‘Winter in Gloster Huis’, zo heet de nieuwe roman van Vonne van der Meer. Het verhaal speelt zich af in de toekomst, als het levenseinde een kwestie van maakbaarheid en efficiëntie is geworden.

tekst Tjerk de Reus

De scheidslijn tussen hemel en aarde is flinterdun in het werk van Vonne van der Meer. Gewone aardse gebeurtenissen lijken nogal eens een dieper, zelfs goddelijk mysterie te herbergen. Je denkt soms onwillekeurig een engel te zien in haar verhalen en romans, in menselijke vermomming. Zo’n engel brengt vaak iets verlossends teweeg, dankzij oprechte aandacht, zorgzaamheid en menselijkheid. Ook in de nieuwe roman van Van der Meer, Winter in Gloster Huis, komen engelen ter sprake: een van de verhaalfiguren herinnert zich een oude film waarin engelen optreden. Het is slechts een flard van een herinnering die Van der Meer haar personage te binnen brengt, maar het is suggestief genoeg om je te laten nadenken over de nabijheid van ‘de hogere wereld’. Dat past ook helemaal in de sfeer van de roman, die zich volledig afspeelt in het grensgebied van dood en leven, van hiernamaals en ‘hiernumaals’. De engelen uit de film zijn brengers van zorg en barmhartigheid onder de mensen, maar zij dragen hun taken graag over aan mensen die zich bekommeren om hun medemens. Zo wordt duidelijk dat de hemel te vinden is op aarde en dat het goddelijke zijn stempel drukt op het menselijke bedrijf. Wat in het hier-en-nu vastloopt, kan onverwacht van hogerhand worden losgewrikt.

Willen en verwachten staan voor twee levenshoudingen, die onmetelijk van elkaar verschillen

Twee hotels

De nieuwe, tamelijk dunne roman van Vonne van der Meer speelt zich af in de jaren na 2024. In dat jaar ontdekken twee broers – Arthur en Richard Hofstede – dat hun vader hen een fortuin heeft nagelaten. Allebei beginnen ze een nieuw leven, wat voor Richard betekent: een hotel openen waarin mensen hun levenseinde praktisch en netjes kunnen realiseren. Er is een zogenoemde ‘Klaar met leven-wet’ van kracht geworden, die alle ruimte biedt om op efficiënte manier een eind te maken aan het leven. Broer Arthur wordt aanvankelijk meegetrokken in deze geschiedenis, maar hij bedenkt gaandeweg een plan dat haaks staat op het ‘zelfmoordhotel’. Ook hij opent een soort hotel, maar dan om mensen nieuwe hoop en moed te geven, om het leven weer te willen aanvaarden. Het leven hoeft niet eigenhandig afgerond te worden, is zijn overtuiging, maar mag verder gaan. De samenwerking tussen beide broers bestaat erin dat mensen die aarzeling vertonen bij het intakegesprek stiekem naar het ándere hotel worden gebracht, na gedrogeerd te zijn, om hen daar met aandacht en liefde te omringen, in de hoop dat ze de smaak van leven weer te pakken krijgen.

Willen of verwachten

De constructie met twee hotels, die ook wel een tikje kunstmatig overkomt, geeft Van der Meer de kans om het idee van een maakbare dood van alle kanten te bekijken. Het zijn duidelijk twee opties: de dood versus het leven, wat symbolisch versterkt wordt door de locatie van beide hotels aan een groot en diep meer. Ze staan pal tegenover elkaar, het meer ligt er tussenin. Het begrip ‘de overzijde’ krijgt daardoor een interessante bijklank, wat de tegenstelling tussen beide opties aanscherpt. Aan de ene kant geldt de logica van een efficiënt levenseinde, praktisch goed geregeld, met een duidelijk resultaat: rationele beheersing ervan. Aan de andere kant van het meer huist iets als besef van het ‘geheim van het leven’, wat zich niet zo gemakkelijk laat omschrijven – misschien zou je de gehele roman als een poging daartoe kunnen beschouwen. Een kernwoord voor wat broer Arthur drijft, is ‘verwachting’. Wie in zijn gastvrije hotel terechtkomt, mag alles verwachten, wordt ergens als levensspreuk gelanceerd. Dit ‘verwachten’ is overigens verre van spectaculair en resultaatgericht, het heeft juist alles te maken met wachten en met geduld oefenen. Het goede leven is nu net géén kwestie die zich laat organiseren of rationeel aansturen. Arthur brengt het verschil tussen hemzelf en Richard als volgt onder woorden: ‘Zijn kracht ligt in het willen, de mijne in wachten.’ Willen en (ver)wachten staan voor twee levenshoudingen, die onmetelijk van elkaar verschillen. Bij willen hoort iets als een protocol, bij verwachten past de notie van het verhaal, waarin je een plek ontvangt. Dat geldt ook voor broer Arthur zelf, die met verbazing kijkt naar zijn nieuwe leven met het hotel-van-de-hoop en concludeert: ‘mijn leven is een verhaal geworden.’

Wie aarzelt heeft hoop

Hoewel deze roman zich afspeelt in de nabije toekomst, is het niet moeilijk om een aantal kritische motieven te herkennen die vandaag actueel zijn. Wie is de mens en hoe schatten we de waarde van het leven in? Die vraag maakt Van der Meer relevant in de wereld van de ouderenzorg – het zijn veelal ouderen die in haar roman figureren. Er blijkt ‘virtuele zorg’ te zijn ontwikkeld: met camera’s op afstand (dus zonder menselijke nabijheid); ouderen die per se verder willen leven ondanks dat ze nu toch prima uit het leven kunnen stappen, worden maatschappelijke paria’s; artsen die de euthanasieverzoeken weigeren, krijgen het zwaar te verduren. Hoewel deze naargeestige sfeer duidelijk aanwezig is in de roman, wordt die niet zwaar aangezet. Dat is een goede keuze van Van der Meer. Met cultuurkritiek alleen kom je er niet. Wat overtuigt is het voelbaar maken van een andere way of life. Van der Meer brengt die in beeld door een wig te drijven tussen vastliggende patronen, door menselijke ervaringen die versteend zijn door teleurstelling, angst en eenzaamheid, los te wrikken. Het aangrijpingspunt is de aarzeling die mensen toch opeens hebben, als de zelfverkozen dood geëffectueerd zal worden. Wie aarzelt, heeft de hoop op een andere levensmogelijkheid nog niet helemaal verloren. Met haar nieuwe roman brengt Van der Meer deze mogelijkheid tastbaar in beeld, met een nieuw ervaren besef van dankbaarheid en verwondering.

 

Vonne van der Meer: Winter in Gloster Huis, Atlas-Contact, € 17,99

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *