Twee jaar geleden overleed plotseling Peter van der Veer, 47 jaar. Zijn vrouw Annet moest alleen verder met zeven kinderen. “Het lijkt soms alsof Peter erbij zit als ik bij God uithuil.”

Annet (48): “Toen ik van mijn werk thuiskwam, stond de ambulance voor de deur. Mijn kinderen stonden overstuur bij de overburen. Mijn zoon van vijftien heeft Peter gevonden, in de keuken. Ik ben naar Peter toegegaan en ging bij hem liggen. ‘Dit kan niet, dit kan niet!’, zei ik. Het kon niet waar zijn, maar het kón ook gewoon niet. We werkten allebei en hebben zeven kinderen, waarvan twee adoptiekinderen en drie pleegkinderen; dat lukte ons alleen omdat we het samen deden. Ik ben dan ook blij dat het zo plotseling is gebeurd. Anders waren we gek geworden; van het idee dat één van ons het alleen zou moeten rooien.

Die eerste momenten waren zo surreëel, alsof ik in een slechte film was terecht gekomen waar je maar niet uitkomt. Ik voelde me verdoofd, al heb ik vanaf het begin gezegd: het komt goed. Vol overtuiging. Geen idee hoe, maar het komt goed. Misschien was het een woord van God.”

Gebalsemd op de bank

“Opeens staat je wereld op z’n kop en moet je allerlei beslissingen nemen. De politie vroeg: ‘Waar wilt u hem hebben?’ Ja, weet ik veel, doe maar op de bank. Al snel merkte ik: dit is hoe ik het wil, de kinderen kunnen om hem heen spelen en hij kon met z’n hoofd op mijn schoot liggen. Dat hadden we allemaal ook nodig, want het was zó niet te bevatten… Ik vroeg aan de begrafenisondernemer of hij bij ons kon blijven, zo, op de bank. Dat kon, zonder koeling, als hij gebalsemd zou worden. Hij heeft van maandag tot de begrafenis op zaterdag in het huis hiernaast op de bank gelegen. Mijn dochter van vijf was helemaal gek op ‘m. Als iemand hem een kus gaf, zei ze: ‘Papa kan geen kusjes meer geven, hè?’. Aanvankelijk leek het alsof Peter sliep, maar op een gegeven moment begon hij een beetje op een wassen beeld te lijken. Toen was het tijd om hem in een kist te leggen, al wilde ik geen kist in huis. Alle kinderen hebben de kist beschilderd.”

Huilend de was doen

“Als je me vooraf had gevraagd: ‘Wat is het ergste wat je kan overkomen?’, dan had ik gezegd: dat Peter doodgaat. Zo ervaar ik het nu ook. Het eerste jaar was overleven. De pijn was soms zo diep en rauw dat het fysiek pijn deed. Er was zo’n diep gat geslagen. Te veel om in één keer te dragen, het moest in stukjes. Mijn kinderen waren een tijdje de enige reden dat ik nog opstond, verder hoefde het van mij even niet meer. Als ik ze ’s morgens vanuit bed hoorde, kon ik de knop even omzetten. Ik merkte dat ik huilend heel veel kon doen: de was, ontbijten, kinderen naar school brengen.

Huilend kon ik heel veel doen: de was, ontbijten, kinderen naar school brengen

Omdat ik Peters overlijden beetje bij beetje toelaat, wordt het gemis steeds heviger. We hebben ons hele leven in Zwolle gewoond, dus er zijn dagen dat overal waar ik kom me aan Peter doet denken. De straat waar hij is opgegroeid, een plas waar we altijd schaatsten, de plek van onze eerste zoen. Ik leerde hem kennen toen ik dertien was, sindsdien zijn wij altijd elkaars belangrijkste geweest. We waren elkaars eerste liefde en zijn samen volwassen geworden. Ik mis mijn beste maatje, iemand om tegenaan te praten na een rotdag op het werk – daar zitten je kinderen niet op te wachten. Het is eenzaam nu, al klinkt dat raar als je veel mensen om je heen hebt.
Ik heb me niet gerealiseerd dat ikzelf zou veranderen na Peters dood. Van ons twee was hij altijd het uithangbord, als we werden gevraagd iets over pleegzorg te vertellen, schoof ik hem altijd naar voren. Nu moet ik dat opeens doen; die ontwikkeling is op zich goed, maar met zo’n aanleiding heb ik er natuurlijk helemaal geen zin in. Net als al het papierwerk dat op m’n bordje komt; ik snap nu pas waarom Peter zo vaak achter de computer zat.”

tekst Wilfred Hermans beeld Jaap Schuurman

Verder lezen? Download hier de pdf-editie van het julinummer voor € 4,95.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *