Op een boekpresentatie van een Nederlands auteur, met een achtergrond in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, trof ik naast de schrijver ook zijn broers en zussen. Een groot gezin, en niet iedereen keek met vreugde terug op die zeer christelijke jeugd. Een broer had zich geheel van het geloof afgewend, en zeker van het – je-moet-en-je-zal-twee-maal-’s zondags-naar-de- kerk. Er klonk bitterheid door in zijn woorden, en ik, de blijde nieuw gelovige, meende te moeten zeggen dat hij er toch een ‘mooie, christelijke ondergrond’ aan had over gehouden.

Hij was dat niet met me eens: de boodschap die hij van thuis had meegekregen, kwam er volgens hem op neer dat God altijd vóór de eigen kinderen ging en gaat, in de ogen van zijn ouders. Zonen, dochters: allemaal minder waard dan de Heer.

Die ouders kende ik niet, ik kon alleen maar zijn rancune serieus nemen.

Het werd er niet beter op, toen ik vertelde dat ik me al weer een paar een gelovige noem, dat ik naar de kerk ga, en dat het me past.

Wat geloofde ik dan?

Ik noemde, heel in het algemeen de Rooms-Katholieke Kerk.

Katholiek? Rooms-katholiek? Hij smaalde niet, hij klonk oprecht toen hij zei met de stem die rechtstreeks uit die achtergelaten jeugd moet zijn gekomen: ‘Maar Rooms-katholieken…die geloven toch niet in God?’

Zo had hij het geleerd, of in iedere geval begrepen, en als ik zijn orthodoxe jeugdherinneringen afzet tegen mijn lichtvoetige, snap ik dat het Nederlands katholicisme, eind jaren ’60, begin ’70 een soort pretgeloof moet zijn geweest in de ogen van de strengere, protestantse denominaties. Serieus de Schrift lezen, liefst dagelijks, aan tafel: nee. Ineens was er ‘de beatmis’ in mijn jeugd, en de laatste dogma’s leken te worden vermorzeld op het bekken van de drummer. Ik herinner me alleen warmte, geborgenheid, mooie muziek…en eigenlijk niet zoveel meer.

En toen ik als puber niet meer wilde, naar die kerk, was dat ook geen ramp.

Alle theologische geschillen en verschillen lieten de meeste katholieken met een gerust hart over aan de pastoor of bisschop. Het katholieke geloof, dat zo’n zeventig jaar geleden beslist ook zijn strenge en dwingende kanten had, is rond 1970 in een mum van tijd van karakter veranderd.

Ik kan me voorstellen dat een jongeman, vrijgemaakt, in de jaren ’70 en ’80 gedacht moet hebben dat ze in die katholieke kerk, met de rechtlijnigheid, ook God Zelf hadden afgeschaft. ‘Roomse poppenkast’. Alleen maar wierook, mooie gewaden – ‘jurken’ – en Maria. Ik ken inderdaad uit mijn jeugd geen katholieke jongen die op zondag niet mocht voetballen of hockeyen.

De Rooms-katholieke gelovigen in Nederland raakten massaal op drift, de geloofsafval is denk ik nergens groter geweest dan daar. Maar ik keek door de eerlijkheid van die broer ook even om de hoek bij de striktere protestanten: ‘Katholieken zonder God’, werden we zo gezien? Het is wonderlijk dat op dit beperkte Nederlandse grondgebied zoveel wantrouwen bestond tussen de verschillende christenen. Dat sommige christenen de katholieken niet zozeer tot hun geloofsgenoten rekenden.

Nu ik opnieuw katholiek ben geworden, merk ik pas hoe weinig ik van mijn geloof wist. Wel de sfeer, de ‘beleving’, om het eens bijdetijds te zeggen, maar heel weinig van de geloofsinhoud. Er zat daar een serieus hiaat, en ik heb echt moeten bijleren, de laatste jaren, om een beetje mee te komen met die andere christenen in de klas.

Misschien was er te veel ‘buitenkant’ en te weinig ‘bevinding’ of ‘geloofservaring’ onder de gewone gelovigen in de Rooms-katholieke kerk, te weinig kennis ook. Misschien verliep daarom de afkalving zo razendsnel.

Maar het katholieke, dat wil zeggen het ‘algemene’ en universele aan het geloof is mij dierbaar.

Scherpslijpers moeten maar nieuwe politieke partijen oprichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *