaan heb, maar vooral waaróm ik het gedaan heb. Dat geldt voor iedereen: welk getuigenis je ook wilt afleggen, het gaat om het doel waarvoor je iets doet.

Het wordt wel wat stiller om me heen, van mijn leeftijd zijn er weinig veteranen meer over. Ik prijs mij gelukkig dat ik goed overweg kan met jonge veteranen, anders zou ik een slechte initiatiefnemer van het veteranenplatform zijn. Ik schrijf mijn toespraken niet meer op papier, ik kan het a l’improvice, of ‘vanuit het zadel’, zoals de bereden mannen het noemen.

Van mijn vier zusjes leven er nog twee. Mijn lievelingszusje Annie is 92, die heb ik elke morgen kort aan de lijn. ‘Wees welkom op deze dag, heb je goed geslapen? Wat kan ik voor je betekenen?’ Dan wensen we elkaar een goede dag, en als er problemen zijn, geven we elkaar de nodige steun. Ik heb twee kinderen, een dochter in Oegstgeest en een zoon in Assen. Ik zou weleens wat meer contact met mijn twee kleinkinderen willen, maar ik realiseer me heel goed dat zij in een hele andere wereld leven dan hun oude opa, hè. Opa doet zijn best en staat voor iedereen klaar. Mijn leven is vervuld met de zorg voor mijzelf en mijn medemens.”

2. De dag dat ik in het verzet ging.
“Ik kom uit een gezin met vier zusjes, mijn ouders speelden beiden een muziekinstrument. In die tijd maakten ouders vaak nog de dienst uit, zij bepaalden wat jij ging doen. Vader was werkmeester bij de Nederlandse Spoorwegen, maar meer geïnteresseerd in politiek en zeer politiek actief. Hij had altijd de stille hoop ooit burgemeester te worden, maar dat kwam er niet van. Toen hoopte hij maar dat ík die kans zou krijgen. Al vrij vroeg werd ik naar de gemeente gestuurd, waar ik verschillende diploma’s heb gehaald. Als de oorlog niet was uitgebroken, was ik misschien wel de politiek ingegaan.

In 1942 moest ik onderduiken in Zuid-Limburg omdat ik was aangewezen om in Duitsland te gaan werken. Tijdens het scheppen van een luchtje werd ik gearresteerd en kwam in een politiecel terecht. Ik had de weg moeten volgen van vele collegae die van daaruit naar concentratiekampen werden afgevoerd. Daardoor was ik hevig gespannen. Er bleef maar één ding over: op mijn knieën gaan. Dat heeft mijn latere leven als verzetsman maar ook als beroepsmilitair doordrenkt. Als door een wonder ben ik door het Limburgse verzet uit die politiecel bevrijd. Toen moest ik mijn naam veranderen. Ik werkte al onder een schuilnaam, maar kreeg toen de papieren van een jong overleden dominee, Sjoeke Nutma; later bleek dat die man nooit had bestaan. Ik moest mij dus als dominee gaan gedragen, en zodoende heb ik weleens een preekje moeten houden.

 

‘Ik vind mezelf geen held; ik heb de mij in bruikleen verstrekte gaven en talenten adequaat gebruikt’

 

Ik heb in die moeilijkste jaren die ons land heeft gekend, honderden joodse kinderen gered. We haalden ze op in Amsterdam en brachten hen onder bij gezinnen die bereid waren zo’n kindje in bescherming te nemen, verspreid over het land. Vervoer was een probleem; auto’s waren er niet, dus het moest per openbaar vervoer. Dan kon je Duitsers tegenkomen. Dat was niet te voorkomen, het was een uitdaging, een keuze, met de kans dat je werd gepakt. Als dank hiervoor heb ik de Yad Vashem-onderscheiding gekregen: ik ben ereburger van de staat Israël. Dat is toch wel het hoogtepunt uit mijn leven. Maar nee, ik vind mezelf geen held; ik heb de mij in bruikleen verstrekte gaven en talenten adequaat gebruikt.”

3. De dag dat ik Martin Luther King ontmoette.
“Ik zal nu een platte opmerking maken, dat moet u me maar vergeven. Als kapitein kon ik de driejarige cursus Krijgskundige Studiën aan de Hogere Krijgsschool volgen. Van de dertig cursisten slaagde nooit meer dan tien man. De commissie zei: ‘U mag deze cursus volgen, maar u mist de wetenschappelijke opleiding van de KMA’. Ik zei: ‘Dat moge zo zijn, maar ik kan wel een peloton naar het schijthuis brengen, dat heb ik in het Britse leger geleerd’. Ik zei u al: ik maak excuses voor de platte opmerking. De commissie zei: ‘Dat is een taal die een toekomstig generaal niet uitslaat’. Ik antwoordde: ‘Ik wel, want u daagt mij uit door te zeggen dat ik geen goede vooropleiding heb gehad’. Uiteindelijk heb ik de KMA dus wel gemist, maar dat nooit als een gebrek ervaren. Het frappante is: later heb ik nog lesgegeven op de KMA! Ik wil maar zeggen: praktische ervaring kan soms beter zijn dan een vooropleiding.
Mijn tijd in Indonesië had ik niet willen missen – niet in de laatste plaats omdat ik daar mijn vrouw heb ontmoet. In die periode kon ik als officier van een artilleriebatterij invulling geven aan mijn drie pijlers: zelfvertrouwen, vertrouwen op de medemens en Godsvertrouwen. We zingen dan wel het zesde couplet, mijn schild ende betrouwen, maar ís dat ook zo? Weten wij ons leven in Zijn hand?

Kort na mijn terugkeer uit Indonesië, ben ik naar Amerika gestuurd voor een opleiding. Op paasmorgen 1952 heb ik in de heuvels van Oklahoma dr. Martin Luther King ontmoet. Hij gaf mij een boodschap mee: be yourself, be good and tell it. Vrij vertaald: wees en blijf jezelf, zet je in voor je medemens en leg getuigenis af. Een interview geven is getuigenis afleggen, daarom doe ik dit graag.”

4. De dag dat ik generaal werd.
“Je wordt generaal door kennis, ervaring en leiderschap. Je volgt een cursus bij de Hogere Krijgsschool, en daarna hangt het af van hoe je functioneert en of er plaats is. Mijn sterkste kant? De mens-mensrelatie. Ik ben geen papieren generaal, ik ben een troepengeneraal. Ik sta temidden van de groep en voel me één met hen, en dat is ook mijn kracht geweest bij de ontwikkeling van veteranenland. Dwars door alle rangen en standen en leeftijden heen sámen optrekken, dat is mijn kracht, nog steeds. Daarom word ik ook graag de vader der veteranen genoemd.
Als generaal moet je beschikken over zelfvertrouwen en goed operationeel leidinggeven aan je divisies, en je moet soms initiatief nemen waar anderen het nalaten; maar hoe je met mensen omgaat is minstens zo belangrijk als kennis en ervaring. Als je geen respect hebt voor je medemens, krijg je het als generaal moeilijk. Een generaal is ook maar een heel gewoon mens, hoor. Bij mijn afstuderen in Engeland waar prins Bernhard en koningin Wilhelmina aanwezig waren, kregen we allemaal een soort spreuk mee. Ik kreeg van koningin Wilhelmina de volgende spreuk: there is never a bad troop, there is always a bad officer. Ja? Da’s duidelijk, hè. Er is nooit een slechte troep, er is altijd een slechte baas. Wat mijn zwaktes zijn? Dat zou ik niet weten. Misschien ben ik wat ongedurig en kritisch, maar zoveel zelfkennis heb ik niet. Mijn zwakste punt is dat ik niet goed kan wachten, ik wil gelijk dingen aanpakken, soms teveel aanpakken. Dat begint op mijn leeftijd een rol te spelen.”

5. De dag dat mijn maatje overleed.
“Ik leef hier in een mooi appartement, maar het is wel leeg; ik mis mijn maatje. Ik heb mijn vrouw in 2008 moeten afstaan. Ik heb haar nog in mijn slaapkamer verpleegd. Daar heb ik warme, maar ook emotionele herinneringen aan. Nu is het weleens stil om me heen. Die stilte kan angstig zijn. Vooral als ik ’s avonds mijn hoorapparaat moet uitzetten, dan hoor ik niks meer. Maar dan ligt mijn leven in Gods hand. Dat beleef ik elke dag, en dat getuigenis wens ik in mijn toespraken af te leggen.

Doreen, mijn vrouw, was sergeant-majoor van het vrouwenkorps KNIL. Ik kwam haar tegen in 1949 in Bandoeng. Vanaf dat moment zijn we praktisch onafscheidelijk gebleven. Wat het geheim van een huwelijk is? Van elkaar houden en mekaar respecteren en waarderen zoals je bent, inclusief alle fouten en tekortkomingen, en elkaar daarbij helpen. Ze is overleden aan slokdarmkanker.

 

Ik hoop dat de Grote Baas op een gegeven ogenblik tijdens mijn toespraak zal zeggen: Tedje, nou is het afgelopen

 

De eerste jaren na het overlijden van mijn Doreen liet ik maaltijden thuis brengen. Die warmde ik hier op en dan zat ik daar aan tafel te eten, maar daar ben ik al gauw mee opgehouden. Ik dacht: dit is maar eenzaam, ik ga wel naar een restaurant. Als ik veteranenbijeenkomsten bijwoon, zit er vaak wel een hapje en een snapje bij. Met de financiële middelen die ik heb, kan ik doen en laten wat ik wil, en ik kan er ook nog andere mensen mee helpen.
Je weet het nooit, maar ik hoop niet dat ik zo’n ziekte moet doormaken. Ik hoop dat de Grote Baas op een gegeven ogenblik tijdens mijn toespraak zal zeggen: Tedje, nou is het afgelopen. Daar ben ik nog altijd militair voor; middenin het gevecht – einde bericht. Euthanasie pleeg ik niet. Ik beschik niet over mijn eigen leven, dat doet Onze Lieve Heer boven. Tenzij men mij overhoop schiet, maar ik neem aan dat dat niet aan de orde is.”

6. De dag dat koning Willem-Alexander op bezoek kwam.
“De toenmalige kroonprins – onze huidige koning – heeft gezeten waar jij nu zit. De aanleiding was als volgt. Hij nam een veteranendefilé af in Den Haag, en ik stond in uniform naast het podium en groette alle groepen die langskwamen. Na afloop kwam hij naar me toe en vroeg: ‘Wie nam nu eigenlijk het defilé af?’ Ik zei: ‘Koninklijke Hoogheid, dat hebben we samen gedaan. Maar weet u wie ik mis? Uw grootvader, ik mis opa Bernhard’. De volgende dag kreeg ik een telefoontje: de prins wil met u spreken, als het kan bij u thuis. Zo is het gegaan. Eerst zat hij daar, op de bank, maar we zaten al snel dichtbij elkaar, hand in hand. Toen hij naar huis ging, zei hij: ‘Generaal, ik heb geen vader en ook geen opa meer. U bent mijn opa niet, maar als ik een opa nodig heb, mag ik dan op u terugvallen?’ Dat is mijn relatie met de toenmalige kroonprins, onze huidige koning.”

7. De dag die nog moet komen.
“Kort geleden werd ik aangesproken door iemand die bezig is met een nationale veteranenbegraafplaats. In Loenen hebben we al een begraafplaats voor Nederlandse militairen, dus ik heb gezegd dat ze die twee kunnen combineren. Ik kreeg de vraag: stel dat die begraafplaats er komt, wat zou dan jouw plaats kunnen zijn? Ik moet dat nog met mijn kinderen bespreken, maar ik heb geantwoord dat ik gecremeerd wil worden, en dat ik het mooi zou vinden als de urn met mijn as tussen de veteranen kan staan met wie ik heb samengewerkt. Maar dat moet ik nog met mijn kinderen bespreken. Een militaire begrafenis zou mooi zijn; ik ben met hart en ziel militair geweest. Ik ben kríjgsmachtveteraan, geen veteraan van de brandweer! Daar mag ook bij mijn dood best klank en kleur aan worden gegeven.

Hoe ik hoop dat de hemel eruitziet? Weet ik niet, sta ik niet bij stil. Men zegt weleens dat velen je daarboven zullen ontvangen, maar dat kan ik niet goed plaatsen. Bij elke toespraak draag ik dit uit: mijn schild ende betrouwen zijt Gij, o God mijn Heer, op U zo wil ik bouwen, verlaat mij nimmermeer. Daar wil ik het graag bij laten.”

 

 

 

 

 

One thought on “‘Ik word de vader der veteranen genoemd’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *