De roman Mintijteer van de Duitse schrijfster Esther Maria Magnis wordt door velen bejubeld. Maar is het, op de keper beschouwd, wel zo’n goede roman? Het schrille en soms schreeuwerige taalregister neemt de ruimte in die beter aan de lezer kan worden overgelaten.

Door Tjerk de Reus

Soms komt het voor dat een roman iets weg heeft van een preek of een spiritueel dagboek. Iets vergelijkbaars geldt voor Mintijteer, de in 2012 verschenen roman van de Duitse schrijfster Esther Maria Magnis (1980). Haar boek, oorspronkelijk verschenen als een bekeringsverslag onder de titel Gott braucht dich nicht, is niet alleen een verslag van de religieuze ontwikkeling van hoofdpersoon Esther, maar ook een discussieboek waarin druk geargumenteerd wordt over het bestaan van de waarheid, over de leegte van de areligieuze cultuur en over aspecten van God die men in de kerken liever buiten beeld houdt.

Dit alles is ingebed in de levensloop van de hoofdpersoon, waarbij het voortdurend draait om het proces in Esthers innerlijk. En daar vonkt het, want Esther ligt met veel vragen overhoop. Bijvoorbeeld met de vraag of er überhaupt wel ‘waarheid’ bestaat. In onze cultuur is het gemeengoed om te beweren dat objectieve waarheid niet bestaat: het gaat vooral om ‘waarheid voor jou’. Maar dat is Esther te mager. Dat er mogelijk geen waarheid bestaat, kwelt haar en ze ziet in haar innerlijk ‘hoe dat ene zinnetje opzwol en zich dik maakte, hijgend en zwetend blufte en pronkte, grommend om zich heen keek, terwijl hij andere zinnen vernielde, alle mensen, mijzelf, elk inzicht, elk vermoeden kleineerde, en daarbij zelf niet één in de spiegel keek om in te zien dat het zelf net zo goed onder dat dogma viel.’

Knettergek

De roman heeft twee brandpunten. Allereerst staan de ziekte en het sterven van Esthers vader centraal, later de ongeneeslijke ziekte van haar broer, Johannes. Dat is een hoop drama in één roman. Dit zou niet zo’n probleem zijn als het verhaal met de nodige subtiliteit verteld zou zijn en met terughoudendheid waar dat gepast is. Maar behoedzaamheid is niet het handelsmerk van Esther Maria Magnis, en daarmee staat zij – in tegenstelling tot wat in het Reformatorisch Dagblad wordt beweerd – mijlenver af van auteurs als Vonne van der Meer en Marilynne Robinson. De emoties van de hoofdpersoon benoemt Magnis allemaal zeer expliciet, met sterk aangezette woorden als ‘krijsen’, ‘knettergek’ en het voortdurend noemen van ‘de dood’.

Esther bidt met haar broer en zus stiekem op zolder, als haar vader ziek is. Naderhand noemt ze dat dan weer ‘een onuitsprekelijke schertsvertoning’. Over agnosten en atheïsten bedenkt zij woedend: ‘Waarom stonden ze daar zo soeverein te redeneren? Daar hadden ze geen enkele reden toe. Ze waren voer voor de wormen.’ En als die mensen God of de priester afwijzen, weet zij: ‘Ze vonden wel weer een andere hand om vast te houden.’ Alle grote levensvragen doorleeft Esther met een rechtlijnige radicaliteit, waarbij ze zichzelf iets te serieus neemt: ‘Ik ken de alleen maar de liefde die eeuwigheid eist.’

‘Hij zwijgt’

Teveel dramatiek, zeker als die expliciet en in emotionele bewoordingen wordt geuit, ontneemt ruimte aan de lezer. Dit gebeurt in deze vertelling zeer geregeld, maar er zijn ook passages die je aan het denken zetten of die je onthoudt door hun puntigheid. Zoals deze opmerking over de vier evangeliën: ‘Wie voorzichtig op zoek gaat naar het geloof in deze Jezus, krijgt geen flyer met een zeven-punten-plan, maar die dwaalt door vergezichten. Die doorkruist vier keer het grote geheim.’ Esther is voortdurend bezig met de vraag wie ze eigenlijk zelf is, of haar bestaan ertoe doet.

Op een zeker moment bedenkt ze dat het onverdraaglijk is dat er geen ‘oordeel’ wordt geveld als God er niet is – en er dus niets anders is dan leegte en zinloosheid. Het eindeloos maar doorgaan van de dingen staat haaks op ‘ons verlangen naar gerechtigheid en gericht’. Dit verlangen raakt onze hoop dat wij ertoe doen. De schrijfster trekt echter niet schielijk de lijnen door naar een soort godsbewijs, vanuit dit basale menselijke besef. Wel laat ze haar hoofdpersoon denken: ‘Ik weet dat er goede gronden zijn om niet te geloven. Maar ik denk wel eens dat de meesten er gewoon verdriet van hebben dat hij er niet is. Dat hij zwijgt. En dat ze daardoor zelf in zekere zin tot zwijgen vervallen.’

‘God is verschrikkelijk’

Als het gaat om wie God is, laat de auteur haar hoofdpersoon controversiële dingen beweren, die juist om die reden de moeite waard zijn. Bijvoorbeeld: ‘God is verschrikkelijk. Hoe mooi hij ook is – hoe oneindig groot zijn liefde en genegenheid voor de mensen ook zijn mag.’ Dit besef doet haar in haar gebeden ‘strompelen’. Ze kan dan ook niks beginnen met de ‘leugen die je in allerlei kerken te horen krijgt: wij hebben geen vreesgeloof maar een praisegeloof. Dat is niet waar. Dat is gewoon niet waar.’ Want het christelijk geloof ‘heeft weet van de complete rotzooi die deze wereld is.’ Dit tegendraadse geloofsbesef past heel goed bij de oorspronkelijke Duitse titel Gott braucht dich nicht (‘God heeft jou niet nodig’), maar minder bij de wat zoetige boektitel die nu gekozen is.

N.a.v. Esther Maria Magnis, Mintijteer, uitgeverij Van Wijnen, € 16,95

[deze recensie verscheen, in een eerdere versie, in het Friesch Dagblad]

3 thoughts on “Mintijteer laat weinig ruimte aan de lezer

  1. Tsjonge, wat kun je het soms oneens zijn, hè? Hamvraag: zou je het boek aanraden, wegschenken. uitlenen? Ja, ik wel. En jij Tjerk?

  2. In één ruk uitgelezen. Eerlijk, openhartig en rauw geschreven. Schurende en bonkende maar toch ook herkenbare zoektocht. Een intieme en persoonlijke inkijk in de ziel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *