Een tronende God? Onder de dreigende hemel van vluchtelingencrises, een ecologisch drama en steeds verder polariserende samenlevingen zoekt Huub Oosterhuis het opperwezen liever tussen de schepsels zelf. “God is zo machtig als mensen goed zijn.”

tekst Jasper van den Bovenkamp beeld Rufus de Vries

Oosterhuis mag dan 82 zijn, dat wil niet zeggen dat zijn dagen zijn geteld. Nog slechts een puberleven van z’n eeuwwisseling verwijderd, werkt hij vijf dagen van acht uur. En dan is hij vooral te vinden in zijn werkkamer in De Nieuwe Liefde, achter een computerloos bureau, waar hij turend over de Da Costagracht nadenkt over het leven.

De Nieuwe Liefde is één van zijn geesteskinderen. Het Amsterdamse culturele centrum werd vijf jaar geleden op zijn initiatief opgericht, als een huis van debat, poëzie en bezinning. Tegen een journalist van het internationale opinieblad The Optimist zei Oosterhuis dat hij met het centrum onder meer de “barbaarse, onbeschaafde discussie over de islam in Nederland, die al tien jaar lang moslims vernedert en over één kam scheert”, een beschaafde zwengel wilde geven.

“Waarom zou mijn hellevoorstelling minder legitiem zijn dan die van Dante? Of dan dat ene, grote, fictieve verhaal uit de Bijbel?”

Na Parijs en Brussel lijkt de samenleving in dat gesprek alleen maar verder uit elkaar gegroeid. Is Oosterhuis er misschien te blijmoedig ingesprongen? “Zo zou ik dat niet willen zien”, zegt hij met zijn donkere stemgeluid. “Dat het debat de laatste jaren feller en ongenuanceerder wordt gevoerd, ja, dat klopt wel. Maar des te noodzakelijker is dit huis.” Pessimistisch over de haalbaarheid van zijn dromen is hij allerminst. De hoop op een betere wereld, “tegen de klippen op”, houdt hem op de been.

Wolf en lam

Iets van dat visioen, zoals hij het zelf noemt, ontvouwt zich in zijn nieuwe boek: Wolf en lam. De bundel, die afgelopen maand werd gepresenteerd, bevat een bundeling korte en langere verhalen, waarvan sommige waargebeurd en andere verzonnen. Ze gaan over liefde en dood, over herkenning en vervreemding, over zijn vader, de oplossing van het vluchtelingenprobleem en, natuurlijk, over God.

Het is voor het eerst dat Oosterhuis zich aan fictie waagt; uit zijn pen vloeiden tot nu toe uitsluitend liturgische teksten, gedichten, liederen en essays. “Ik wilde nu eens een keer uit een ander taalveld putten dan het theologische. Korte verhalen bieden veel meer ruimte om de dingen te zeggen en te verbeelden.”

Die verbeelding ontleent de schrijver, dichter en theoloog aan de christelijke traditie zelf, want, zegt hij, die is zelf ook fictief. “We weten niet of er een god bestaat. We gaan ervan uit, het is ooit verteld en het heeft een traditie geschapen. Maar de god over wie we het hebben, komt tot ons via verhalen waarvan we niet weten wie ze bedacht heeft.”

Fictief verhaal

Met die op fantasie gestoelde traditie is de kerk vervolgens aan de haal gegaan, analyseert de theoloog. “Ze heeft dat grote verhaal in beslag genomen, geredigeerd, en er van alles aan verbonden; moraal bijvoorbeeld. Als je de recente Vaticaanse documenten leest, zoals de pauselijke brief Amoris Laetitia (De vreugde van de liefde), die twee weken geleden werd gepubliceerd, realiseer je je dat de rooms-katholieke kerk er sinds eeuwen en eeuwen een leer op nahoudt die werkelijk op niets berust, nergens op teruggaat. Er is geen enkel woord in de joods-christelijke traditie, in de Bijbel of in het evangelie waarin wordt verordonneerd dat homoseksuelen niet mogen trouwen, of dat gescheiden mensen die hertrouwd zijn niet ter communie mogen. Op grond van een fictief verhaal is er een gedragscode ontworpen waaraan mensen zich moeten houden, waar ze ook heel zwaar onder lijden, waarmee ze vernederd worden, of waaraan ze zelfs het recht ontlenen elkaar te vernederen.”

“Met het besluit om de Bijbel zo te lezen, zijn alle vragen over historiciteit gerelativeerd, zelfs de vraag of God bestaat.”

Oosterhuis voelde een sterke behoefte een aantal ingesleten godsbeelden bij te stellen, of zelfs te veranderen. In Wolf en lam gunt de schrijver zich daartoe alle ruimte. Zo gaat God er in het boek ‘een week tussenuit’ om te kijken hoe zijn schepselen het maken. De lezer treft Hem aan op een terrasje van Café de Koning te Udenhout. Even later belt Hij met Elia, die een flinke portie zon moet regelen boven Cyprus, om Camiel Makelaar een comfortabel verblijf te bezorgen. ‘Hij is werkelijk aan vakantie toe’, oordeelt God, verteerd van mededogen. Verderop in het boek laat Oosterhuis een legertje vrouwen de hel uitblazen en antwoordt een rabbijn op de vraag van Jezus van Nazareth of God werkelijk heeft bestaan: ‘Hij staat geschreven, en wordt gezongen.’

Oosterhuis kust zijn wijsvinger. “Tuurlijk, allemaal verzonnen! Maar waarom zou mijn hellevoorstelling minder legitiem zijn dan die van Dante? Of dan dat ene, grote, fictieve verhaal uit de Bijbel?” Historisch noch archeologisch van het hele Bijbelverhaal geen spoor, redeneert hij. “We leven in een wereld van verbeeldingen.”

Fantaseren

In die wereld kunnen we grenzeloos fantaseren over een almachtige God die de seizoenen regelt, mensen de weg wijst en verzoening eist voor schuld, maar van zo’n God wil Oosterhuis niet weten. “Uitgerekend de joodse traditie leert ons dat de kwintessens van de Thora en de profeten is dat je de mens die naast jou staat, moet eerbiedigen, want hij is een mens zoals jij. Met het besluit om de Bijbel zo te lezen, zijn alle vragen over historiciteit gerelativeerd, zelfs de vraag of God bestaat.”

“In de Bijbel is God niet almachtig; hij geeft zijn werk uit handen. Hij is zo machtig als mensen goed zijn, meer niet.”

Niet dat die vraag hem niet meer interesseert. “Voor veel mensen is het een kwestie, en daarmee dus ook voor mij; ik ben met hen verbonden. Mijn antwoord op de godsvraag vind je in Wolf en lam: Hij staat geschreven. Die God, zo lees ik in de verhalen, laat zich kennen als een bevrijdende God, die wil dat mensen afrekenen met alle verhoudingen waarin ze elkaar knechten en onderdrukken. Met zijn appel op menselijke waardigheid en gelijkheid heeft het Bijbelse godsverhaal op mensen een onuitwisbare indruk gemaakt. Dat visioen is door de mensheid herkend, waarheid geworden en tot levensleer verheven.”

Tevergeefs

Maar wie het wereldtoneel afspeurt, zoekt naar dat visioen toch tevergeefs? Aanslag na aanslag, plastic soep in de oceanen, Panama Papers, kreunende oerwouden, de mensheid op drift. “Het visioen wordt gelegitimeerd door het gedrag van mensen die een betere, nieuwe wereld wél voor mogelijk houden, die eraan blijven werken, die elkaar dragen in hun lijden.”

De rooms-katholieke kerk spreekt, voor zover zij u hierin volgt, over ‘mensen van goede wil’.

“Tja… die kwalificatie… mmh… Zouden er mensen zijn níét van goede wil? Bij zo’n categorisering denk ik: rustig aan! Mensen zijn ingewikkelde wezens. Ze doen goed, soms helemaal niet, en af en toe doen ze het tegenovergestelde van wat ze hun leven lang gedaan hebben. Er kunnen zich raadsels afspelen in onze lijven. Mij boeit vooral de Bijbelse mantra, dat mensen in staat zijn goed te doen en een leefbare wereld op te bouwen. Niets is onmogelijk.”

Mensen zijn ook in staat een hel op aarde te maken.

“Ja.”

Hoe legt u dat uit?

“Dat leg ik niet uit.” Stilte. “Een nog groter wonder is het dat mensen in staat zijn die hel te overleven. Jules Schelvis heeft Sobibor overleefd, en meer dan dat. De wereld is vol van zulke mensen. Zonder hen zou er geen sprankje hoop meer zijn.”

En de almachtige God dan, waar blijft hij in dit verhaal?

“Almachtige God? Dat is geen Bijbels idee. In de Bijbel is God niet almachtig; hij geeft zijn werk uit handen. Hij is zo machtig als mensen goed zijn, meer niet. De christelijke traditie heeft met haar ‘driemaal heilig’, met zingende engelenkoren en een tronende God haar fantasie laten spreken. In mijn fantasie gaat het anders. Nadat God de villa aan de Wannsee heeft gezien, waar tot de deportatie en vernietiging van Joden werd besloten, neemt hij definitief afstand van zijn troon.”

En toen?

“Bonhoeffer heeft in het hartje van de oorlog onder woorden gebracht hoe hij het transcendente van God zag neerdalen in de mensen. God is transcendent in de verworpene, zei hij. Ook de filosoof Levinas zit op dat spoor. In de blik van de vreemdeling die mij aankijkt en vraagt: ‘Laat me leven, jaag me niet weg’, dáárin ontmoeten wij God, schrijft hij.”

Is dat niet wat exclusief? Kunnen wij God ook niet ontmoeten in de blik van een mevrouw uit Dwingeloo die een pakje boter afrekent bij de supermarkt?

“Dat weet ik niet. Het hangt van de mensen af.”

Waar hangt dat vanaf?

“Hoe zij kijken naar de vreemdeling.”

Hoe moeten zij kijken?

“Ze moeten de vreemdeling horen zeggen of zien kijken: jaag mij niet weg, laat mij in leven. Als dat het uitgangspunt van onze politiek zou zijn, dan vonden we zonder twijfel mogelijkheden het visioen van een nieuwe wereld waar te maken. Als het Europees Parlement zou uitgaan van het ethisch appel van de joodse Bijbel, waarin ieder mens rechten heeft, dan zou het tot andere oplossingen komen dan een verdrag sluiten met Turkije, dat volgens de Verenigde Naties mensenrechten schendt.”

Ook onze regering stuurt mensen weer terug naar hun thuisland.

“Dat lijkt me niet goed, en niet haalbaar bovendien. Mensen gaan zomaar niet terug naar een land waar ze geen leven hebben. Om die reden verwacht ik niet zoveel van onze politiek. Wél zou ik iets verwachten van een regering die alle mogelijkheden bekijkt om nóg een miljoen vluchtelingen te huisvesten. Beschaving is dat je mensen welkom heet. Niet dat je ze terugstuurt naar de hel waar ze vandaan komen.”

Het is me nogal een operatie om uw vergezichten naar politiek beleid te vertalen.

“O ja, dat is ingewikkeld, maar er zijn mensen die het kunnen en willen. Ze zijn op het moment alleen niet aan de macht.”

Die zitten natuurlijk bij de SP, waar u in 2006 lijstduwer van was.

“Sommigen, inderdaad.”

Ziet u ze ook bij christelijke politieke partijen rondlopen?

“Nou, sinds het CDA een gedoogkabinet met Wilders heeft gesteund, ben ik wat behoedzaam. Dat is een enorme zwarte vlek op ons recente politieke verleden. Het CDA moet dat wel heel duidelijk herroepen, en met daden zichtbaar maken dat het electoraat vandaag met een ander CDA van doen heeft.”

Bij de ChristenUnie misschien?

“Daar ligt het anders, denk ik, maar dat milieu ken ik niet zo van binnenuit.”

Uw eigen partij, de SP, voerde een succesvolle campagne voor een nee-stem voorafgaand aan het referendum over Oekraïne. Dat moet tegen uw zere been zijn geweest.

“Daar was ik niet zo blij mee, nee. Dat ik de SP een warm hart toedraag, wil niet zeggen dat alle activiteiten van de partij mijn sympathie hebben.”

Hebt u zich er binnen de partij tegen uitgesproken?

“Dat ga ik niet met u bespreken.”

Ondermijnt een referendum als dit het mandaat dat kiezers aan politici geven?

“Wat ik erover wil zeggen, is dat ik dat hele project om die nee-stem te bewerkstelligen tamelijk krankzinnig vond. Ik ken de motieven van de SP, en ik begrijp ze ook, maar ik kan me voorstellen dat de partij op dit moment een andere afweging had moeten maken. Dat je in zo’n monsterverbond met GeenPeil en het Burgercomité EU belandt, is toch wel een beetje beschamend.”

U bent 82. Waar maakt u zich nog druk om?

“Ik heb kinderen en kleinkinderen.”

Denkt u na over het naderende levenseinde?

“Ik denk veel na over het leven.”

En over het einde ervan?

“Nee, dat het er is, dat weet ik, en daar heb ik genoeg aan. Kome wat komt.”

U bent er niet bang voor.

“Nog niet. Ik sluit niet uit dat het nog komt. Misschien lig ik straks als een hond te blaffen van de pijn.”

Waar hoopt u op, naar het einde toe?

“Dat ik nog iets zal zien van wat ik in een heleboel liedjes heb opgeschreven.”

Dat de steppe zal bloeien?

“Bijvoorbeeld. Ja, het zou mooi zijn, als die wereld aanbreekt.”

Ziet u ‘m zich al baanbreken?

“Soms. Hij trekt zijn spoor. Zeker. Er zijn mensen die er al iets van belichamen. Toen het generaal pardon voor 26.000 asielzoekers in 2007 werd aangenomen, werd ik geconfronteerd met een Ethiopisch meisje dat naar Nederland was gekomen. Ze was ondertussen achttien geworden en in een asielzoekerscentrum gezet, waar ze gek werd, tot het suïcidale toe. Het is gelukt haar daaruit te krijgen en een verblijfsvergunning voor haar te regelen. Er is nu een kring van mensen om haar heen die haar helpt. Dat is nieuwe wereld. Dan gaat er iets van het visioen in vervulling. Even. En dan komen er weer moeilijkheden.”

Is er niet vooral reden voor pessimisme, als u uw hoop op de nieuwe wereld van mensen laat afhangen?

“Natuurlijk, je zou er moedeloos van worden. Maar ik heb dat visioen nu eenmaal. Of, liever gezegd: dat visioen is er, ik ben erin meegezogen. Ik heb er iets van leren begrijpen, en dat laat zich niet aantasten door de Panama Papers, door het rapport God in Nederland of door een mogelijke aanslag op het Centraal Station in Amsterdam. Ik weet het allemaal al, niet precies natuurlijk, maar ik weet dat de wereld zo is. Daar tegenin zeg je dan: en tóch gaan we een andere wereld maken.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *