tekst Samuel Wells

Een tijdje geleden werd ik benaderd door een man die ik nog niet eerder had ontmoet. Ik zag meteen dat hij bang was.

Hij sprak met trillende stem en keek nerveus uit z’n ogen. De man had een doos bij zich, en het was duidelijk dat de inhoud ervan veel voor hem betekende. En ik kreeg al snel door dat-ie voor mij bedoeld was.

“Laten we ergens gaan zitten”, zei ik. En geleidelijk begon ik te begrijpen waarom hij zo bang was. Hij kwam uit een land waar democratie niet bestond, waar het levensgevaarlijk was om de overheid tegen je te krijgen. Deze man had op allerlei manieren onderdrukking gezien, hij had zijn observaties gebundeld in een dossier en dat had hem in moeilijkheden gebracht. Zozeer dat hij zelfs in het veilige Londen zeer op zijn hoede was.

Maar hij wilde terug. Terug naar zijn thuisland, ondanks het gevaar dat hem daar zo goed als zeker te wachten stond. Hij had z’n verplichtingen, hij hield van zijn volk en was niet van plan om asiel aan te vragen. “Het zal er thuis niet beter op worden als alle mensen die een betere toekomst verlangen ertussenuit piepen.”

Toen kwam de doos ter sprake. Heel behoedzaam, duidelijk dat hij mij iets zeer kostbaars ging toevertrouwen, gaf hij ’m mij in handen. Er zat een dier in. Geen echt dier, maar een speelgoedbeest, dat hij zijn eigen naam gegeven had. Hij kon zich er namelijk goed mee identificeren, kwetsbaar en teder als het was. De man vroeg me of ik het wilde bewaren, zodat dat deel van hem veilig zou zijn, ook als hijzelf in gevaar zou verkeren. Ik antwoordde met de enige woorden die hij horen wilde: “Geef maar hier.” Ik heb de doos nog steeds, bewaard op de veiligste plaats die ik ken.

Christus heeft een mantel om zich heen geslagen en jij en ik zijn op een geheime plek in die mantel opgeborgen

De mantel van Christus

Als Paulus schrijft over de hemel, heeft hij het niet over een plaats waar je kunt verblijven of naartoe kunt gaan, maar wel over een plek waarvan je kunt zeggen: een deel van mij is er al. “U bent gestorven”, schrijft hij aan de Kolossenzen, “en uw leven is met Christus verborgen in God.” Ik lees dat zo: Christus heeft een weelderige mantel om zich heen geslagen en jij en ik zijn op een geheime plek in die mantel opgeborgen; veilig bewaard, totdat we volledig in Gods aanwezigheid kunnen zijn.

In romantische films laten geliefden – gedoemd om van elkaar gescheiden te worden, over het algemeen op een treinstation – vaak een aandenken bij elkaar achter. Een ring, bijvoorbeeld, met elkaars initialen. Of een armband, die je als een zilveren omhelzing om je arm kunt dragen. Of toch een medaillon, verborgen onder je kleren, vlak bij je hart.

Hoe dan ook is de boodschap ervan duidelijk: we mogen dan van elkaar gescheiden zijn, en het is moeilijk voor te stellen dat we ooit weer samenkomen, maar je bent veilig bij mij. Ik zal nooit loslaten.

De pandemie is een grote oefening om te onthouden dat wat we vandaag waarnemen geen betrouwbare indicatie is van wat de toekomst brengt. COVID-19 mag ons dan nu dicht op de huid zitten, het zal niet voor altijd zijn. De waarheid van ons leven en de eeuwigheid van ons wezen ligt met Christus verborgen in God.

Paradox

De paradox in dit alles is dit. Jezus is die mysterieuze geliefde, van wie we afscheid moeten nemen en die een medaillon, een ring, een armband bij ons achterlaat: de Heilige Geest, een herinnering aan de belofte dat onze toekomst aan God toebehoort. En tegelijkertijd is Jezus degene die in de eeuwigheid woont, en als we Hém een aandenken geven – ons hart, onze ziel, ons verstand, onze kracht – dan weten we dat de rest van ons op een dag zal volgen.

Als ik het doosje zie dat de bange man mij gaf, dan denk ik aan hem, waar hij nu zou kunnen zijn en welke gevaren hem misschien benauwen. Ik vraag me af of hij nog leeft. Maar of hij nu leeft of gestorven is, ik zal het deel van hem dat hij me gaf, bewaren, want Londen was de veiligste plek die hij gekend had. En ik denk eraan hoe ik eenzelfde kans gekregen heb. Ik kan Jezus iets geven wat mijn hele mens-zijn omvat, en ik weet dat ik, op een dag, helemaal aan Hem zal toebehoren. Want elke keer als wij bidden, staan we voor Jezus, met onze angst, ons geloof, onze twijfel, onze hoop in onze handen, en Hij fluistert ons toe: “Geef maar hier.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *