Het werd een van de meest uitdagende gesprekken die ik ooit heb gevoerd. Ik zei: “Heb je zin in koffie?” Ze zei: “Reken maar.”

tekst Samuel Wells beeld Arie de Fijter

We hadden elkaar tot op dat moment nooit echt gesproken. Ze had haar eerste kind laten dopen en een van onze gemeenteleden had haar berispt omdat ze bij die doopplechtigheid een off shoulder-jurk had gedragen. Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. ‘Schenk er maar geen aandacht aan, hij is…’ Nee. ‘Je ziet er juist fantastisch uit!’ Nee, nee. Het werd uiteindelijk: “Hopelijk zal het je dag niet verpesten.” Haar man was extreem aardig, maar hij zei niet veel. En ik dacht alleen maar wat elke voorganger zou denken: er staat hier een stel van begin dertig voor mijn neus. Dit is de toekomst! Ik mag dit niet verpesten!

Teoloog en ethicus SAMUEL WELLS (1959) is priester in de Anglicaanse Kerk en hoogleraar christelijke ethiek aan het King’s College in Londen. Hij is in die stad tevens verbonden aan de gemeente van St Martin-in-the-Fields. Hij is met ingang van november verbonden aan De Nieuwe Koers als columnist.

Dat was toen. Nu zat ik aan zijn ziekenhuisbed. Hij zat er afgemat en verslagen bij, met een enorme rubberen slang in z’n luchtpijp. Bloeding, beroerte – flarden van woorden die je doen sidderen. Het was in een zijkamer van een hightech-ziekenhuis, het soort dat je als voorganger – zonder gadgets en niet in staat zoemende monitoren te doorgronden – dom en onhandig doet voelen. Maar ik wilde erg graag weten wat er speelde. En bood zijn vrouw een kop koffie aan. 

Hoop en wanhoop

Eigenlijk kende ik haar nauwelijks. Wat voor werk ze deed, hoe haar geloof zich had gevormd. Ik wist het allemaal niet. Wel dacht ik: wat is hier in vredesnaam aan de hand? Want ze sprak adembenemend rustig en beheerst, terwijl ze me inwijdde in de binnenste cirkel van haar bestaan. Het gesprek cirkelde als een draaikolk totdat het aankwam in zijn kern (‘zal hij sterven?’), vervolgens de onbekende diepte indook (‘zal hij altijd zo blijven?’) tot aan het ondenkbare en onzegbare toe (‘is het beter als hij nu sterft, in plaats van decennialang door te leven in zeer beperkte toestand?). Een John Cleese-personage sprak eens de beroemde woorden: “Het is niet de wanhoop die je doodt, het is de hoop.” Maar wat als je niet weet waarop je moet hopen?

 

We deden het meest opzienbarende wat je kunt doen in een koffietent. We zaten tegenover elkaar in stilte. We erkenden dat je sommige dingen beter niet kunt uitspreken, maar dat het ook niet goed is om in die dingen alleen te zijn. Ik ging terug naar boven, naar de ziekenhuiskamer, en kon een klein ogenblik vinden, tussen alle inspanningen van de verpleegkundigen door, om aan zijn bed een gebed uit te spreken. “O, God, hier is uw kind. Toon ons uw wil. Doe wat alleen U kunt doen. Geef ons kracht voor vandaag. En neem de angst voor morgen weg uit ons hart.”

Therapie

Ik deed alle dingen die je doet als je niet weet wat je doen moet en sprak erover met mijn collega’s. Na een tijdje droeg ik het pastoraat over aan een junior in het team. De naam van de man kreeg een plek op de lijst van gebedspunten van de gemeente. De vrouw stuurde ik ongeveer eens per maand een e-mail, om te vragen hoe het ging. 

Uiteindelijk was de tijd rijp om opnieuw zelf een bezoek te brengen aan het ziekenhuis. Het werd een bezoek waar je in pastorale handboeken nooit over leest. Ik had een halfuurtje, maar toen ik op de afdeling aankwam, was hij nergens te bekennen. Na het nodige zoekwerk bleek dat hij stond te douchen, tussen twee therapiesessies door. De verpleegkundigen wilden hem niet storen om te zeggen dat ik er was en tegenwoordig zal geen geestelijke het aandurven ongenodigd een douche binnen te stappen.  

Dus ik wachtte en toen hij klaar was, waren er nog vijf minuten over. Maar het was genoeg. Hij sprak. Hij liep. Onbeschrijflijk veel beter dan ik had durven hopen. Ja, zijn leven stond volledig in het teken van therapie. En nee, zijn woordenschat was nog niet geweldig en lang concentreren lukte nog niet. Maar hij leefde, en hij zou leven. De onzegbare zinnen in die koffietent, een jaar geleden, moesten worden uitgesproken. Er was hoop.

Marco Tardelli

Het leven ging verder. Het was een zeer drukke tijd. En toen kwam afgelopen zondag. Opnieuw een propvolle dag, waarop je als voorganger bestookt wordt met vragen, snelle gesprekken voert en mentale aantekeningen noteert. En ineens kwamen ze binnenlopen. Mama, papa, twee kleine meisjes. Ik werd overweldigd door ongeloof en blijdschap. Het was in één keer paasmorgen. Als Marco Tardelli na zijn beslissende doelpunt in de WK-finale van 1982 rende ik juichend door de kerk; om het gezin vervolgens zeer onprofessionele hugs te geven. En ik vocht tegen de tranen.

‘Maar wacht even’, spraken haar ogen. ‘We zijn er nog niet.’ En ik knikte begrijpend. ‘Natuurlijk, hij is niet volledig zichzelf, misschien zal hij dat nooit zijn, en in het beste geval is er nog een lange weg te gaan.’ Maar vanbinnen huilde ik de tranen van vreugde die je in je bediening zelden huilt. Maar zelden leer je mensen kennen, aanschouw je de ergste nachtmerries waarop het leven kan uitlopen, zit je aan hun zij in de donkerste dagen van hun leven, zie je tegen alle verwachting in toch hoop gloren aan het eind van de tunnel om ze uiteindelijk rustig de kerk te zien binnenlopen, om hun plaats in te nemen voor de communie. 

Dit huis heeft verlossing gezien. En er is vreugde in de hemel. Heel soms mag je opstanding werkelijk ervaren. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *