Predikant Nynke Dijkstra verloor als veertienjarig meisje haar moeder. Nynke was te jong en het verdriet te groot, de rouw ging in een doosje, het deksel er stevig op. Totdat het verdriet onverwacht als een tsunami naar buiten kwam. “Sindsdien heb ik mijn moeder recht kunnen doen doordat ik om haar kan rouwen.”

tekst Wilfred Hermans beeld Jelte Bergwerff

Nynke (62): “Mijn moeder overleed ’s morgens vroeg. ’s Middags ging ik alweer naar school. Ik wilde dat huis uit, weg van de dood. Op school kwam één vriendin direct naar me toe, we konden er nuchter over praten zonder dat het zwaar werd – heerlijk. Het verdriet was eigenlijk niet te hanteren, het was te groot, dus deed ik het in een doosje, deksel erop en weer lekker geiten met m’n vriendinnen. Die nuchterheid zit in mijn karakter, en als introvert verwerk ik veel van binnen, maar ik ben ook zo opgevoed; kiezen op elkaar, brand is erger. Flink zijn was een belangrijke waarde. Dat heeft iets goeds en stoers, we laten ons niet kisten, maar achteraf bezien ben ik er te gemakkelijk overheen gestapt.” 

‘Mien skot’ 

“Toen ik geboren werd, was mijn vader al 62, mijn moeder bijna veertig. Het lag dus voor de hand dat ik met mijn moeder zou achterblijven, maar zij overleed op haar 53e aan baarmoederkanker, na een ziekbed van negen maanden. De ochtend dat ze overleed, zag ik door mijn slaapkamerraam mijn halfbroers en -zussen arriveren, waardoor ik wist: het gaat niet goed. Mijn vader zei dat ik maar afscheid moest nemen. Dat wilde ik liever niet, en daar voelde ik me later dan weer schuldig over, waarop iemand geruststellend zei: ‘Je werd als puber richting de dood geduwd, dat wil niemand, dus logisch dat jij dat ook niet wilde.’ Bij haar bed kon ik niks uitbrengen; mijn moeder zag er heel slecht uit, ik vond het eng en stond daar maar. Ze zei nog iets liefs en ik gaf haar een kus, op commando van mijn vader. Wat ze zei? ‘Dag, mien skot.’ Dag, mijn schat, in haar memmetaal. Dat was het dan.” 



“Als je veertien bent en je verliest je moeder, dan druk je dat weg en heb je het er niet over. Bovendien werd je destijds als kind weggehouden van rouw. De aandacht ging naar mijn vader, die voor de tweede keer weduwnaar werd. Maar als er dan toch iemand aandacht aan mij gaf, deed dat me enorm goed. Zo was er een vader van een vriendin die huilde om mij. Dat raakte me. Toen ik trouwde, jaren later, zei hij nog: ‘Meid, ik hoop dat je strontgelukkig wordt!’ Daar klonk iets in door van: wat heb ik met jou te doen gehad! 

In je jeugd wordt een cassettebandje opgenomen, en in je latere leven duiken die fragmenten soms zomaar op

Nynke dijkstra

Pas jaren later is het doosje waarin ik mijn verdriet had weggestopt beetje bij beetje opengegaan. Bijvoorbeeld doordat iemand tegen me zei: ‘Wat een drama!’ Dat woord drama kwam opeens binnen, van: o ja, dat is het eigenlijk wel degelijk. Ik was veertien, mijn vader 75. Een ander moment was toen mijn eigen dochter veertien werd, waardoor ik dacht: wat afschuwelijk als zij haar moeder zou verliezen! 

Wat ook enorm hielp, was een charismatische conventie die ik bezocht. Een spreker zei op een gegeven moment: ‘Misschien zijn er hier mensen die zich nog nooit aan God hebben overgegeven. Hen wil ik meevoeren naar Gods troon, waar ook allen zijn die ons zijn voorgegaan.’ Opeens dacht ik: ik wil helemaal niet naar Jezus, daar ben ik allang geweest. Ik wil naar huis, naar vader en moeder! Ik brak compleet open, was bang dat het nooit meer stopte. Tegen mijn schoonzus naast me zei ik: ‘Wanneer stopt dit, waar kom ik terecht?’ ‘Bij de Allerhoogste’, zei ze, oftewel: komt wel goed.”

Deksel eraf

“Die huilbui duurde misschien vijf à tien minuten, maar het voelde als een eeuwigheid, een oneindige tsunami. Niettemin was het goed, opeens was het doosje open en het is nooit meer dichtgegaan. Sindsdien heb ik mijn moeder recht kunnen doen doordat ik om haar kan rouwen. Ik moet daar nog steeds diep voor gaan, maar er zit geen deksel meer op. Gek genoeg vind ik dat fijn. Ze hoort nu bij mijn leven. Dat heeft ertoe geleid dat ik, toen ik 54 werd, op de uitnodiging zette: ‘We vieren dat ik ouder ben geworden dan mijn moeder.’ Zo wilde ik haar een plek geven. Ook heb ik een boekje over haar gemaakt voor mijn kinderen en kleinkinderen, zij hebben haar nooit gekend. Hier, dit was mijn moeder. Alsof ik een standbeeldje voor haar heb opgericht.

Qua karakter lijk ik veel op haar. Ze was heel open, vrolijk en gastvrij. Haar appelbollen waren ongeëvenaard, ik kan geen appelbol zien zonder aan haar te denken. Ze heeft mijn vader – volgens velen een starre, gereformeerde man – enigszins opengebroken door hem anders te leren kijken, maar ook dankzij haar humor. Ze bracht leven in de brouwerij. Mijn vader was hoofdredacteur van het Friesch Dagblad dus moest veel kranten lezen. Zij sloeg soms een gat in de krant: ‘Hier ben ik!’”

Onzeker over vrouwelijkheid

“Omdat ik zo op haar lijk, heb ik jaren gedacht dat ook ik jong zou sterven, totdat iemand zei dat ik het gestel van mijn vader had. Het gaf me een bang hart, ik had vaak het gevoel: uiteindelijk sta je er alleen voor, je geliefden kunnen zomaar wegvallen. Daardoor kon ik me lange tijd niet goed overgeven aan een ander, want straks raak ik diegene kwijt… Het is als een spoortje in mij waar ik af en toe nog op beland. Een bevriende psycholoog zei het zo: in je jeugd wordt een cassettebandje opgenomen, en in je latere leven duiken die fragmenten soms zomaar op. Je denkt dan dat het door een actuele gebeurtenis komt, maar het is dat bandje dat je parten speelt. Dat gebeurde gisteren nog. We kwamen net terug van Ameland, waar we altijd op vakantie gingen. Die boot maakt weemoedig; vertrekken terwijl je wilt blijven, dat heen en weer getrek in je ziel. Maar ook het geluid van die schelpenpaden als je er met je fiets overheen rijdt – ik zou gaan vloeken als ze die gaan asfalteren. Als ik zulke melancholie toelaat, begint dat bandje zich af te spelen. Ik heb geleerd het te delen met m’n man, die vervolgens lief luistert. Of hij zegt: we gaan binnenkort weer. Dat is genoeg. En ik heb geleerd die leugen in mezelf – ik moet het alleen doen – bewust tegen te spreken: nee, je hebt een echtgenoot en vrienden die je steunen.

Ik ben best lang onzeker geweest over mijn vrouwelijkheid, misschien bij gebrek aan een identificatiefiguur. Hoe kleed ik me, wat trek ik aan? Ik keek maar naar andere meisjes. Mijn vader van 75 had daar natuurlijk geen verstand van, hij spijkerde me vooral bij op het vlak van politiek en journalistiek. Mijn man Frank heeft een belangrijke rol gespeeld door me complimenten te geven over hoe ik eruitzag en vrolijk met me te gaan shoppen. Durf maar, trek maar aan, we kijken wel of het staat. Nu heb ik een eigen, fleurige stijl. Ik vind het belangrijk er vrouwelijk uit te zien en daar voel ik me niet meer onzeker over.” 

Ik dacht: nú moet ik weten of dat hele geloof klopt, met alles erop en eraan, óf het is allemaal flauwekul

Nynke Dijkstra

“Tijdens haar ziekbed deelde mijn moeder veel over haar geloof. Jezus was haar alles. Het was prima als ik met een jongen thuis zou komen die zwart, bruin of geel was – best modern voor die tijd – als hij maar in Jezus geloofde! Daarbij heeft ze me naast de standaardgebedjes ook zelf leren bidden. Er zijn psalmen die ik niet kan zingen zonder aan haar te denken, zoals Psalm 63: Wanneer ik wakend in de nacht mijn geest bij U, Heer, laat vertoeven, dan mag ik weer uw goedheid proeven; uw hulp wordt nooit vergeefs verwacht. Dat deed ze letterlijk, psalmen zingen in de nacht. Het gaf haar troost en vreugde. Psalm 42 is er ook zo één: Hart onrustig, vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel. ‘Dat ben ik’, zei ze, nadat ze had gehoord dat ze ongeneeslijk ziek was. Waarop mijn vader zei: ‘Maar dan moet je wel doorlezen. Hoop op God en wees geborgen, Hij verheft wie nederviel.’ Dat zongen we dus op haar begrafenis.



Voor mijn geloof was de periode na het overlijden van mijn moeder beslissend. Ik dacht: nú moet ik weten of dat hele geloof klopt, met alles erop en eraan, óf het is allemaal flauwekul. Ik besloot dat het allemaal klopte, en dat mijn moeder dus in de hemel was. Daar klampte ik me aan vast. Ik ben ook nooit boos geweest op God. Later, tijdens mijn theologiestudie, heb ik op intellectueel niveau nog weleens gedacht: misschien is het allemaal flauwekul, waar ik dan meteen achteraan dacht: maar Jezus niet! Hem wilde ik niet kwijt.”   

Betrokken beppe

“Of ik een andere moeder ben geworden door zo jong mijn moeder te verliezen? Goede vraag… Het is niet zo dat ik haar als voorbeeldmoeder heb gemist. Sterker: ik ben een geluksvogel dat ik die eerste veertien jaar twee liefhebbende ouders heb gehad. Toen ik zelf moeder werd, kon ik op opvoedgebied heel gemakkelijk uit die veertien jaar putten. Gastvrijheid, vriendjes over de vloer, verwennen, voorlezen, dat ging bij mij dusdanig vanzelf dat mijn man weleens zei: waar heb je dat vandaan? 

Wel miste ik mijn moeder op belangrijke momenten, bijvoorbeeld toen de kinderen werden geboren, gedoopt en belijdenis deden. Of tijdens de groepachtmusical; daar zaten wel de ouders van mijn man, maar die van mij niet. Misschien dat ik daarom, nu ik beppe ben, heel betrokken wil zijn bij mijn kleinkinderen, omdat mijn eigen kinderen zo’n beppe hebben gemist. Ik wil dat doen wat mijn moeder niet heeft kunnen doen.”

Onder vreemden

“In het gedicht ‘Moeder’ schrijft Jacqueline van der Waals iets als: hoe moet dat straks, als ik bij de hemelpoort kom en u uw jonge, blanke hand zult leggen op dit oude grijze haar? Zo stelt ze haar moeder voor, heel plastisch. Dat raakte me – gedichten doen sowieso veel met mij. Ook het gedicht ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’. Het eindigt met: … en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. Nou, dát… En het eindigt met: Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren. Uiteindelijk komt het gedicht bij God uit, als een echte psalm. Het wekt een gevoel van heimwee en verlangen naar haar op, maar tegelijkertijd ook iets van troost. Het zou toch heerlijk zijn als ze hier zomaar om de hoek kwam lopen? O, dat daar mijn moeder voer… Wat ik haar zou zeggen? Ik zou haar vooral mijn kinderen en kleinkinderen willen laten zien. Kijk eens hoe we zijn uitgebreid en hoe geweldig het met ons gaat! 

Er is ook een gedicht van Ida Gerhardt dat me aan mijn vader doet denken: ‘Onder vreemden’. Dat gaat zo: 

Het speelt het liefste ver weg op het strand, 
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet, 
die overzee is in dat andere land. 

Het woont bij vreemden en het went er niet. 
Zij fluisteren erover met elkaar. 
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar. 

En altijd denkt het dat hij komen zal: 
Vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht – 
en droomt van hem en roept hem in de nacht. 

Ik wacht u, Vader van de overwal.

Dat is een gedicht…, daar word ik nu al emotioneel van, want het gaat over mijn vader, maar ook de Vader met een hoofdletter, die van de overwal. Heimwee dat huist in zijn kleren en zijn haar, en zo’n kind dat in z’n eentje speelt, ja… Dat herken ik heel erg, als enig kind. En dat het woont bij vreemden en het went er niet, en zij fluisteren erover met elkaar. Dat zag ik soms ook gebeuren: kijk toch hoe sneu, zo’n tiener alleen. En dan het beeld van het strand, wat ik link aan Ameland. Ja, zoiets raakt me dan enorm. Dat is dan dat bandje dat in mijn ziel geslepen is.”

5 thoughts on “‘Opeens dacht ik: het is inderdaad een drama’

  1. Met een steeds groter wordende brok in mijn keel heb ik dit artikel gelezen. Het is zo herkenbaar allemaal. Mijn moeder overleed toen ik 13 was en ook ik had een oudere vader. Ik praat er nauwelijks over, leef een normaal leven met man en kinderen, maar het gemis is er zeker. Mijn doosje zit meestal goed op slot, misschien ook omdat ik bang ben voor wat me overkomt als het open gaat. Maar als ik dit verhaal lees, raakt het me enorm. Dankjewel voor het delen!

    1. soms zou ik wensen dat deze pijn eerder bespreekbaar was
      een ervaring deskundige dit dit 1958 ervaren heeft én nu 60 jaar later de pijn dubbel voelt

  2. Nynke, wat ben ik blij dat je er uit gekomen bent! Jaren geleden zei je: ‘vertel es over mijn moeder, ik weet niks.’ Ik kon dat niet begrijpen, had toen niet door dat alles bij jou in een doosje zat. Fijn dat het opengebroken is. Dat je eindelijk alles een plaats kunt geven.
    En…dat je een goede beppe bent, dat heb ik allang gezien!
    Een mooi, helder verhaal. Aan het eind verslapt de helderheid een beetje, ik heb het gevoel dat je toen meer door emoties gedreven werd

  3. Wat een mooie metafoor van dat cassettebandje! Ik (hetero jongen, inmiddels man) verloor dertig jaar geleden een heel intiem (nee, niet fysiek intiem) vriendinnetje toen we allebei dertien waren. Ik heb er destijds veel over gehuild, maar toen het leven na de begrafenis zijn draai weer nam heb ik het weggestopt want het waren van die kwetsbare gevoelens en niemand anders (onze hele klas kende haar, soms best goed) leek er verder echt mee te zitten, met dat verlies en verdriet erover.

    Inmiddels ben ik getrouwd, vader, veertiger, en ineens na drie decennia kwam onaangekondigd die pijn weer op in mijn buik, onder meer bij een preek van mijn schoonvader over de getuigen in de lucht (Hebreeën 12:1-2), die hij heel concreet toepaste op verloren geliefden. Natuurlijk is dat roeren in een pot oud zeer met bijna huilgarantie, maar eerder had ik nooit zo gereageerd op dergelijke quasiprovocaties.

    Punt is dat in die tijd van de preek in onze regio (Utrecht) een aantal meisjes zijn ontvoerd, misbruikt en gedood, onder meer Anne Faber. Het leek me een logische tranentrigger, maar dan restte nog altijd de vraag: waarom is die pijn niet gewoon weg en komt hij ineens weer terug? Krijg ik er als zeventiger nog eens mee te maken? Daardoor leerde ik dat pijn geen litteken is dat heelt (je kunt het niet ‘verwerken’), maar meer lijkt op een oceaan waarin het soms ineens stormt.

    De wind is nu weer gaan liggen. Maar ik reken erop dat hij ooit weer terugkomt, niet eens per se als ik een keer labiel ben. Je zou dat winst kunnen noemen. Dat ik haar ooit in een hiernamaals weerzie, lijkt me onwaarschijnlijk, en wat is ook het nut? Mijn pijn is geen gemis, het is de wond die steekt. Such is life.

  4. Wat een indringend en integer verhaal Nynke. Het is heel belangrijk dat er aandacht komt voor de gevolgen van jong-ouderverlies. Een op de tien mensen heeft er immers mee te maken (gehad). Je verhaal roept veel herkenning op. NIet omdat ik zelf hiermee te maken heb gehad, maar wel omdat ik meelezer was van Henrike Dankers. Zij schreef het boekje: Na zolang nog? Leven met jong ouderverlies. Het kwam een paar weken geleden uit bij KokBoekencentrum. Ze verwerkte daarin diepte-interviews met ervaringsdeskundigen en geeft ook tips voor pastorale begeleiding. Warm aanbevolen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *