Kampvuurwerk? Positieve verhalen over de kerk. Op 30 januari 2016 organiseren AKZ+, uitgeverij De Vuurbaak en De Nieuwe Koers een minisymposium over dit thema. Aanleiding is het verschijnen van het boek Kampvuur. Meer info. Hieronder de bijdrage van financieel-journalist Martin Visser. 

Afgelopen zondag zat ik in de kerk. Om eerlijk te zijn was het alweer een tijdje geleden.

Wacht even. Waarom schrijf ik nou ‘om eerlijk te zijn’? Waarom moet ik me excuseren voor mijn onregelmatige kerkbezoek? Omdat mijn familie misschien meeleest? Of mijn vrienden? Gemeenteleden? De dominee?

Lange tijd heb ik de kerk gezien als een verplichting. Je werd geacht netjes twee keer per zondag te gaan. Deed je dat niet, dan was je nalatig, zondig misschien wel. Die extreme verplichting ging er in de loop der jaren weliswaar af. Maar de gedachte dat je vooral veel moest, bleef hangen.

En dat zat echt niet alleen tussen mijn oren. Ook in de jaren dat ik in Rotterdam naar de vrijgemaakte kerk ging – ik studeerde in die stad en bleef er vele jaren nadien met plezier wonen – werd je geacht een actief gemeentelid te zijn. Ik deed mijn best. Als diaken, als lid van het moderamen, als schrijver van stukken in het kerkblad.

Tjonge, wat was ik een druk baasje. Nadenken over een visie op de gemeente, dit organiseren, dat regelen. Mensen bezoeken, vergaderen. Poepoe… ik heb wat afvergaderd. En ik was echt niet de enige. Een grote kring van actievelingen was ook op die manier met de kerk bezig.

Toen al had ik regelmatig discussies over de vraag hoeveel we van andere gemeenteleden konden vragen. Een collega-diaken stelde eens dat een inactief lid eigenlijk niets te zoeken had in de kerk.

Lidmaatschap bracht ook plichten met zich mee. Ik heb me fel tegen dit standpunt verzet. Ik was dan inmiddels actief geworden, maar kon me nog moeiteloos inleven in al die voorgaande jaren waarin mijn bijdrage aan de kerk beperkt bleef tot een geregeld bezoek aan de dienst. Ik was blij dat mij dit redelijk passieve bestaan werd gegund, want ik was te zeer met vragen over het geloof bezig om me voluit in te kunnen zetten.

‘Ik was blij dat mij dit redelijk passieve bestaan werd gegund, want ik was te zeer met vragen over het geloof bezig om me voluit in te kunnen zetten.’

Blijkbaar is er in die Rotterdamse jaren wel iets in mij veranderd. Ik werd drukker en drukker, actiever en actiever. Maar was dat uit volle overtuiging? Of dacht ik dat dat zo hoorde? Dat mijn kerkelijke puberjaren maar eens voorbij moesten zijn en ik geacht werd mij als een volwassen kerklid te gedragen?

En wat bracht het mij? Al dat oeverloze vergaderen? Thuiskomen als mijn vrouw naar bed ging. Tijdens de kerkdienst rondspieden in de zaal, uitkijkend naar mensen die ik na afloop nog even moest spreken. Verrijkte het mijn (geloofs)leven?

En toen verhuisden we vanwege werk naar Brussel. Na achttien Rotterdamse jaren. In Brussel was geen vrijgemaakte kerk. Er waren zelfs amper Nederlandstalige kerken. Na enkele omzwervingen kwamen we in de St. Andrew’s Church of Scotland terecht. Met open armen werden we er ontvangen. Na twee bezoeken kende de dominee ons al bij naam. Wat voelden we ons welkom. Wat een verademing was het ook. Na een leven lang in de vrijgemaakte kerk nu eens intensief kennismaken met een andere gemeente. Zonder dat er een beladen onttrekking aan vooraf was gegaan. Die wisseling is het beste wat mij in mijn kerkelijke leven is overkomen.

De Schotse kerk gaat in een rechte lijn terug naar de Reformatie. De kerk is traditioneel in haar liturgie. Iedere zondag zong een prachtig koor, er zaten opvallend veel bekwame muzikanten in de gemeente. Deze kerk was bovenal niet zo met zichzelf bezig. Geen oeverloze vergaderingen over visies of over de vraag hoe je missionair kunt zijn.

Deze gemeente wás gewoon. En als een onderdeel van de dienst me minder aansprak, werd dat geen discussiepunt. Zo ging dat gewoon en iedereen voegde zich ernaar. Compromissen hoefden niet te worden gevonden, want die hadden zich in al die vele jaren al gezet.

Lidmaatschap bestond niet eens. De dominee kende ons en dat was genoeg. Ook voor het deelnemen aan het avondmaal en voor het laten dopen van onze kinderen (die beiden in Brussel zijn geboren).

Dit was een kerk zoals die bedoeld is. Zo ervoer ik het tenminste in die jaren. In die hyperactieve Rotterdamse setting zouden we dit wellicht ‘vrijblijvend’ hebben genoemd. Maar eindelijk ontdekte ik dat je ook naar de kerk kunt gaan omdat je dat wílt. In plaats van omdat je dat móet.

Er was alle ruimte om te denken wat je denkt, te vinden wat je vindt. De kerk had een lange historie, maar bood opvallend genoeg ook ruimte voor een veelheid aan meningen en geloofsopvattingen. En het was een multiculturele kerk. Dat voelde ook logischer en natuurlijker dan de overwegend witte gemeente waar ik vandaan kwam.

‘Maar eindelijk ontdekte ik dat je ook naar de kerk kunt gaan omdat je dat wílt. In plaats van omdat je dat móet.’

Zeker in het eerste jaar in Brussel vroeg ik me af wat ik in al die drukke tijden in Rotterdam gedaan had. Al die uren die ik in vergaderingen en overleggen had gestoken, leken plots zo zinloos. Zoveel tijd was gaan zitten in zelfreflectie, nadenken waar je als gemeente voor stond. Waarom kon die vrijgemaakte kerk niet gewoon kerk zijn? Waarom moest alles bediscussieerd worden? Alles georganiseerd? Alles dichtgetimmerd?

Ik moest veel terugdenken aan de eerste jaren in Rotterdam. Die zogenaamde puberjaren. Dat was de studententijd en de periode er direct op volgend. In die tijd piekerde ik veel over het geloof. Twijfelde ook veel. Maar de hang naar de kerk bleef. Ik bleef sterk het gevoel houden dat ik die band met de gemeente moest houden. Dat was een soort life line met het geloof.

Zo ervoer ik dat ook in Brussel, en nu nog. Als de kerkgang geen opgelegde verplichting is, als je er niet naartoe gaat om na de dienst nog even te kunnen vergaderen en overleggen, dan pas ga je om de échte reden. En zo zou dat in mijn beleving ook moeten zijn. Dan ga je naar de kerk om te ontvangen, niet om vooral te geven.

Na vijf jaar Brussel verhuisden we naar Amsterdam. Opnieuw maakten we een rondgang. Nu de band met de vrijgemaakte kerk eenmaal was doorgesneden voelden we ons volkomen vrij in de keus. Dat gaf alle ruimte om een gemeente te zoeken die aansprak, die bij ons paste, waar wij zelf goed in pasten.

Dat werd de christelijke gereformeerde kerk. Op de exacte gezindte is de gemeente niet uitgezocht, wel op de samenstelling, de sfeer, de invulling van de dienst, de ruimte voor kinderen, de verwelkoming. En op de vrijheid om deel te nemen aan de kerk zoals dat het beste bij mij past.

Via via raakte ik in Amsterdam in gesprek met dominee Tim Vreugdenhil. Hij was bezig met plannen voor een nieuwe stadskerk en wilde mensen spreken die in zijn beleving tot zijn doelgroep behoorden. Hij schetste een gemeente zoals ik die zelf ook idealiter voor me zie. Dat is een plek waar elke Amsterdammer terecht kan met vragen over zingeving, met behoefte aan spiritualiteit, met een hang naar religiositeit.

Klinkt dat vaag en vrijblijvend? Misschien is het dat ook wel. Maar mensen met deze behoeftes kunnen anders alleen terecht in overactieve kerken, waar veel overactieve mensen zijn, waar gedacht wordt in leden versus randleden, waar je pas lid kunt worden als je alle geloofsbelijdenissen onderschrijft. Is dat geen toelatingsdrempel van jewelste? Zou dat echt de gedachte zijn van de bijbelse gemeente?

In mijn Rotterdamse jaren heb ik vele malen interviews gemaakt voor het kerkblad. Ik maakte onder meer een serie over mensen die de Alpha-cursus hadden gedaan. In die interviews liet ik mensen aan het woord die wel interesse hadden in kerk en geloof maar niet de stap naar het lidmaatschap hadden gezet.

Die gesprekken waren voor mij onthutsend. Een enkele keer trof ik iemand die sowieso niet bij een kerk wilde horen. Maar in de meeste gevallen wilden de Alpha-cursisten wel degelijk naar de kerk komen, maar ze liepen tegen een enorme barrière op. Om lid te mogen worden, moest je eerst belijdenis doen en daarmee een batterij aan geloofsopvattingen onderschrijven.

Maar deze mensen twijfelden, wisten nog veel niet zeker. Het wrange was: die twijfels had ik ook! En toch was ik wel lid en konden zij dat niet worden. Alleen omdat ik in die kerk geboren was en zij er als buitenstaander binnen moesten zien te komen.

Dat model staat mijlenver af van de stadskerk van Vreugdenhil, zoals hij die aan mij beschreef. Het staat ook ver af van de kerk waar ik nog bij zou willen horen. Voor mij is de kerk bij uitstek de plek waar je naartoe gaat vanwege al je twijfels. Die twijfels kun je in de gemeente delen of je houdt ze voor je. Maar de kerk(dienst) biedt in ieder geval stof om over na te denken. En als die denkstof er eens niet is, wordt er wel een mooi lied gezongen. Of er is een gebed dat je treft. Religieus en spiritueel kom je zo altijd aan je trekken. Na afloop van de dienst thuis klagen over de dominee die weer eens geen aansprekende preek hield (zoals we vroeger thuis veel deden) is er dan niet meer bij. Het vrijblijvende karakter maakt ook dat het aan jezelf is om de elementen van jouw gading er tussenuit te pikken.

‘Daar zat ik, tussen al die andere twijfelaars. Wij wisten het ook allemaal niet precies. Maar we waren er wel. Ik ook. En ik voelde me thuis.’

Een hyperactieve gemeente met hyperactieve gelovigen is volgens mij schijn. Natuurlijk zijn er diepgelovige mensen die voluit gaan voor de goede zaak. Maar zo’n atmosfeer creëert ook gewenst gedrag, misschien zelfs wel gewenste gedachten.

De kerk is in mijn ogen een blijvertje, alle sluitingen in het land ten spijt. Maar dan vooral als vluchtoord voor zoekende en twijfelende mensen. Als die de ruimte krijgen zichzelf te zijn en als zij gevoed en geïnspireerd worden, dan doet de kerk waarvoor die bedoeld is.

Afgelopen zondag was ik weer eens in de kerk. En ik was blij dat ik er was. Het thema van de dienst was ‘Geloven of zeker weten’. De do- minee stelde prikkelende vragen. Of we 100 procent zeker wisten dat Neil Armstrong op de maan was geland. Bijna alle armen gingen om- hoog. Of we zeker wisten dat onze man of vrouw van ons hield. Ook veel armen in de lucht.

Of we 100 procent zeker wisten dat ons leven zin had. De aarzeling sloeg toe. Of we 100 procent zeker wisten dat God bestond. Veel armen bleven omlaag. Of we 100 procent zeker wisten dat Jezus was opgestaan. Er ontstond geroezemoes.

Is dit pijnlijk? Een gemeente vol twijfelaars? Een gemeente vol mensen die proberen te geloven maar niet 100 procent zeker weten? Ik vind dat niet pijnlijk. Ik vind dat hartverwarmend, stimulerend en ondersteunend.

Daar zat ik, tussen al die andere twijfelaars. Wij wisten het ook allemaal niet precies. Maar we waren er wel. Ik ook. En ik voelde me thuis.

Deze bijdrage komt uit het boek Kampvuur, persoonlijke verhalen over geloof en kerk. Johan Bakker (red.), uitgeverij De Vuurbaak. 

Martin Visser (1971) is journalist. Hij schrijft voor de Financiële Telegraaf als verslaggever en columnist. Regelmatig is hij te zien als economisch commentator bij onder meer EenVandaag en
De Wereld Draait Door. Visser groeide op in de vrijgemaakt gereformeerde kerk en verhuisde in 2008 naar Brussel. Eind 2012 kwam hij terug naar Nederland waar hij sindsdien kerkt bij de Amstelgemeente in Amsterdam.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *