De zorg voor de schepping wil onder christenen maar geen thema worden, constateert Tjirk van der Ziel. Maar op de kaalgeslagen akker van het westerse christendom valt met het wereldwijde voedseldebat eindelijk een zaadje dat weleens tot een warm verhaal zou kunnen ontkiemen.

De groene bolsters knerpen onder de voeten. In de lage ochtendzon liggen de stekelige omhulsels als opengebarsten egeltjes te dommelen, hun donkerbruine kern nog stevig koesterend, hoewel de kastanjeglans hier en daar al spiernaakt is uitgestrooid. De ijzig koude, bij vlagen stormachtige wind heeft de hoge bomenrij die nacht flink doen buigen. Het is half september, maar in dit deel van de Côte d’Azur weet de herfst zijn voorboden vroegtijdig wakker te schudden. Vanaf een heuvel kijken we neer op Nice.

We, dat zijn zo’n beetje alle Europese afdelingen van A Rocha. Op het Franse veldstudiecentrum Les Courmettes wil de christelijke natuurbeschermingsorganisatie een nieuwe stap zetten in de zorg voor de schepping. Want met die zorg wil het maar niet vlotten – zelfs de eigen wereld voelt soms kil aan.

Het hele essay lezen? Lees dit nummer digitaal. Of sluit een (proef)abonnement af!

Je vraagt je af waar dat aan kan liggen. Eventuele struikelblokken zijn namelijk jaren geleden al in kaart gebracht, een mix van theologische en secundaire bezwaren. Nogal wat christenen blijken huiverig voor New Age-ideeën in de milieubeweging. Anderen achten geestelijke zaken hoger dan het aardse, of vinden natuurbescherming iets voor gelovigen met een groen hart. Daartegenover wijst A Rocha naar Gods glorie die zich uitstrekt over de hele aarde, een volheid die door menselijk handelen wordt aangetast en bezoedeld. Toch blijft dit haperen. Dat ligt niet aan de boodschap, want die is helder genoeg. Op de conferentie werd meer dan eens met elkaar gedeeld: als beelddrager van God is de mens geroepen om behoedzaam en op respectvolle wijze met de aarde om te gaan. Ook de vorm zou moeten werken, want de praktische gerichtheid maakt het voor vrijwel iedereen mogelijk de handen uit de mouwen te steken. De inzet is evenmin een punt, want de kunde en gedrevenheid van de vele leden is fenomenaal.

Verhalenvertellers
In Zuid-Frankrijk werd zorg voor de schepping omgebogen naar zorg om de kloof met medegelovigen. Veel christenen willen geen theologie, meende de een. Veel christenen hebben verleerd te vertrouwen op God, verklaarde de ander. Toen sprekers naar voren brachten dat niet-christenen vaak beter de nood van de aarde onderkennen en onder woorden weten te brengen, klonk er enige frustratie in door. Hier werd gebroed, samen gebeden, naar oplossingen gezocht. Opvallend daarbij was dat de conferentiegangers het voortbestaan van de kloof mede bij zichzelf zochten. We moeten beter communiceren, andere termen hanteren, de schepping weer onderdeel maken van onze geloofstaal. En: er zijn nieuwe verhalen nodig. Bijvoorbeeld een verhaal over verandering op de schaal van een nieuwe Reformatie. Of een verhaal over hoop en ultieme vreugde omdat God in onze wereld inbreekt. Gebruik gelijkenissen, waarin we onze persoonlijke worsteling mogen laten zien. We moeten uitmuntende verhalenvertellers worden.

Onderhuids blijven we als samenleving stug vastgeklonken aan een wereldbeeld waarin de mens lijnrecht tegenover de natuur staat

Het zijn nuttige suggesties. Storytelling doet het tegenwoordig goed, dus wie de juiste verhalen weet te vertellen kan veel bereiken. Maar daarmee zijn we er niet. Onderhuids blijven we als samenleving stug vastgeklonken aan een wereldbeeld waarin de mens lijnrecht tegenover de natuur staat. Een voorbeeld: Vlak voor de conferentie bracht National Geographic een lange reportage over Nederland als de voeder van de wereld. Een juichverhaal over Hollands glorie, want na de Verenigde Staten zijn wij ‘s werelds grootste exporteur van agrarische producten. Zo’n klein landje, dat doet niemand ons na. We hadden er goede sier mee kunnen maken, ware het niet dat het blad verzuimde het hele verhaal te vertellen. We zijn namelijk helemaal niet in staat alle zeven miljard mensen te bedienen. Wel kan Nederland dankzij wetenschap en precisietechniek uiterst efficiënt produceren. Het gaat uiteindelijk om onze hightechlandbouw – met kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen – als hét model voor de rest van de aardbol.

Precies deze onderliggende aanname wordt onderuitgehaald door een VN-rapport eerder dit jaar. De speciale rapporteur voor het recht op voedsel schrijft daarin dat jaarlijks wereldwijd tweehonderdduizend mensen sterven aan acute vergiftiging, bijna allemaal in ontwikkelingslanden. Bovendien vervuilen pesticiden hele ecosystemen en verminderen ze de biodiversiteit in de bodem. Dat is beslist niet duurzaam. De claim dat we niet zonder kunnen, is misleidend: in principe is er voldoende voedsel om de wereld te voeden. Ongelijke productie en distributie voorkomen echter dat het terecht komt bij diegenen die het nodig hebben. Er bestaan gezondere alternatieven zoals agro-ecologie, waarbij de boer met de natuur samenwerkt in plaats dat hij zijn wil oplegt. Nederland, met al z’n kennis en ervaring, zou in de mondiale uitbouw ervan de voortrekkersrol op zich moeten nemen. In de reportage had die optie daarom nooit mogen ontbreken.

Grabbing
Wie duurzaam handelen toetst aan de maatstaf van louter doelmatigheid, vervalt in verhullend taalgebruik. Het voorkomt dat we open kunnen discussiëren over de rol van grote bedrijven en hun financiële belangen, die onder het mom van voedselzekerheid vol inzetten op grootschalige, industriële landbouw – zeg maar ons model. Wat bijvoorbeeld aan het oog wordt onttrokken is land grabbing, het ‘kopen’ van stukken grond in armere landen ten gunste van de eigen (westerse) import. Niet alleen lokale gemeenschappen lijden daaronder, ook de biodiversiteit en bodemvruchtbaarheid komen zwaar onder druk te staan. Vaak wordt gewezen naar de Chinezen, maar wij kunnen er ook wat van. Op de wereldranglijst staat Nederland op een tiende stek – opnieuw geen gekke prestatie voor zo’n kleine natie.

Wie duurzaam handelen toetst aan de maatstaf van louter doelmatigheid, vervalt in verhullend taalgebruik

Hoe moet het dan wel? Terecht wijzen sommigen op de noodzaak van nieuwe mens- en wereldbeelden. Eén van de betere denkers op dit terrein is Ton Lemaire, filosoof en antropoloog en veelschrijver over de relatie tussen mens en natuur. In zijn laatste boek Onder dieren bepleit hij een ethiek voor het Antropoceen – het tijdperk van de mens. Zo’n ethiek omvat zorg voor de hele planeet, voor het behoud van regenwouden, de rijkdom van de oceanen, de bescherming van water, lucht en aarde. Maar, zo betoogt hij, dat kan alleen als de mens de eigen barbaarsheid overwint. Wij hebben zelf de sleutel in handen. Lemaire is geen doemdenker. Zijn hoop is gevestigd op ons vermogen tot empathie en mededogen. Het humanisme waartoe hij zich rekent, zal uiteindelijk evolueren tot een breder wereldbeeld: het transhumanisme. Ooit zal onze liefde de hele aarde omarmen.

Tjirk van der Ziel is economisch geograaf en ruraal socioloog. In 2003 promoveerde hij in Wageningen op een proefschrift over veranderingsprocessen op het platteland. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan de Christelijke Hogeschool Ede en Ripon College Cuddesdon, Oxford. Vanuit zijn bedrijf GeoWritings schrijft hij geregeld over duurzame relaties op het gebied van mens en natuur, stad en platteland.

Dit is een deel van een essay dat in De Nieuwe Koers verscheen. Het hele essay lezen? Lees dit nummer digitaal. Of sluit een (proef)abonnement af!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *