Ergens voorbij Doetinchem, een stukje van de doorgaande weg, bewonen acht monniken de Sint Willibrords Abdij. De leefregel van Benedictus is hun leidraad. Broeder Henry Vesseur (1959) vertelt wat dit leven van rituelen voor hem betekent.

tekst Arie Kok beeld Lianne ter Maat

De klok luidt. De zware deur van de kerk staat op een kier. Voorin wachten de monniken in stilte. De dagelijkse eucharistieviering staat op punt van beginnen. Precies om 9.30 uur loopt de dienstdoende priester-monnik naar voren, een grote Bijbel in zijn handen. “Laat uw daden in overeenstemming zijn met uw innerlijke gesteldheid”, leest hij even later. Hij breekt het brood, deelt de wijn. “Het lichaam van Christus voor u gebroken, neemt en eet.”

“Je bent hier niet omdat je van elkaar houdt, maar om te leren van elkaar te houden”

Na de dienst doet broeder Henry Vesseur zijn paarse priesterstola af en haalt koffie. De zwarte habijt ruist om zijn grote lijf. De eucharistie is het belangrijkste ritueel in het klooster, legt hij uit, terwijl hij ontspannen in een koekje bijt. “Het raakt mij zo in de diepste vezels van mijn bestaan. Dit is wat Christus ons heeft nagelaten, als teken van Zijn liefde. We vieren het herstel van het kindschap van God. Dat is de kern van ons leven als christen. Zijn lichaam en bloed eten, is een zijn met Hem, zoals Johannes zes zegt. Onder de gedaante van brood en wijn wordt dat in de eucharistie steeds werkelijkheid. We vieren dit elke dag, als zondaars stellen we ons elke dag opnieuw open voor Zijn genade. Het is geen beloning voor volmaakten, maar we vieren het in de armoede van ons bestaan. Daarom beginnen we met een schuldbelijdenis, als de deurmat waarop we onze voeten vegen. Brood en wijn zijn tekenen van het mens-zijn. Brood staat voor aarde, wijn is het sap van de druif. Het is in de eerste plaats ons voedsel dat we aanbieden, door Zijn offer aan het kruis worden Zijn lichaam en bloed aan ons teruggeschonken. Het vieren van de eucharistie is net zo noodzakelijk als de lucht die we inademen.”

Leren loslaten

Broeder Henry is een makkelijke prater, de woorden komen in lange stromen. Maar praten over de betekenis van rituelen is toch lastig. “Het is een stukje intimiteit met God. Dat is net zo moeilijk uit te leggen als waarom je verliefd bent. Ik ben ook niet altijd in een goede stemming. Zelfs in het allerheiligste ben je er niet altijd voor de volle honderd procent bij. Het kloosterleven is zwaar, ook omdat je samenleeft met mensen die je niet zelf uitgezocht hebt. Je bent hier niet omdat je van elkaar houdt, maar om te leren van elkaar te houden. Je moet hier leren loslaten, je hang naar bevestiging, je zelfgemaakte godsbeelden.”

“Stond ik daar met een oud gordijn om en een boek uit de kast van mijn vader”

Rituelen zijn de buitenkant van de kloosterspiritualiteit, benadrukt broeder Henry. “Zoals we handen en voeten hebben om ons te uiten, zo hebben we tekenen nodig om met de onzichtbare werkelijkheid van God te leven. Fundamentalisme is ons vreemd. Het gaat uiteindelijk ook niet om de Bijbel, om de psalmen die we zingen, maar om de werkelijkheid erachter. Daarom raken we niet uitgeluisterd naar de Matthäus Passion, omdat er een onzichtbare werkelijkheid achter zit. Augustinus zei al: ‘Als je God gevonden hebt, is het God niet.’ We projecteren voortdurend als we ‘god’ zeggen. Maar we kunnen Hem niet vangen in een beeld. We moeten alles achter ons laten, ook ons zelfgemaakte godsbeeld.”

Leerschool in liefde

“Wij mensen zijn geboren manipulators. We proberen onze comfortzone in stand te houden. De dingen zijn van ons, we zijn bezitterig, willen dingen annexeren. Zijn we in onze ikkerigheid ontvankelijk voor de onvoorwaardelijke liefde van God? Hij laat de zon opgaan, Hij zorgt. Die grondwet van het geloof is een gevecht, de onthechting is een belangrijke deugd. God wil de mijne zijn en ik ben de zijne, maar in volledige vrijheid. Het grootste mysterie is dat de mens een vrije wil heeft. Ik kan niet beschikken over God, en Hij niet over mij. Hij laat ons vrij. We willen liever dat Hij beslist, dan hoef je zelf niet na te denken. Maar het is een liefdesrelatie, die kan nooit dwingend zijn. Het klooster is een leerschool om te groeien in liefde.

Ik heb het altijd geweten: ik kom van God en ik ga naar Hem terug. Daarin heb ik me eenzaam gevoeld. Vier jaar oud was ik, en kon nog niet lezen. In de tuin bij ons huis speelde ik priestertje. Stond ik daar met een oud gordijn om en een boek uit de kast van mijn vader. Waarschijnlijk een roman, maar voor mij was het een gebedenboek. Ik ging er helemaal in op en ik weet dat ik intens gelukkig was. Later sloot ik mezelf op in de slaapkamer van mijn ouders om de mis te spelen. De kaptafel van mijn moeder was het altaar.

“Ik kon er zijn voor God, zonder activiteiten om dat te rechtvaardigen”

Toen ik twaalf was begon ik preken te schrijven. Die gooide ik weer weg, maar later bleek dat mijn vader ze uit de prullenbak had gevist en bewaard had. In de vijfde klas van de lagere school beleefde ik mijn ‘coming-out’ toen ik in de klas vertelde dat ik priester wilde worden. Daarna werd ik op straat nageroepen: ‘Daar gaat meneer pastoor!’ De kerk was meer mijn thuis dan het gezin. Daarin voelde ik me niet begrepen. Mijn ouders, broer en zus geen ingang in mijn wereld.”

Internaat

Op zijn twaalfde gaat broeder Henry het huis uit om zich voor te bereiden op de priesteropleiding. “Het was rond 1970, en voor mijn ouders een heel verwarrende tijd. De katholieke infrastructuur stond zo’n beetje op instorten in Nederland. Zij zagen hun zekerheden aan diggelen vallen en hadden een zoon van elf die priester wilde worden. Ze wilden me eerst ook niet laten gaan. Ik heb toen gezegd, en achteraf schaam ik me daarvoor: ‘Je houdt niet van me, omdat je me niet laat gaan.’ Ik kwam op een internaat terecht met jongens ook die priester wilden worden. Dat was mijn spirituele basis, daar voelde ik me thuis.

Op 28 december 1975, om tien uur ‘s avonds, werd ik geroepen om het klooster in te gaan. Kijk het maar na in oude tv-gidsen. Ik was thuis vanwege de kerstvakantie en we keken het programma Zienswijze met Jacques van Belle. Er zaten monniken in de studio die vertelden over hun leven met God. Dat was zo herkenbaar voor mij! Ik zat aan het beeldscherm vastgezogen. Ik had het idee dat er in het priesterschap zoveel bij kwam, huwelijksbegeleiding, pastoraat, wat er zoal in de parochie speelt. Daar is niets mis mee. Maar het paste niet zo bij mij, ik had het gevoel dat ik daardoor van de diepe kern met God wegdreef. Die uitzending was mijn ontdekking dat dat leven ook bestond. Dat je er kon zijn voor God, zonder toevoeging van activiteiten om dat te rechtvaardigen. Ik kon gewoon bij Hem zijn, mijn gevoel bleek legitiem. Er was al eeuwen een levensvorm die bij mij paste. Dat was het begin van mijn zoektocht naar een plek in het kloosterleven. Uiteindelijk heb ik gedaan waartoe Benedictus oproept: verkoop je bezit, geef het aan de armen en kom dan terug om mij te volgen.”

Puzzelstukjes

“Mijn omgeving had er weinig fiducie in. Ze zagen het als een vlucht, zeiden dat ik mijn leven zou vergooien. Ze hadden er veel verdriet van. Ik was op mijn beurt heel boos dat ze me zo neerzetten. Ik begon toch aan een vervolgopleiding, op Rolduc. In het eerste jaar had ik les in een Benedictijner klooster. Daar zijn alle puzzelstukjes bij elkaar gevallen. Het kwam zo dichtbij, dit was de vorm die bij me paste. Onder leiding van een begeleider ben ik toen een proces ingegaan van evaluatie en meditatie. Uiteindelijk kwam de rust doordat ik steeds terugging naar het Woord van God. Eén tekst kwam steeds terug, als een testcase voor mijn gevoel: Lucas 9:23. Daar staat: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, en dagelijks zijn kruis op zich nemen en mij volgen.’

De avond voor mijn intrede zei mijn vader – en ik heb dat ervaren als zijn kapitulatie: ‘Eigenlijk ben je nooit van ons geweest.’ Hij vertelde mij toen dat mijn geboorte een gebedsverhoring was geweest. De zwangerschap bleef lang uit en op een onbewaakt moment hebben mijn ouders toen een gelofte aan God gedaan. Daarna werd ik geboren. Wat mijn vader me vertelde, verklaarde voor mij waarom ik me altijd een adoptief kind heb gevoeld. Bij mijn ouders heeft altijd de angst geleefd dat hun kinderen hen weer afgenomen zouden worden. Mijn vader wilde ons tot zijn dood bij zich houden. Door mijn roeping ben ik voor hen altijd ongrijpbaar geweest. Later is het ten goede gekeerd. Mijn zus liep van huis weg, ze wisten niet waar ze was. Toen zeiden ze: jij woont aan de andere kant van het land, maar je bent dichterbij dan je zus. Hun geloofsleven is zich toen gaan verdiepen en ik voelde meer verbinding met hen. Het offer van mijn eenzaamheid is ergens goed voor geweest.”

Jaloers

Ondanks zijn duidelijke roeping, heeft broeder Henry momenten gekend waarop hij overwoog uit te treden. “Vlak nadat ik was ingetreden kwam ik in een heel vervelend conflict terecht. Omdat ik een goede stem had was, werd ik meteen zanger in het klooster. Daarbij zat ik in de diensten naast een wat oudere monnik. Hij was hoger in rang dan ik. Hij fluisterde mij regelmatig toe: je zingt vals. Omdat ik nogal onzeker was, raakte ik er helemaal ontmoedigd door. Op een gegeven moment was ik een zenuwinzinking nabij en wilde weg. ‘s Nachts kreeg ik een beeld van mijn eerste nacht in het klooster. Ik sprong uit bed, knielde en bad: neem mijn leven, maar niet mijn roeping. Ik ben daarna het gesprek aangegaan met de abt en heb ik een paar weken rust gekregen. Tien jaar later gebeurde het nog een keer, ook door spanningen in de gemeenschap. Die appelleerden sterk aan mijn ervaringen in mijn jeugd. Ik kon het Onze Vader niet meer bidden, bij ‘vader’ stopte het. Als mensen raken aan je verleden, kom je in je nakie te staan. Je leeft hier met mensen die je doorzien, dan sta je de hele dag in de spiegel te kijken. Therapie was toen de oplossing.”

Broeder Henry houdt ervan bezoekers te vertellen over het kloosterleven. Toch is stilte belangrijk voor hem. “Een wond moet genezen door hem met rust te laten. De relatie met God is altijd een helingsproces, van je geboorte tot je dood. Jezus trok zich terug in de stilte. Dat is mijn biotoop, die Jezus in de eenzaamheid. Daar zijn wij als monniken. In die stilte is God als een bries, denk aan het verhaal van Elia. De stilte is de plek van de godsontmoeting. Moeder Theresa zei eens: ‘Als we bidden, luisteren we naar de stem van de Meester.’ Iemand vroeg haar: ‘En wat doet God dan?’ Ze antwoordde: ‘Hij luistert.’ Vroeger kwam ik wel bij mijn grootouders als ze samen in de kamer zaten. Mijn opa las de krant, oma breide. Dan was het helemaal stil in de kamer, heel vanzelfsprekend. Zo is de stilte tussen mij en God ook. Stilte is nietsdoen, ook niet denken. Je moet het niet opvullen met ideeën en projecties. Je moet leeg worden, zodat God je kan vullen. Het ego maakt plaats voor God. Ontvankelijkheid is de hoogste vorm van activiteit.”

Dynamisch

Het aantal bezoekers aan het klooster neemt elk jaar toe, het stiltecentrum bij de abdij zit altijd volgeboekt. Broeder Henry wijt het aan de toenemende maatschappelijke onrust. “Daarmee gaat onze spiritualiteit de wereld in, onze bezoekers nemen het mee. Het is een vorm van apostolaat, gewoon doordat we zijn wie we zijn. Onze roeping is om gemeenschap te zijn in Christus. Volkomen zinloos. Maar de scholier die hier zijn maatschappelijk stage doet, zei na een dag: ‘Nooit gedacht dat het kloosterleven zo dynamisch is.'”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *