Voor velen van ons is het onbegrijpelijk: je laat een veilig en welvarend land achter en je kiest voor een gewelddadige strijd in het Midden-Oosten. Ibn el Noor snapt het wél. Als kind al zocht hij oprecht naar God. De jihad leek de enige weg om dichtbij God te kunnen komen.

tekst Elleke van den Burg-Poortvliet

Ibn el Noor betekent ‘zoon van het licht’. Het is niet zijn echte naam, maar hij koos ‘m, glimlachend, uit voor dit interview. Ibn el Noor (32) is nu een aantal jaren christen, werkt bij stichting Evangelie & Moslims, en kiest zijn woorden nadenkend uit. Jihadstrijders noemt hij ‘slachtoffers’. Slachtoffers van de omgeving waarin ze zijn opgegroeid, waarin ze haatdragende ideeën opgelegd krijgen. Hij begrijpt wat radicale moslimjongeren drijft, omdat hij ooit zélf zo’n jongere was. Als tiener was hij ervan overtuigd: sterven als martelaar is de enige manier om er zeker van te zijn dat je bij God komt.

Op zoek naar God

“Ik ben opgegroeid in een behoudend, islamitisch gezin in het Midden-Oosten”, vertelt hij. “Het geloof speelde een heel grote rol. We luisterden vaak naar islamitische preken. Goed bidden was belangrijk. Vanaf mijn achtste jaar leerden mijn ouders me hoe dat moest. In ons huis woonden we met een groot deel van de familie: oma’s, opa’s, ooms en tantes. Mijn tante was heel actief in de islam. Ze gaf ons huiswerk, onderwees ons in de islamitische leer. We leerden koranteksten uit ons hoofd en kenden alle regels.”

“De strijders waren voor mij de helden van de islam”

Zijn jeugd was niet gemakkelijk. “Ik was de oudste, dat betekende dat ik veel verantwoordelijkheid had. Ik kon geen kind zijn, en dat was zwaar. Ik begon me dan ook af te vragen waarom God dit zo bedacht had. Ik zag bovendien veel ellende om me heen en begreep niet dat God dat toeliet. Als kind was ik ook vaak op zoek: naar mezelf, naar God. Ik vroeg me af hoe ik dichtbij God kon komen. Dat was voor mij een heel belangrijke vraag, maar in mijn land stel je geen vragen over God. Voor moslims is het belangrijkste dat je je aan de regels van je geloof houdt: je doet je gebeden, je probeert goede daden te doen, een goede moslim te zijn. Het is taboe om aan God te twijfelen. Ik kon nergens heen met mijn vragen, ook niet naar een imam. Dat hoorde gewoon niet. En ik was tegelijkertijd bang om te twijfelen. God kent immers je hart.”

Ibn el Noor worstelde met de vraag hoe hij God kon behagen. “Dat is een machteloos gevoel. Ik wist dat ik door mijn daden niet bij God kon komen. Elke moslim weet dat de enige manier om wel zekerheid te hebben, de weg van de jihad is. In de Koran staat dat God tegen de mensen zegt: ‘Wees niet verdrietig om de martelaren, zij leven bij Mij.’ Als je als martelaar omkomt in de strijd, kom je bij God. Als je daar diep over durft na te denken, is dat heel heftig.”

Hersenspoeling

Als vijftienjarige koos hij voor een extremistische, islamitische school. “Ook al gaat het luchtig en onschuldig, de hersenspoeling begint meteen. Ik ging ’s middags of ’s avonds naar deze school. Ook gingen we op kamp. Er werd veel gedaan om het verlangen de strijd in te gaan sterker te maken. We kregen films te zien over jihadstrijders, met muziek daarbij. Dat doet wat met je emotie. De verhalen die ze vertelden; de strijders waren voor mij de helden van de islam. Ik werd jaloers, keek naar hen op: zij waren in de strijd omgekomen en ze deden dat voor God. De eenheid, de heerlijkheid van de strijd; dat gaf genot.” Ibn el noor ziet dat ook in Nederland op een vergelijkbare manier wordt ingespeeld op gevoelens. “Er zijn moslimjongeren die niets kunnen met sommige normen en waarden in onze maatschappij, omdat deze ver van Gods wet afstaan. De Nederlandse cultuur verandert snel, er is bij hen veel onbegrip. Dat geldt overigens niet alleen voor hen, maar ook voor sommige christenen. Op Youtube staat een filmpje van een man uit de Schilderswijk die moslimjongeren oproept tot de strijd. De man zegt dat hij heeft geproefd van het leven in Nederland. ‘En dat smaakt vies’, zegt hij. De sfeer van de strijd, die smaakt heerlijk.”

“God heeft me naar zich toe getrokken, en sindsdien ervaar ik vrede”

Ibn el Noor snapt dat de jihad voor Nederlanders moeilijk te begrijpen is. “Maar je zou het kunnen vergelijken met Petrus, die zegt dat hij het een eer vindt om voor Jezus te sterven. Of met zendelingen die ervoor kiezen om naar een gevaarlijk land te gaan. Sommigen verklaren hen voor gek, want ze lopen het risico hun leven te verliezen. Maar ze gaan toch, want ze kiezen voor hun God. Als je een sterke geloofsovertuiging hebt, geef je gemakkelijk je leven. Het verschil tussen islamitische en christelijke martelaren is dat christelijke martelaren geen wapens gebruiken. De islamitische wel.”

Een betere toekomst

Na twee jaar op de islamitische school te hebben gezeten, verhuisde de familie van Ibn el Noor. Achteraf gezien is dat heel bepalend geweest. In de nieuwe omgeving was geen vergelijkbare school. “Ik ging werken en kreeg het drukker. Dat zorgde voor afleiding. Maar er was nog steeds onvrede in mij. Omdat mijn leven gevuld was met andere dingen, ging ik niet op zoek om die onvrede weg te nemen.” Een jaar later vertrok hij, samen met zijn buren, naar Nederland, op zoek naar een betere toekomst. “Ik ben opgegroeid met haat tegen Joden en christenen. Hier kwam ik in aanraking met christenen, en dat bleken best aardige mensen te zijn. Dat conflicteerde. Toen kwam weer de vraag boven: wie is God?”

Ondanks goede contacten met christenen, vond hij de omgang met hen niet altijd gemakkelijk. “In de kerk voelde ik me niet altijd welkom. Een tijdje ben ik ook gestopt met zoeken. Maar God bracht toch de juiste mensen op mijn pad. Er was een christelijk gezin waar ik veel mee optrok. We spraken en discussieerden veel over het geloof. Ze waren een soort thuis voor me.”

De zoektocht was een moeilijk proces. Ibn el Noor ging ook naar de moskee in die tijd. “Ook daar zocht ik God. Maar de onvrede bleef. Elke vrijdag werd ik in de moskee opgefokt. Er werd haat gepredikt. Ik begreep dat niet. We werden opgeroepen goede mensen te zijn, maar toch was er vijandigheid. Er werd gevloekt op christenen. In de kerk werd gebeden voor moslims, voor vrede. Dat was de reden dat ik graag naar de kerk ging.”

Na een paar jaar kwam Ibn el Noor tot geloof in Jezus. “God heeft me naar zich toe getrokken, en sindsdien ervaar ik vrede, ook als ik het Evangelie niet begrijp. Van God mag ik leven als vrij mens, dat is iets waar ik heel lang naar zocht. In Johannes 15 staat dat Jezus zegt: ‘Ik noem jullie geen slaven meer, maar vrienden.’ Jezus zegt ook: ‘Jullie hebben Mij niet uitgekozen, Ik heb jullie uitgekozen.’ Dat was een bevestiging voor mij. God heeft me uitgekozen, ik hoef geen slaaf meer te zijn. Als ik het Evangelie tegenover de haat zet, valt alles op z’n plek.”

Jongeren zijn kwetsbaar

Wat denkt hij, als hij hoort over radicaliserende moslimjongeren? “Ik vind het triest. Ze zijn slachtoffers van ideeën die zijn opgelegd. Er is geen jongere die uit zichzelf kiest voor de strijd. Veel jongeren zijn zoekend en kwetsbaar. Marokkaanse jongeren bijvoorbeeld, voelen zich hier niet altijd thuis. Ze hebben het moeilijk met hun ouders, die nog traditioneel zijn, en ze voelen zich niet welkom in de maatschappij. Maar bij de jihad zijn ze welkom! Als je een leegte in je leven hebt, kan dat opgevuld worden met iets goeds, maar ook met iets slechts. Dat motiveert mij om voor deze jongeren te bidden, ook voor ISIS-strijders. Via christelijke, Arabische nieuwssites word ik bemoedigd. Ik las onlangs een heel bijzonder verhaal over een ISIS-strijder die christen is geworden. God verhoort gebeden. Ik roep christenen dan ook op te bidden. Voor slachtoffers en nabestaanden van de jihad, maar óók voor de daders en hun nabestaanden.”

Bruggen bouwen

Kerken zouden bruggen moeten bouwen tussen christenen en moslims, meent Ibn el Noor. “Christenen hier kunnen heel druk zijn met hun eigen leven: met de kerk en hun werk. Maar we hebben een opdracht. We moeten bouwen aan het koninkrijk van God, in plaats van aan ons eigen bestaan. Veel kerken weten niet hoe ze contacten met moslims moeten leggen. Maar er zijn genoeg stichtingen die kerken toerusting kunnen geven.”

Door alles wat in het Midden-Oosten gebeurt, vragen mensen zich af wat de islam nu echt inhoudt. Dat is een positieve kant, vindt Ibn el Noor. De negatieve kant is dat er haat ontstaat tegen moslims. “Het Evangelie is een boodschap van liefde en vergeving. Toen Jezus, Stefanus en anderen werden gedood, was er ook die boodschap van liefde en vergeving. Daar moeten we iets mee doen.” Ibn el Noor realiseert zich maar al te goed: “Als ik hoor over jihadstrijders, weet ik: dat had ik ook kunnen zijn. Daarom ben ik dankbaar dat ik de waarheid ken en dat de waarheid mij heeft bevrijd.”

Jihad

Jihad komt van het Arabische woord voor ‘streven’. Letterlijk betekent jihad ‘inspanning gericht op het realiseren van een bepaald doel’. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de innerlijke en uiterlijke jihad.

De innerlijke jihad, ook wel grote jihad genoemd, is de strijd tegen verleidingen en het ego. De uiterlijke, of kleine, jihad gaat over de gewapende strijd tegen degenen die de islam bedreigen. Hieronder valt ook de strijd tegen ongelovigen om de islamitische heerschappij uit te breiden. Vaak wordt jihad ‘heilige oorlog’ genoemd, maar deze betekenis komt niet uit de islamitische wereld. Moslims zien iets op aarde niet als ‘heilig’, heiligheid is een unieke eigenschap van God.

(Bron: Wikipedia)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *