De Syrische arts Mohamed Al Kaddour was directeur van een ziekenhuis in het centrum van Homs. Nu fiets hij door de Noordoostpolder, gevlucht voor de terreur van de geheime dienst van Assad. ‘Het leed dat ik in Homs heb gezien, is teveel om in een mensenleven te dragen.’

tekst Marjon van Dalen beeld Jaco Klamer

Meer dan zeshonderd dagen was de Syrische stad Homs hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Wat ooit de trotse culturele hoofdstad van Syrië was, verwerd afgelopen jaar tot een bloedig strijdtoneel. Oppositietroepen en soldaten van het regeringsleger van Assad vochten er een bittere machtsstrijd uit. Gewone burgers zaten als ratten in de val. Terwijl in Genève de Verenigde Naties wanhopig probeerden een vredesverdrag te smeden, aten de bewoners van Homs gras omdat er in de hele stad niets anders meer te krijgen was.

“Het is mijn plicht als arts om zieken te behandelen”

Mohamed Al Kaddour was arts-directeur van een ziekenhuis middenin de stad. Hij kwam voor onmogelijke keuzes te staan. “Het was erger dan de duivel zelf had kunnen bedenken.” Het is een koude winterdag en de hemel is strakblauw als ik hem ontmoet op het terrein van het asielzoekerscentrum middenin de Noordoostpolder. Ruim vier maanden is hij in Nederland. Nu fietst hij wekelijks over de kale polderweg naar Emmeloord voor boodschappen. Maar dat de spanning van de oorlog nog lang niet uit zijn hoofd is weggewaaid, wordt al snel duidelijk. Hij neemt de tijd om zijn gedachten om te zetten in zinnen, met geconcentreerde blik formuleert hij zorgvuldig zijn antwoorden. Het valt me op dat zijn ene oog iets scheef staat. Later tijdens ons gesprek, vertelt hij dat de beul van de Syrische geheime dienst zijn oogkas heeft kapotgeslagen, met als gevolg dat hij aan zijn rechteroog blind is geraakt. Als ik hem vraag wanneer hij is gevlucht uit Syrië, slaakt hij een diepe zucht. “Waar moet ik beginnen, er is zoveel gebeurd…” Dan begint hij te vertellen.

Geheime dienst

“In 2011 had ik al een dreigtelefoontje gehad. Ik mocht in mijn ziekenhuis geen gewonde oppositiestrijders meer behandelen, maar alleen soldaten van het regeringsleger van Assad. Als ik geen gehoor zou geven aan deze oproep zou mij iets overkomen wat ik mijn leven lang niet meer zou vergeten”. Hij weet onmiddellijk dat hij van doen heeft met de geheime dienst van Assad en daar valt niet mee te spotten. Mohamed komt voor een enorm dilemma te staan. “Hoe kan ik oorlogsslachtoffers die zwaar gewond worden afgeleverd bij de poort van mijn ziekenhuis weigeren? Het is mijn plicht als arts om zieken te behandelen, dat is de reden waarom ik voor dit beroep heb gekozen.” Hij worstelt met de vraag of zijn eigen veiligheid zwaarder mag wegen dan zijn roeping als arts. De gewapende strijd is in die dagen al in volle hevigheid opgelaaid in Homs. De dreiging van de geheime dienst blijft door zijn hoofd malen, maar hij gaat door met zijn werk. Hij vindt dat hij als arts geen patiënten kan weigeren die levensgevaarlijk gewond zijn, van welke partij dan ook. Hij moet er zijn, nu het zo hard nodig is voor het Syrische volk.

“Ik werd met ijzerdraad aan mijn polsen opgehangen”

Met cijfers van de ambulanceregistratie van zijn eigen ziekenhuis rekent hij op een kladje uit dat hij in dat jaar ongeveer 45.000 oorlogsgewonden aangeleverd krijgt in zijn ziekenhuis. Een derde van die patiënten overlijdt. Kinderen met afgerukte ledematen, en de diepe wanhoop van ouders, omdat er niets meer te redden valt. “Om de andere dag heb ik onder mijn eigen handen een patiënt zien sterven. De wanhoop in de ogen van kinderen en het hartverscheurende verdriet van de ouders… Het leed dat ik in Homs heb gezien, is teveel om in een mensenleven te dragen.” Hij pauzeert even. Alsof hij de gezichten van al die mensen opnieuw aan zich voorbij ziet trekken… Hij vecht tegen tranen als hij erover vertelt. Samen met zijn collega-artsen maakt hij slopende werkdagen. Ze proberen te redden wat er te redden valt. Totdat het in juni 2012 goed misgaat.

Opgesloten

Mohammed komt na een lange werkdag het ziekenhuis uit om thuis te gaan eten. Uit het niets verschijnt een man die hem een stoffen kap over zijn hoofd gooit, razendsnel in een auto duwt en afvoert.

Hij wordt opgesloten in een piepkleine cel, van amper een bij een meter. Hij heeft geen idee waar hij is, later komt hij erachter dat hij wordt vastgehouden in een ondergrondse kerker van de geheime dienst, op een paar kilometer afstand van zijn eigen woonhuis. Iedere dag wordt hij uit de cel gehaald voor de routineondervraging. “Wat ik in die periode heb gezien en meegemaakt, is erger dan de duivel zelf had kunnen bedenken.” Dag in dag uit wordt hij op barbaarse wijze ondervraagd. Zijn beul bedient zich tijdens de verhoren van martelpraktijken waarvan hij tot dan toe niet wist dat ze bestonden. Mohamed zwijgt en staart voor zich uit. Het lijkt of hij moed moet verzamelen voordat hij verder vertelt. Dan laat hij zijn polsen zien. Aan beide zijden diepe inkervingen, net op het scharnierpunt met zijn handen. Met een in tranen gesmoorde stem vertelt hij zachtjes verder. “Ik werd met ijzerdraad aan mijn polsen opgehangen, mijn armen gespreid, zo werd ik ondervraagd. De pijn was ondraaglijk, het leek of mijn spieren uit elkaar scheurden. Mijn hoofd explodeerde van de pijn. Tussentijds raakte ik telkens bewusteloos. Dan weer kreeg ik elektroshocks. En elke keer kreeg ik weer de vraag of ik nog steeds van plan was om slachtoffers van de oppositie te behandelen in mijn ziekenhuis.”

“Op een gegeven moment heb ik de profeet Jezus aangeroepen”

Hij wordt tot zijn uiterste grenzen getergd. Zijn ondervrager wordt woest. “Ga je die mensen nu nog steeds behandelen?” roept hij uit. “Ik antwoordde hem dat ik arts ben, en dat het mijn beroep is.” Dan staat zijn beul op, pakt een zwaar ijzeren voorwerp van zijn bureau en slaat Mohamed frontaal in zijn gezicht. Door de klap wordt zijn rechteroogkas verbrijzeld. Direct daarna wordt hij, zoals na ieder verhoor, weer in zijn cel gesmeten. Dit keer meer dood dan levend. “Dat ik hier binnenkort zou sterven, daar was ik vast van overtuigd. Mijn vrouw en kinderen zou ik nooit meer terugzien. De mensen die het in dit systeem voor het zeggen hadden, waren geen mensen meer, maar beesten. Die wetenschap maakte me wanhopig.”

Licht

Maar diezelfde nacht heeft Mohamed een bijzondere ervaring. “In mijn cel heb ik het uitgeschreeuwd van de pijn. Mijn lijf barstte uit elkaar. Op een gegeven moment heb ik de profeet Jezus aangeroepen. Ik had ooit weleens het verhaal gehoord dat hij was gekruisigd. Daar moest ik aan denken die nacht. Hoe heeft hij dat volgehouden? Die vraag hield me bezig. In mijn wanhoop heb ik het uitgeschreeuwd naar hem. Zoiets als: ik weet niet hoe u het volgehouden hebt aan het kruis, maar mij lukt het niet.” Op dat moment begint er in de hoek van zijn cel een klein lichtpuntje op te gloeien dat steeds groter wordt. Mohamed maakt met zijn hand een klein bolletje en beweegt zijn handen steeds verder uit elkaar. “Het licht was zoals het schijnsel van de maan, het werd steeds groter en opeens stapte er een helder verlichte persoon mijn cel binnen. In het lichtschijnsel zag ik opeens mezelf liggen op de grond, ik zag dat ik nog onder het bloed zat van het laatste verhoor. De persoon straalde een en al vriendelijk licht uit. Op de een of andere manier drong het diep tot me door dat dit Jezus zelf was. Ik kan niet uitleggen hoe. Ik wist het gewoon. Langzaam boog hij zich voorover en raakte met zijn hand mijn kapotte oog aan. Hij vroeg me vervolgens om op te staan, maar mijn hele lijf deed pijn. Het lukte me niet. Toen strekte hij zijn arm naar mij uit en trok me overeind zodat ik op mijn voeten stond. ‘Leven mijn kinderen nog?’ vroeg ik. ‘De beul had gezegd dat ze die ook zouden pakken.'” Dan wordt Mohammed aan de hand mee genomen en krijgt een visioen. “Ik keek naar binnen in mijn eigen huis, en ik begroette mijn dochter van vijf. Ze omhelsde me, het volgende moment zat ze heel ontspannen televisie te kijken. Met de benen dwars over de stoelleuning.” Mohammed doet het voor. Als hij maanden later na zijn vrijlating thuiskomt, zal hij haar tot zijn grote verbijstering in precies dezelfde houding aantreffen voor de televisie, met haar benen dwars over de stoelleuning. Op dat moment in de cel ervaart hij dit beeld als een enorme opluchting. Direct daarna wordt hij vanuit zijn kleine gevangeniscel meegevoerd naar een weids landschap, een vergezicht dat rust en vrede uitstraalt. Dan verdwijnt het licht, en wordt het weer donker in zijn cel. Maar iets van de vrede die hij heeft ervaren blijft. Mohammed vertelt dat hij vanaf die bijzondere nachtelijke ontmoeting niet langer fysiek wordt gemarteld. Hij is ervan overtuigd dat dit te maken heeft met de persoonlijke tussenkomst van Jezus zelf. “Dankzij Hem heb ik deze hel overleefd, daar ben ik zeker van.”

“Ik ontmoette een vreemde die dezelfde liefde uitstraalde als Jezus die nacht in Homs”

Ruim twee maanden later wordt hij totaal onverwacht en zonder opgaaf van redenen, vrijgelaten. Na al die tijd in een piepkleine cel, staat hij opeens weer buiten op straat. Mohamed realiseert zich dan pas dat hij al die tijd in een ondergrondse kerker op een paar kilometer afstand van zijn eigen huis is vastgehouden. “De emotie die ik toen voelde is moeilijk te beschrijven. Ik was blij dat ik vrij was en nog leefde. Maar alles wat ik om me heen zag was kapot geschoten. Alle bekende gebouwen uit mijn eigen wijk. Een ontstellende aanblik.” Totaal verzwakt en amper in staat om op zijn benen te staan, strompelt Mohamed naar huis. Hij weegt niet meer dan 58 kilo, terwijl hij 102 kilo woog toen hij werd opgepakt. “Om de paar meter moest ik gaan zitten om uit te rusten. Ik had geen enkele kracht meer in mijn lichaam. Vier uur heb ik er over gedaan voordat ik thuis was, terwijl ik deze afstand normaal gesproken in een halfuurtje liep.”

Spookstad

Eenmaal op vrije voeten, ziet Mohamed dat niet alleen zijn stad is verwoest maar dat ook de mensen in Homs kapot zijn gemaakt. Door alle strijdende partijen, is grote verdeeldheid ontstaan onder de bevolking. “De eenheid van vroeger was totaal verwoest. Homs was veranderd in een spookstad. Mensen gingen er dood van de honger en van de 25 ziekenhuizen waren er nog een of twee over die medische zorg verlenen. De andere ziekenhuizen waren verwoest. Ook mijn eigen ziekenhuis was platgebombardeerd. Een van mijn naaste collega-artsen was tijdens mijn gevangschap vermoord. Een maand na mijn vrijlating kreeg ik het bericht dat ook een andere collega van me was bezweken tijdens de martelingen.”

Na alle ellende die hij heeft mee gemaakt, geeft Mohamed niet op. De vernietigende uitwerking van deze oorlog maakt hem vastberadener dan ooit om zijn strijd tegen dit systeem voort te zetten. “Assad heeft al zijn vertrouwen gesteld in de geheime dienst en die is een volledig eigen leven gaan leiden. Het is een moordmachine die zonder enige moraal opereert. Ze staan boven de wet en kunnen doen en laten wat ze willen.”

Mohamed besluit zich als arts aan te melden bij de Syrische oppositie in Turkije en vertrekt met zijn gezin richting de Turkse grens. Weg uit het land waar hij is geboren en getogen, waarvan hij heeft gehouden. Hij beseft dat het een rigoureus besluit is. “Ik was doordrongen van de gedachte dat ik nooit terug kon keren.” Terwijl ze naar de grens rijden, wordt elf kilometer verderop een dorp gebombardeerd. “Ik was zó bang om bij de grens alsnog opgepakt te worden door de regeringstroepen. Ik had simpelweg geen ruimte in mijn hoofd om stil te staan bij het afscheid van mijn moederland. Ik was blij dat ik levend mijn land kon verlaten.”

Maar zijn idealistische keuze om zich aan te sluiten bij de Syrische oppositie in Turkije, loopt al snel uit op een teleurstelling. “Precies dezelfde beestachtigheden die ik had meegemaakt in de gevangenis, zag ik hier terug bij de oppositie. Het bracht me in grote verwarring. Als in de naam van dezelfde Allah zoveel wreedheden worden begaan, wie was ik dan?! Hoorde ik hier als moslim nog langer bij, of was ik iemand anders?” Zwaar gedesillusioneerd distantieert hij zich van deze praktijken en vlucht verder.

Uiteindelijk belandt Mohamed in augustus 2013 met zijn gezin in Nederland en vraagt asiel aan. In oktober strijkt hij met zijn vrouw en drie kinderen neer in het asielzoekerscentrum van Luttelgeest. Dan, al fietsend door de polder, ziet hij tot zijn eigen verbazing exact hetzelfde weidse landschap voor zich dat hij meer dan een jaar daarvoor in zijn nachtelijke visioen in de gevangenis van Homs heeft gezien. Door de treffende gelijkenis, besluit hij dat dit geen toeval kan zijn. Jezus zelf heeft hem hier gebracht. Hij besluit daarom op zoek te gaan naar een kerk om advies in te winnen bij christenen. Hij wil weten wat hij kan doen om Jezus persoonlijk te bedanken. In de ontmoeting met een christelijke voorganger die volgt, stromen de tranen die hij al jaren heeft opgespaard.

“Ik ontmoette een vreemde die dezelfde liefde uitstraalde als Jezus die nacht in Homs.” Als Mohamed besluit om de Bijbel die hij krijgt te gaan lezen, is hij tot op het diepst van zijn ziel geraakt door het verhaal van de verloren zoon. “Die zoon, dat ben ik. Eindelijk besef ik dat ik mijn Vader heb gevonden, waar ik al mijn hele leven naar op zoek ben. Mijn geestelijke geboorte is een zware bevalling geweest. Ik draag nog steeds een groot verdriet met mij mee. Maar nu ik Jezus beter heb leren kennen, smaken mijn tranen anders. Ze zijn niet bitter meer…”

3 thoughts on “‘Mijn tranen zijn niet bitter meer’

  1. Onvoorstelbaar het verhaal van de dokter uit Homs. En wat een moed en doorzettingsvermogen. Ben blij dat hij in noordoost polder kan fietsen en wens hem veel sterkte alles te verwerken

  2. Ja, heb Mohamnmed al Kaddour Gisteren 12 November 2017 voor het eerst ontmoet.
    En nu zijn verhaal gelezen,dit raakt hiel diep.
    Hoop en verwacht dat hij veel vrucht zal dragen.
    Hoop dat het contact een begin is,van een vruchtbare samenwerking.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *