Home>Interview>Rabbijn voor de buurt

Rabbijn voor de buurt

Rabbijn Lody van de Kamp steekt graag zijn nek uit. Hij organiseert activiteiten met joden en moslims, neemt deel aan het Amsterdamse Zevenmanschap en fietst een avondje mee met het jeugdpreventieteam, in het beruchte stadsdeel West.

tekst en beeld Tjerk de Reus

“Ik kijk altijd al graag buiten mijn eigen kring”, zegt Lody van de Kamp, terwijl hij zijn auto parkeert bij een vrijwel leegstaand kantoorgebouw vlakbij de ringweg A10. Aan de overkant van de straat staat de deur van een moskee open, op de trottoirs wandelen Marokkaanse Nederlanders gehuld in traditionele gebedskleding. “We bevinden ons in Mekka aan de Amstel”, zegt Van de Kamp. Lachend: “Zo noem ik het hier als ik eventjes ondeugend mag zijn. Maar ik heb hier nieuwe vrienden gevonden, heel bijzonder.”

“De afgelopen tijd heb ik vriendschappen gesloten met moslims”

Twee verdiepingen van het verveloze flatgebouw zijn in gebruik. Stichting Connect is er gevestigd, die zich inzet voor de leefbaarheid van de buurt, voor de integratie van minderheden en vooral voor de toekomst van jongeren uit de omringende stadswijken.

Vanavond doen we mee met het jeugdpreventieteam, dat door Connect wordt aangestuurd. Dit team bestaat uit jongeren van rond de twintig en staat onder begeleiding van professionele beveiligers. In de kantine staat de radio zachtjes aan, mannen lopen bedrijvig heen en weer, anderen nippen aan een glas thee. Wij als bezoekers vallen op: van alle kanten krijgen we handen toegereikt. De sfeer is hartelijk, ongedwongen, gezellig. “Veel van deze mannen van middelbare leeftijd zijn zogeheten buurtvaders”, zegt Van de Kamp met gedempte stem, zittend aan de keukentafel. “Stichting Connect probeert een brug te slaan tussen de oudere generatie en de jongeren, veelal van Marokkaanse afkomst. De buurtvaders praten met de coaches van Connect over hun kinderen, over welzijn in de buurten en noem maar op. Dit is echt buurt- en opbouwwerk dat bottum up georganiseerd wordt, vanuit pure zorg voor het welzijn van mensen. Hier werken mensen met een hart van goud.”

Even later vindt de briefing plaats voor het preventieteam, elders in het gebouw. De lift blijkt niet te werken, we nemen de trap. Aan het eind van een lange gang wacht Youssef Guennoun ons op, de leider van het jeugdpreventieteam. “Normaal doen we de briefing bij de politie”, legt hij uit. “Maar omdat jullie erbij zijn, doen we het hier.” Zo’n acht jongeren van rond de twintig, gestoken in blauwe uniformen, zitten rond een tafeltje. Achter een bureautje zitten twee mbo-stagiaires, ze studeren Sociaal Cultureel Werk. “Deze meneer is Lody, hij is een vriend van ons”, introduceert Youssef de rabbijn. “Hij gaat vanavond met ons mee, hij wil weten wat wij doen op straat.”

Aan de hand van een A4’tje loopt Youssef de wijken langs, noemt aandachtspunten en geeft zijn jongens complimenten. “In deze wijk is het al heel lang rustig, jongens. En dat is mede dankzij jullie. Vorig jaar nog waren er incidenten, maar door onze presentie is de sfeer compleet anders.” Dan staan we op en gaan we aan het werk: allemaal op de fiets. In groepjes van drie trekken we de wijken in, van 18.00 tot 24.00 uur surveilleren de teams. Ze letten op de veiligheid, spreken de jeugd aan als er iets loos is en rapporteren onplezierige zaken aan Youssef, via de portofoon. Van de Kamp wordt helemaal opgenomen in het team: hij krijgt een uniform en een dienstfiets. Alleen zijn keppeltje verraadt hem.

Eerder op de dag ontmoeten Van de Kamp en ik elkaar bij station Amsterdam Zuid. We drinken een paar kopjes koffie, hij vertelt over zijn bezigheden in de stad. Van de Kamp is een tamelijk onderkoelde verteller, hij maakt geen ophef over de dingen die hij onderneemt – terwijl die op de keper beschouwd toch best bijzonder zijn. Zijn relaas cirkelt voor een groot deel om de as Zuid-West: stadsdeel Amsterdam-West staat voor een compleet andere wereld dan Amsterdam-Zuid. Voor de joodse gemeenschap een heikele kwestie, legt Van de Kamp uit. “Als ik vanavond weer terugkom in het veilige Amsterdam-Zuid heb ik iets uit te leggen: hoe heb ik me in het hoofd gehaald om met een keppeltje op in West te komen? Dat is natuurlijk een grapje, maar het tekent de sfeer en de beeldvorming. De tegenstellingen worden soms erg uitvergroot, ook door de joodse gemeenschap. Je boekt natuurlijk meer winst als je persoonlijk contact zoekt en zo nu en dan de confrontatie aangaat. Vaak heb ik gemerkt dat er dan opeens begaanbare bruggen zijn, waarop je elkaar kunt bereiken.” Van de Kamp peinst even, en zegt dan: “De afgelopen tijd heb ik – eigenlijk voor het eerst in mijn leven – vriendschappen gesloten met moslims.”

Al zijn hele werkzame leven is Van de Kamp iemand voor wie de samenleving ertoe doet. Hij diende als rabbijn een drietal joodse gemeentes in Nederland, zat in de Stadsdeelraad van Amsterdam-Zuid namens het CDA en was de laatste jaren directeur van het Cheider, de orthodox-joodse school in Amsterdam-Zuid.

Nu hij met pensioen is, lijkt hij ontketend te zijn. Op vele fronten is hij actief in de stad, publiceert artikelen en werkt aan zijn vierde roman. Opmerkelijk is zijn deelname aan het zogeheten Zevenmanschap, dat wethouder Andrée van Es in het leven riep: zeven Amsterdammers waken over leefbaarheid en fatsoen, vanuit de overtuiging dat er voor iedereen een plekje behoort te zijn in Amsterdam. Waar zaken uit de rails lopen, laat het Zevenmanschap van zich horen.

“Het is begonnen met het filmpje waarop een jonge Marokkaan mij de Hitlergroet bracht,” vertelt Van de Kamp, “nu zo’n tweeënhalf jaar geleden. Ik heb aangifte gedaan en daarop kreeg ik contact met Saïd Bensalem, een buurtwerker in Amsterdam-West. Hij is de oprichter van Connect. Hij zei: ‘Lody, wat heb jij mij nu gelapt! Mijn hele Marokkaanse gemeenschap staat in een kwaad daglicht!’ Met Saïd ontstond een vruchtbaar contact. Hij kende zelf die jonge Marokkaan tegen wie ik aangifte had gedaan. De gerechtelijke behandeling van deze zaak werd steeds uitgesteld, waarop Saïd en ik besloten om een gesprek met de jongen aan te gaan, bij Connect. Dat was een goed gesprek. Ook zijn ouders toonden veel begrip. Het liep erop uit dat we een gezamenlijk bezoek hebben gebracht aan het Anne Frankhuis, op verzoek van die jongen. Hij wilde veel weten, was onder de indruk. Daarop is de zaak geseponeerd door het Openbaar Ministerie.”

Van het een kwam het ander. Saïd en Van de Kamp sloegen de handen ineen, en bedachten dat je iets zou moeten organiseren om joodse en Marokkaanse jongeren met elkaar te laten kennismaken. Ze smeedden een verrassend plan: een opknapbeurt voor de oude, verwaarloosde Joodse begraafplaats in Amsterdam. Saïd organiseerde zijn achterban en kwam met veertig Marokkaanse jongeren. Van de Kamp kwam met een groep joodse tieners mee en gezamenlijk werd gedurende vijf morgens in het weekend op de begraafplaats gewerkt: onkruid wieden, snoeien, opruimen en schoonmaken. “Dat werkte verbroederend”, zegt Van de Kamp. “Er zijn vriendschappen uit ontstaan.” Klinkt natuurlijk mooi, maar hoe krijg je jongeren zo gek om vrijwillig aan het werk te gaan op een begraafplaats? Stond er een uurtarief tegenover? “Nee, zeker geen uurtarief! Het was eigenlijk helemaal niet moeilijk om die jongeren te activeren. Dat is voor een groot deel te danken aan Saïd. Hij slaagt er gemakkelijk in zijn jeugd mee te krijgen. Hij kreeg een hoveniersbedrijf zover om werkmaterialen te leveren en om de jongeren te begeleiden. Saïd is intensief bezig met deze jongeren, hij haalt ze soms letterlijk uit de goot. Voor hen is hij een identificatiefiguur. Hij geeft hun de hoop dat zij hun plekje wel zullen vinden in deze samenleving. Tegelijk is hij broodnuchter: je wordt als Marokkaan of Antilliaan soms gediscrimineerd, zegt hij tegen zijn jongeren. Je krijgt misschien minder gemakkelijk een stageplek. Maar tegenslagen kun je overwinnen.”

Sindsdien ontplooide Van de Kamp allerlei activiteiten, ook vanuit zijn rol bij het Zevenmanschap. Samen met Saïd geeft hij gastlessen op scholen in Amsterdam, hij neemt deel aan discussieavonden in de stadswijken en soms gaat hij met middelbare scholieren op excursie naar het Anne Frankhuis, naar Theater Carré, naar de rechtbank. “Ik wil jongeren laten zien dat de stad veel groter is dan de ellende waar zij soms iedere dag in zitten. Je hebt in veel gevallen te maken met jongeren uit problematische thuissituaties. Toen we eens met een groepje in de rechtbank waren, zei een meisje spontaan: ‘Hier ben ik al eens geweest!’ Als zij nu een beeld krijgen van de samenleving en de mogelijkheden die ook zij hebben, geef je ze soms net dat zetje om serieus aan een opleiding te beginnen of het dubieuze circuit van bepaalde vrienden te verlaten.”

In gesprek raken met de jeugd is het belangrijkst, vindt Van de Kamp. “Dat gaat heel gewoon en heel spontaan. Je hoeft er niet veel voor te doen, want ze komen zelf wel aan je vragen waar je vandaag komt. Tijdens het werk aan de Joodse begraafplaats ontstonden talloze gesprekjes. Een onderwerp dat ze in zo’n setting allemaal vermijden, is de problematiek in het Midden-Oosten. Dat is een heet hangijzer. Het is prima om dat te laten rusten, op een andere manier kan dat thema wel ter sprake komen. Het gaat er allereerst om dat we als moslims en joden elkaar ontmoeten. We zijn niet hetzelfde, maar samenleven doe je met elkaar.”

Heerst er in de Marokkaanse gemeenschap een negatief beeld van joden? “Niet overwegend negatief, dat is vooral de beeldvorming”, zegt Van de Kamp. “Tekenend vond ik de laatste morgen waarop we op de begraafplaats werkten: zo’n zestig ouders kwamen kijken naar het werk van hun kinderen! Ze waren hartstikke trots op wat die gepresteerd hadden. Waarom? Omdat ze zagen dat hun kinderen loskomen van de verstarde beelden over en weer, over joden en moslims. Ze zijn bewust moslim, maar willen niet geassocieerd worden met intolerantie en haat jegens anderen. Daar hebben ze de buik vol van. Deze ouders proefden een stukje emancipatie en nieuwe inspiratie bij hun kinderen, die kansen krijgen en leren hoe ze zich een plekje verwerven in de samenleving. Dat is de oudere generatie vaak nog niet gelukt. Nu dat proces op gang komt bij de jongere generatie, maakt dat de ouders trots.”

Omgekeerd heeft het contact tussen moslims en joden ook effect op de joodse gemeenschap. Want ook daar tref je verstarde vijandbeelden aan, weet Van de Kamp. “Toen ik op het Cheider werkte, bespraken we bij het vak maatschappijleer de islam. ‘Moslims zijn mensen die joden haten’, wist iemand te vertellen. Nou, daar hebben we toen anderhalf uur over doorgepraat. Het is heilzaam om dit te doorbreken. De beste weg is elkaar ontmoeten, leren om samen te werken en dán te ontdekken wie die ander eigenlijk is.”

Voor zijn eigen achterban loopt Van de Kamp soms een beetje voor de troepen uit. Hoe orthodox hij ook mag zijn, maatschappelijk gezien is hij behoorlijk progressief. Een netelige kwestie was het persbericht dat het Zevenmanschap uitbracht over een Amsterdamse opperrabbijn, die zijn handtekening had gezet onder een verklaring dat homo’s lijden aan een ziekte die in principe te genezen valt. Ook Van de Kamp stond achter dat persbericht, terwijl het orthodox-joodse geloof homoseksualiteit afwijst. “Als een Amsterdamse opperrabbijn een visie verkondigt die kwetsend is voor mensen, gaan we er iets mee doen”, legt de rabbijn uit. “Daar sta ik helemaal achter. Hij mag een standpunt hebben, maar laat hij zich richten tot zijn eigen geloofsgemeenschap. Niet alles wat je gelooft, hoeft ook gezegd te worden.”

Komt daarop reactie uit de achterban? “Soms wel. Maar daar kijk ik niet vreemd van op, ik ben altijd een non-conformist geweest. Je moet het aandurven om je eigen gemeenschap een spiegel voor te houden.”

Fietsend door Bos en Lommer zou je niet vermoeden dat deze wijk zo vaak in het nieuws was vanwege Marokkaanse probleemjongeren. Op pleintjes komen we groepjes jongeren tegen. Ze wekken niet de indruk last te veroorzaken. Youssef en zijn beveiligers kennen veel van deze jongeren persoonlijk, ze fietsen hier letterlijk al jaren rond. In de buurt van een ROC-gebouw treffen we een vijftal jongeren aan. Youssef stapt af en zoekt contact. De jongeren zijn nieuwsgierig, komen op hem af. “Hé matties,” zegt Youssef, “alles goed?” Er wordt uitdagend teruggekeken, maar niet onvriendelijk. Youssef dolt even met de jongens, raakt dan in gesprek. Hij wijst en praat, gebaart, reageert op hun vragen. Van de Kamp kijkt van een afstandje toe, de armen gevouwen op het stuur van zijn dienstfiets. “Dit is hoe het werkt”, zegt hij. “Youssef probeert die opgeschoten jeugd aan te laten haken bij de projecten van Connect. Letterlijk naast hen gaan staan, dan kun je iets bereiken.”

De grootste knul uit het groepje blijkt een oude bekende te zijn, hij is al een paar jaar in beeld. “We zijn al eens bij zijn ouders thuis geweest”, vertelt Youssef, als we een kwartiertje later weer verder fietsen. “Hij was absoluut geïnteresseerd in onze projecten. Die jongen gaan we zien bij ons op kantoor, honderd procent zeker!” Het probleem is niet alleen het hanggedrag op straat, maar ook het sombere perspectief van de jongen in kwestie. Hij is al vaak van school gestuurd, zat nogal eens vast bij de politie en blijkt ook nu geen opleiding te volgen. Youssef wil met hem praten over zijn opleiding, zijn motivatie en eventueel kan hij ingeschakeld worden in een project van Connect. Tegelijk houdt Youssef de veiligheid in de gaten, hij weet hoe vredelievend ogende jongeren zich te buiten kunnen gaan aan diefstal en andere ongein. Hij grijnst: “Ik heb even fotootjes geschoten van hun ID. Dat heb ik nodig als ze bij ons komen, maar sowieso wel effe handig voor als er wat aan de knikker is!”

Bij het brede water tegenover het Erasmuspark houden we even een praatpauze. “Er gebeurt wat in zo’n wijk”, zegt Youssef opgetogen. “Bos en Lommer was een paar jaar geleden een zwakke wijk, met criminaliteit en veel onrust. Nu is de sfeer helemaal anders.” Tegen Van de Kamp: “Jij was erbij, toen we die Joodse begraafplaats hebben opgeknapt. Dat heeft een geweldige impact gehad, weet je.” Van de Kamp: “Het was bijzonder dat op de laatste morgen zo veel vaders meekwamen. Ze waren bijna nog trotser dan hun kinderen.” “Natuurlijk”, zegt Youssef. “De jongeren geven een voorbeeld, maar vergeet ook onze imam niet. Die werkte enthousiast mee! Een fantastisch voorbeeld. Als hij in de moskee zou zeggen: gaan we niet doen mensen, zo’n Joodse begraafplaats opknappen – dan zou niemand meedoen. Nu stond hij vooraan en dan denk je: waarom zou ik dat ook niet kunnen doen? Dat ze daar in het Midden-Oosten elkaar dwarszitten, betekent niet dat wij dat hier ook moeten doen”, vindt Youssef. “Fatsoenlijk met elkaar leven, daar gaat het om, of je nu joods, moslim of christen bent. Dat maakt allemaal niks uit, het gaat om respect. Dat brengen wij over op de jongeren en ik kan je zeggen: dat begrijpen ze.”

Lody B. van de Kamp (1948) groeide op in Enschede, doorliep de opleiding tot rabbijn aan Talmoedhogescholen in Montreux en Londen. Hij is tevens ritueel slachter. Van de Kamp woont in Amsterdam-Zuid en behoort tot het orthodoxe jodendom. De laatste jaren is hij actief als schrijver van romans, die veelal het joodse verleden tot onderwerp hebben: Blijf daar, kom niet! (2006), Oorlogstranen (2008) en Alleen (2010). In de discussie in de Nederlandse politiek over de rituele slacht liet Van de Kamp vaak van zich horen. Over het jaar waarin dit speelde (2011) publiceerde hij Dagboek van een verdoofd rabbijn. Recent verscheen zijn dialoog met Willem Ouweneel: Joden en christenen. Een verdiepend gesprek (uitg. Medema). In het voorjaar verschijnt zijn vijfde roman: De joodse slaaf.

Reacties

Samenvatting

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *