Al voor de zondeval gaf God ons de opdracht om te heersen over Zijn goede schepping. Juist daarin lijken wij op Hem.

tekst Evert Jan Ouweneel

Toen God de mens schiep, schiep Hij er twee. Beiden gaf Hij iets en geen van beiden alles. Zo ontstond de mens als evenbeeld van God: als een gemeenschap waarin niemand in z’n eentje kan uitdrukken wat het betekent om mens te zijn. Wie de mens wil zien, zal er op z’n minst twee moeten zien: een man en een vrouw.

Nog voor de mens goed en wel doorheeft op wat voor planeet hij is beland, wordt hij al opgeroepen het goede leven niet te verliezen.

En God was nog niet klaar. Want zodra de mensen zich begonnen te vermenigvuldigen, bleken hun nakomelingen over heel verschillende gaven en talenten te beschikken. Opnieuw bleek de mens gezegend met onvolledigheid, zodat er geen dag voorbij zou gaan zonder dat de één de ander zou kunnen aanvullen en verrassen.

En nog was God niet klaar. Want toen de mensen zich begonnen te verspreiden over de aarde, bleken er heel verschillende culturen te ontstaan. Dat wat er te ontdekken viel op aarde, raakte verdeeld over een groot aantal volken. Ieder werd bekwaam in iets en niemand in alles. Alleen door in ieder volk een deel van het plaatje te zien, kon de mens als beeld van God nog worden ontwaard.

“Laten wij mensen maken die op ons lijken”, zegt God in Genesis 1. En wat blijkt: de mens lijkt als gemeenschap op God. Wat de mens ook onderneemt, de volle waarde en betekenis ervan kan alleen in gemeenschapsverband worden begrepen.

Waarin lijkt de mens op God? Is het ons vermogen lief te hebben of creatief te zijn en de aarde te cultiveren? In Genesis 1 geen woord hierover. Hoewel er prachtige redenen te bedenken zijn waarom de mens een beeld van God zou kunnen zijn, wordt juist die kant van God aangevoerd die het meest naar onvolmaaktheid en geworstel riekt. In de NBG-vertaling lezen wij: “Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen”.

De mens lijkt op God als heerser! Nu valt er alleen wat te heersen als er wat beheerst moet worden. En moet er iets beheerst worden, dan kan er kennelijk iets goeds verloren gaan. In Genesis 1 wordt het Hebreeuwse woord radah gebruikt, dat ‘de baas zijn’, ‘domineren’ betekent. Een opvallend gegeven: de mens moet al iets de baas zijn op het moment dat de schepping nog in een ‘zeer goede’ staat verkeert. De schepping is blijkbaar niet vanzelfsprekend goed, maar kwetsbaar. Er is een heerser nodig die zó kan ‘domineren’ dat het ‘zeer goede’ ook zeer goed blijft.

In Genesis 2 komen wij iets dergelijks tegen: de mens moet de hof niet alleen bewerken, maar ook bewaken. Opnieuw moet er iets worden beheerst. Nog voor de mens goed en wel doorheeft op wat voor planeet hij is beland, wordt hij al opgeroepen het goede leven niet te verliezen. Een oproep tot duurzaamheid vanaf het allereerste begin.

Streven naar duurzaamheid betekent: back to the basics, terug naar dat wat wij alleen als geschenk kunnen aanvaarden; beseffen dat wij de basisingrediënten van het goede leven niet kunnen scheppen, maar alleen kunnen bewaken; beseffen dat niet culturele ontwikkeling, maar het vasthouden van het oorspronkelijke leven de grootste uitdaging voor de mens vormt.

Waarover moet er worden geheerst? Genesis 1 zegt: over al het aardse leven. Maar wat valt er te heersen over dit leven? De mens is vegetariër in Genesis 1, dus het kan niet om jacht en visserij gaan. Ook valt er weinig te cultiveren aan de vogels in de lucht en de vissen in de zee. We moeten de zaak kennelijk anders benaderen: dat de mens heerst, betekent niet dat iets anders hem dient. Heersen is hier zélf een vorm van dienstbaarheid.

Dat doet mij denken aan de woorden van Jezus in Marcus 10: “Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” Waaruit bestond zijn dienstbaarheid? Uit heersen! Dat wil zeggen: uit het bedwingen van alles wat het goede vernietigde. We zien Jezus zieken genezen, bezetenen bevrijden, doden opwekken, en in Marcus 4 de wind en het water bestraffen met de woorden: “Zwijg, wees stil!”

Ziedaar, de mens zoals God die in gedachten had toen Hij zei: “Laat ons mensen maken… opdat zij heersen”. Maar in tegenstelling tot Jezus, door Paulus ‘de laatste Adam’ genoemd, hoefde de eerste Adam niet op de bres te staan voor de medemens. In eerste instantie vormde de mens een gemeenschap van gelijkwaardige heersers, een aristocratie van man en vrouw, om zich het lot van al het andere leven aan te trekken.

God zoekt kinderen die té veel op hun Vader zijn gaan lijken om hun eigen geluk nog te kunnen loskoppelen van andermans geluk.

Kenmerkend voor een goede aristocraat is dat hij waakt over het goede leven van zijn onderdanen, in samenwerking met andere aristocraten en in onderwerping aan de koning. Zo zag de Allerhoogste het voor zich toen Hij de man en de vrouw een en dezelfde opdracht gaf: “Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.”

Voor patriarchale gedachten is hier geen ruimte. Man en vrouw vormen sámen de mens die mag waken over de ‘zeer goede’ staat van al wat leeft, in onderlinge samenwerking en in onderwerping aan de Allerhoogste. En van meet af aan is het de bestemming van de mens om voor zijn gelijke op de bres te staan. Dus is hij niet een engel van hemelse makelij, maar een aardling van vlees en bloed, net als het leven dat hij dient.

‘Heb je naaste lief als jezelf’, lezen wij in zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Martin Buber vertaalt deze zin met ‘Liebe deinen Nächsten dir gleich’. Oftewel, heb je naaste lief, want hij is er net zo één als jij. Een lotgenoot! God zoekt geen buitenstaanders maar ‘binnenstaanders’ die bewogen kunnen raken over schepselen die in dezelfde omstandigheden verkeren als zij.

In de jaren negentig werd ontdekt dat mensen over spiegelneuronen beschikken. Wanneer wij iemand met een hamer op zijn duim zien slaan, voelen wij niet alleen mee met de ander omdat wij denken: dat deed bij mij gemeen zeer, dus het zal bij hem ook wel pijn doen. Het opmerkelijke is dat wij onmiddellijk zenuwcellen activeren die in actie zouden komen wanneer wij met een hamer op onze eigen duim zouden slaan. We ‘spiegelen’ dus de situatie in onze hersenen en ‘voelen’ zo wat de ander voelt. Met als gevolg dat ook wij reageren met een van pijn vertrokken gezicht en een wapperende hand.

Volgens de Amerikaanse neuroloog Vilayanur Ramachandran zullen spiegelneuronen net zo belangrijk worden voor de psychologie als DNA belangrijk is voor de biologie. Door te spiegelen zijn wij in staat anderen aan te voelen, zodat wij adequaat op hun gedrag kunnen reageren. Tegelijk laat onderzoek zien dat wij aanmerkelijk minder spiegelen wanneer wij de ander niet mogen of de ander een lagere status toekennen.

Meevoelen met ander leven op aarde: meer dan de engelen zijn wij daartoe in staat. Maar het vereist wel liefde en een gezonde dosis nederigheid.

Macht is de mogelijkheid iets of iemand te beïnvloeden in overeenstemming met de eigen wensen. Macht (power) is een mogelijkheid. Maakt men er gebruik van, dan is er sprake van machtsuitoefening, in de zin van beheer (control) of heerschappij (dominion).

Macht veronderstelt bepaalde wensen. Deze wensen kunnen de gedaante hebben van begeerten, ideologieën, geloofsopvattingen, deugden, doelen, normen en waarden. Hoe zij ook verschijnen of worden benoemd, in alle gevallen moet er iets worden verwezenlijkt of loopt er iets gevaar. Er valt dus iets te bewerken of te bewaren. Dit bewaren of bewerken van een gewenste werkelijkheid is machtsuitoefening. De mogelijkheid daartoe is macht.

Gezag (authority) is erkende macht. In het Grieks wordt dan het woord exousia gebruikt, dat zowel macht als gezag of bevoegdheid betekent. Beschikt iemand wel over macht, maar is hij niet bevoegd deze uit te oefenen of op een bepaalde wijze uit te oefenen, dan is er sprake van machtsmisbruik.

In Genesis 1 ontvangt de mens het gezag om al datgene de baas te zijn wat het goede leven bedreigt. De spiegelneuronen helpen hem daarbij een eind op weg: nog voor zijn verstand erbij stil kan staan, identificeren zijn hersenen zich al met het lot van de lijdende ander.

Maar God doet meer dan mensen alleen instinctief te motiveren. Wanneer de Schepper in Genesis 2 de mens tot leven wekt door hem zijn eigen adem in de neus te blazen, zoekt Hij niets minder dan een geestverwantschap tussen God en mens. Gods verlangen is niet zozeer een gezelschap van heersers die bij machte zijn Zijn wensen uit te voeren. Veel meer verlangt Hij naar een familie van zonen en dochters die zó op hun hemelse Vader lijken, dat zij dezelfde ‘genetische’ eigenschap vertonen om verrukt te raken over het goede en verbolgen over alles wat dit goede van zijn luister berooft.

Zo Vader, zo zoon. Dat is de inzet. In Genesis 1 staat de schepping van de mens in het licht van zijn bestemming als heerser. In Genesis 2 draait het bij de schepping van de mens om zijn afstemming op God. Hij vervult de mens. God zoekt kinderen die té veel op hun Vader zijn gaan lijken om hun eigen geluk nog te kunnen loskoppelen van andermans geluk. God zoekt mensen die zich net als Hij niet neer kunnen leggen bij een wereld waarin de wolf nog altijd het lam en de adder nog altijd de zuigeling bedreigt (Jes. 11). God zoekt vredestichters, en heeft Hij ze gevonden, dan noemt Hij ze graag zijn kinderen (Mat. 5). Het eeuwige leven behoort hun toe, want zij hebben het hart van God leren kennen (Joh. 17).

Helaas volgt er een heel ander hoofdstuk op Genesis 1 en 2: de mens valt zélf ten prooi aan dat wat hij geacht werd te bestrijden. De mens, geschapen om het leven te dienen, vertrouwt de Levengever niet en draagt zijn gezag over aan de tegenstander. Voortaan behoort de mens zélf tot de bedreigde diersoorten. De val van de eerste gezalfde vraagt om een tweede gezalfde: een Messias die zowel voor het dierlijke als het menselijke leven op de bres kan staan en wél de heerschappij over dood en verderf weet vast te houden. De val van de eerste christus roept het verlangen op naar een Christus in de overtreffende trap.

En daar is Hij: de man uit Nazaret, net als de eerste mens door Gods Geest tot leven gewekt en bekleed met kracht. ‘Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond hem bij’ (Hand. 10).

En dit zegt Hij vlak voor zijn hemelvaart: “Mij is alle macht (exousia) gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen” (Mat. 28). Oftewel: wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde! Trek je niet terug in een toren van Babel, ook niet met de beste bedoelingen, maar globaliseer! En bedenk: niet alleen de lijdende medemens, maar heel de schepping ziet er ‘reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn’ (Rom. 8).

De laatste Adam zoekt een laatste Eva: een bruid en wederhelft met wie nog eenmaal de aristocratie kan worden gevestigd op aarde. Het Hoofd zoekt een Lichaam: een gemeenschap van zalig eenzijdige armen en benen die het vaderhart van God hebben leren kennen en er een groot behagen in scheppen om, met vereende krachten, mee te bewegen op Gods bewogenheid. De Koning zoekt een kabinet: een regering die haar gezag alleen wenst aan te wenden om de luister van het ‘zeer goede’ te zien terugkeren in de schepping.

God zoekt vredestichters die Hij zijn kinderen kan noemen omdat ze op Hem lijken.

Evert Jan Ouweneel is cultuurfilosoof en Director of Public & Church Engagement binnen World Vision International.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *