Deze week verscheen de nieuwe Halík, De nacht van de biechtvader. Tjerk de Reus stelt bij het lezen van het boek vijf vragen. 

Door Tjerk de Reus

1. Waar ligt de schrijver wakker van?

De Tsjechische priester Tomás Halík lag niet woelend wakker in zijn bed, maar hij had er doelbewust van afgezien om te gaan slapen, toen hij wilde nadenken over wat hij als biechtvader had geleerd. Als rooms-katholiek geestelijke voerde hij vele gesprekken met mensen in de biechtstoel, en zij vertelden hem over hun zonden, hun twijfels en de kwesties waarin ze vastliepen. Halík heeft de tijd genomen om al die gesprekken te overpeinzen. Hij zag meer dan individuele lotgevallen en persoonlijke overtuigingen. In zijn gesprekken stuitte hij op het ‘verborgen gezicht van de tijd’; de ‘innerlijke stemming’ van ons tijdsgewricht. In zijn boek De nacht van de biechtvader probeert Halík dat verholen gelaat in beeld te brengen. Dit doet hij met een persoonlijke inzet. Hij groeide zelf op buiten de kerk en heeft altijd een sterke affiniteit behouden met wat zich in de breedte van de cultuur afspeelt. Binnen de kerk lijken de zaken helder en gefundeerd: God, het geloof, het leven op weg naar de Voleinding. Maar aan zekerheden wordt geknaagd, door krachten van binnen en van buiten de kerk. Daarover schrijft Halík in het genoemde boek dat al in 2005 in het Tsjechisch verscheen en nu in een Nederlandse vertaling beschikbaar is. Het laat zich heel goed lezen naast Geduld met God, zijn boek dat eind 2014 verscheen in het Nederlands en veel reacties losmaakte.

2. Wat verrast in dit boek?

Het verrassende van Halík is niet per se dat hij twijfel serieus neemt, als iets wat onontkoombaar bij geloven hoort. Voor sommige lezers zal dit evengoed een eyeopener zijn, omdat geloof voor hen gelijk staat aan zekerheid. Maar de meeste hedendaagse gelovigen zullen toegeven dat hun geloof door lastige vragen omgeven is. En dan zijn er altijd de opiniemakers in onze publieke cultuur die het geloof aan de kant willen schuiven, zéker de institutionele vormen van geloof, want de kerk zou zichzelf overleefd hebben. Halík staat hier toch echt anders in, verrassend genoeg. Hij wil heel diep afdalen in de vragen van twijfel, aarzeling en desoriëntatie – die vindt hij zelfs noodzakelijk – maar steeds wel met het behoud van een sterke geloofsverwachting, waarbij hoop en vertrouwen de sleutelwoorden zijn. Misschien is dat ook typisch katholiek aan hem; er kan veel betwijfeld worden, maar je blijft in de bedding van de kerk en in de ruimte van God. Zijn boek is dan ook van a tot z een geloofsboek, hoezeer hij zich ook kritisch opstelt tegenover gelovigen die van God een succesfactor maken of menen dat op alle vragen een helder antwoord te geven valt – dit noemt hij ‘het goedkope geloven’. Halík schrijft over dat wat wij in Nederland rond 1990 bediscussieerden als ‘godsverduistering’ en die zou je niet moeten overwinnen, maar ‘oprecht doorleven’. Een crisis is ‘een belangrijke gelegenheid die God ons geeft’: het is een oproep ‘om in de diepte af te dalen’, aldus Halík.

3. Wie schrikt van dit boek?

Dat je godsverduistering niet koste wat kost moet willen overwinnen, is misschien wel een heel lastig punt in dit boek. Want als je niet terug moet willen naar het geloof zoals het was, voor jouzelf of als duidelijk gegeven in cultuur en samenleving – waar gaan we dan naartoe? Ik kan me voorstellen dat er lezers van Halík zijn die hier te vroeg juichen. Wat de Tsjechische priester voor ogen staat, is niet iets simpels, dat ons eventjes bevrijdt en helpt om afscheid te nemen van wat we niet meer ‘kunnen meemaken’ in de kerken. Als Halík zijn lezers duidelijk maakt dat het vandaag misschien eerder om een ‘klein geloof’ gaat dan om een ‘groot geloof’, geeft hij prettig klinkende kritiek op een ‘opgeblazen’ geloof, dat ‘zwaar en hard’ is geworden door ‘het pantser waarachter veel angst voor uitzichtloosheid schuilgaat’. Maar als we dat alles achter ons laten, welke toekomst ontvouwt zich dan? Daar is Halík niet onduidelijk over. Het gaat erom dat je, bevrijd van alles wat jou in geestelijke zin dik en vadsig maakt, op een nieuwe manier toe bent aan ‘de ontmoeting met hem’.

4. Wat wil de schrijver bereiken?

Halík wil met dit boek ruimte creëren voor het eigenlijke verhaal van het christelijk geloof. Zijn focus ligt bij Goede Vrijdag en Pasen, waarin hij ziet dat God iets nieuws begint waar alles vanuit menselijk oogpunt vastloopt en teloor gaat. Dat is hoopgevend, ook met het oog op de deplorabele staat van de kerk in Europa. Maar dit is geen opstapje om opnieuw triomfalistisch te gaan denken. Halík omschrijft de levenspraktijk die bij het Paasgeloof hoort als iets onmogelijks, iets wat ons absurd in de oren klinkt. Dan gaat het niet om ‘buitengewone prestaties’ of om ‘wonderen’ en ‘buitengewone gaven van de Geest’, maar: ‘De radicaalste uitingen van geloof – werkelijk absurd en onmogelijk, ja dwaas en krankzinnig in de ogen van ‘deze wereld’ – zien er heel anders uit. Daar hoort vergeven bij waar ik me kan wreken, ‘de vijand liefhebben’ en ‘de andere wang toekeren’ waar ik gekwetst ben’. Dit alles is niet simpel, weet Halík. Maar als we nog nooit de indruk hebben gehad dat wat Jezus van ons wil ‘absurd, dwaas en onmogelijk’ is, dan hebben we ons de hoop en het vertrouwen die bij het Koninkrijk horen nog niet eigen gemaakt.

N.a.v. Tomás Halík, De nacht van de biechtvader. Christelijk geloof in een tijd van onzekerheid, Boekencentrum, € 19,50.

 

 

 

One thought on “Niet te vroeg juichen bij Halík

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *