Bram van de Beek roept vaak fikse tegenspraak op, maar over zijn fenomenale theologische denkkracht zal weinig discussie bestaan. Hij publiceerde een nieuw boek in zijn uitdagende theologische reeks ‘Spreken over God’.

tekst Tjerk de Reus

Dogmatiek roept meestal geen enthousiaste reactie op, maar wie een beetje zelfkritisch is, zal moeten toegeven dat grondig nadenken niet gemist kan worden in het geloof. We zijn nu eenmaal gepokt en gemazeld door het idee dat geloven positief moet zijn, inspelend op onze gevoelens. Dat is een blikvernauwing, die er ook voor zorgt dat grote stukken uit de bijbel buiten beeld blijven. Het nieuwe boek van dr. A. van de Beek, Een lichtkring om het kruis, slaat een andere toon aan. Wie begint in dit vuistdikke boek, wordt  geconfronteerd met stevige vragen, waarop je in je eentje niet eentweedrie een antwoord kunt vinden. Van de Beek ook niet, en daarom gaat hij te rade in de bijbel, maar ook bij belangrijke ‘voorgangers in het geloof’: theologen uit de Vroege Kerk, en uit latere tijden. Het thema van zijn nieuwe boek is de ‘scheppingsleer’, een klassiek onderdeel van de christelijke dogmatiek. Dan gaat het niet alleen om de schepping als natuurlijke werkelijkheid of over Genesis 1, maar ook om de mens als ‘beeld van God’, over de ontwrichting door de zonde, over de vrije wil, over het kwaad, over de zorg van God voor de wereld (voorzienigheid) – en meer. Op allerlei natuurwetenschappelijke vragen gaat Van de Beek slechts zijdelings in, want hij deed dit al uitvoerig in zijn boeken Schepping – De wereld als voorspel voor de eeuwigheid (1996) en Toeval of schepping? (2005).

Van de Beek stelt dat de mens zelf verantwoordelijk was voor het kwaad, maar hij houdt het onheil tegelijk heel dicht bij Gods scheppende handelen.

Focus

Het eigene van Van de Beeks benadering ligt in zijn keuze om alles vanuit Christus ter sprake te brengen. Dat klinkt niet meteen revolutionair, maar uit de vier eerdere delen van zijn reeks ‘Spreken over God’ blijkt wel dat dit bij hem leidt tot een kritische en zeer geconcentreerde manier van theologiseren. Van de Beek publiceerde in 1998 zijn eerste deel in deze reeks, Jezus Kurios. Daarmee zette hij meteen in met een focus op Jezus Christus, en hoe dat een vervolgt krijgt in zijn theologie, maakte hij duidelijk door goed gekozen boektitels. In 2002 verscheen De kring om de Messias (2002), over Israël. Het deel over de toekomstverwachting (ofwel de voleinding’) heet God doet recht (2008), waarbij de ondertitel luidt: eschatologie als christologie. Daarop volgde een boek over de kerk en de Geest, die hij beide koppelde aan Christus: Lichaam en Geest van Christus (2012). Nu is het de beurt aan de ‘scheppingsleer’, en ook die wil hij strikt vanuit Christus doordenken.

Een plek licht

De titel van het nieuwe boek is ontleend aan de Friese theoloog Oepke Noordmans, die ooit zei dat de schepping ‘een plek licht rond het kruis’ is. Daarmee bedoelde Noordmans dat je niet zonder meer over de schepping kunt spreken, want wat weten we daarvan? Wat we om ons heen zien, is een gevallen schepping. Alleen kruis en opstanding geven ons het ware inzicht in de aard van schepping, in de geschiedenis en het fenomeen mens. Wie buiten Christus probeert te denken, raakt verdwaald in menselijke vermoedens en ideologische voorkeuren. Althans, dat is de insteek van Van de Beek, die daarmee in lijn staat van veel grote denkers uit de christelijke traditie. Theologen die de menselijke geschiedenis op de voorgrond plaatsen, als soort project dat tot ontplooiing moet komen, geeft Van de Beek voortdurend tegengas. Zijn punt is: wie ongeschonden langs het kruis wil glippen, ontwijkt de ware aard van de mens en zijn wereld. Dat de wereld vol lijden en kwaad is, zouden we moeten aanvaarden zoals Christus dat alles aanvaard heeft: Hij draagt de kapotte wereld door de dood heen naar het leven van de herschepping.

Monster

Onder alle theologiseren zit altijd een persoonlijke dimensie, die te maken heeft met levensloop, persoonlijk ervaringen, karakter. Daartoe is een theologie niet te herleiden, en dat zou ook geen recht doen aan wat Van de Beek allemaal ter sprake brengt. Wel is duidelijk dat hij een sterke antenne heeft voor het lijden in de wereld. Dat is op z’n minst iets wat hem sterk bezighoudt, en kritisch maakt jegens de kerkelijke cultuur in ons land. Dankzij onze luxe kunnen we denken dat het menselijke leven een aangenaam avontuur is, waar God wel bij past. Voor grote delen van de wereldbevolking zijn pijn, angst, onrecht, uitbuiting en wanhoop al te vertrouwde grootheden. Vanwege die massieve werkelijkheid van het kwaad, van de onvolkomenheid en van de menselijke boosaardigheid, kan Van de Beek de opgetogen drive om schoon schip te maken of de handen uit de mouwen te steken niet anders dan kritisch tegemoet treden. De mens is zichzelf probleem, aldus Van de Beek:

Als we alle antropologische benaderingen overzien, dan kunnen we geen andere conclusie trekken dan dat de mens een chaos is. Dat is wat anders dan een monster. Als we in de chaos echter geen oriëntatie hebben, dan leven we in het wilde weg en dan weten we nooit waar we uitkomen en wat er uit ons komt. Is de mens juist daarom niet een gevaarlijk monster: omdat het niet een monster is dat zich voortdurend monsterlijk gedraagt, maar lange tijd een beschaafd en redelijk wezen lijkt, maar waarvan men nooit weet of niet plotseling duistere diepten tot eruptie komen. Men kan de mens nooit vertrouwen. Er zijn misschien mensen te vertrouwen, maar je weet nooit met absolute zekerheid wie dat zijn. En dat geldt ook en vooral voor onszelf. (pag. 47)

Ideale oertoestand

In zijn afwijzing van optimisme over mens en wereld gaat Van de Beek heel ver. Misschien zit hier wel het meest vervreemdende element in zijn theologie. Hij wil niet weten van een goed begin, ooit. Een ideale oertoestand wijst hij radicaal af. Als die er geweest zou zijn, was Christus slechts een middel, een noodmaatregel, ofwel de oplossing voor een tijdelijk probleem. En zo wil Van de Beek niet denken, gefocust als hij is op de centrale betekenis van Christus. Het argument dat hem het zwaarst weegt, verwoordt hij als volgt:

Als Christus alleen gekomen is om de oude schepping te herstellen, dan is de incarnatie alleen op dat herstel gegrond. Deze behoort dan niet tot het wezen van God, maar tot de geschiedenis van de geschapen werkelijkheid, en dan nog van een ongeluk in de schepping. De godsleer zou dan ook zonder christologie kunnen. (pag. 153)

Het lijkt erop dat in zijn visie de gebroken schepping en schuldige mens het resultaat waren dat de Schepper beoogde. In het hoofdstuk ‘Een gevallen wereld’ schrijft hij:

Deze wereld is niet een mislukte wereld, want het is [Christus’]  eigen wereld. Het is echter zijn eigen wereld in het vlees, het natuurlijke dat voorafgaat aan het geestelijke. (…) De hele schepping is als graan dat sterft en verrijst in heerlijkheid. Dat is geen zaad dat door een ander gestrooid is, maar zijn eigen werk. Christus heeft de wereld geschapen opdat deze door de dood heen zou herrijzen in zijn heerlijkheid. De dood is niet tegen nature, maar is juist natuurlijk. Deze wereld moet sterven. (pag. 159)

In hun deplorabele staat passen mens en wereld bij Christus, die zich vereenzelvigde met zonde en dood. Van de Beek stelt dat de mens zelf verantwoordelijk was voor het kwaad, maar hij houdt het onheil tegelijk heel dicht bij Gods scheppende handelen. Dat betekent ook dat de volstrekte vernieuwing ofwel de herschepping in Christus een reeds geldende eschatologische werkelijkheid is, volgens Van de Beek. Dat hier op z’n minst paradoxale tonen klinken, zal in de komende tijd ongetwijfeld een reden voor discussie zijn bij de reacties van collega-theologen. Maar het paradoxale is nu eenmaal niet weg te poetsen uit Van de Beeks theologie, het lijkt te horen bij de mysteriën die hij ter sprake brengt. Daarom moet je bij dit boek niet verbaasd staan passages te lezen waarbij je je achter de oren krabt, terwijl je aan je water voelt dat Van de Beek juist iets wat voor hem wezenlijk is, ter sprake brengt. Bijvoorbeeld in deze alinea, eveneens uit het hoofdstuk ‘Een gevallen wereld’ (pag. 149):

Het diepste geheimenis van God is zijn openbaring aan het kruis. Daar zien we ook het geheimenis van de zonde dat tegelijk het geheimenis van oordeel en van genade is, van schuld en van liefde. Zonde heeft niet in abstracto met God te maken. Dan maken we van Hem een wrede tiran. Zonde heeft met God concreet te maken, zo concreet als de godverlatenheid en dood van Jezus.

Vergelijk een passage uit het hoofdstuk ‘Voorzienigheid’ (pag 428):

Het kwaad is te groot voor mensen. Dat wordt gezien op de berg des Heren, in Jeruzalem, waar Christus sterft. In Hem sterft de mensheid met al haar vragen, met al haar lijden, met al haar schuld, met het malum naturale [het kwaad in de natuur] en het malum morale [het morele kwaad]. Zij sterft daar één van ziel met God, in het menselijke vlees door Gods Woord dat vlees geworden is.

Vrije wil

Het is vanzelf ondoenlijk om in kort bestek dit nieuwe dikke boek van Van de Beek ook maar enigszins recht te doen. Hij behandelt een veelheid aan thema’s. Je moet er wel een poosje voor gaan zitten om dit boek door te werken. Van de Beek schrijft helder, maar brengt veel complexe vraagstukken in beeld. Daarin doet, zoals gezegd, de theologie van twintig eeuwen christendom volop mee. Als het gaat om de vrije wil, brengt hij bijvoorbeeld uitvoerig de discussie tussen Luther en Erasmus ter sprake. Het hoofdstuk hierover telt bijna zestig bladzijden, en zou ook als een apart boekje over de vrije wil gepubliceerd kunnen worden. Hoewel Van de Beek niet expliciet aanhaakt bij actuele discussie over neurologie en de vrije wil, formuleert hij wel mooie inzichten die ook door hedendaagse filosofen ontwikkeld zijn, zoals het idee dat de vrije wil niet veel te maken heeft met de mogelijkheid een willekeurige keuze te maken uit een reeks opties. De vrije wil is pas vrij als ongehinderd de eigen diepe overtuiging recht gedaan wordt. De christen is vrij, als hij Christus volgt. Als die oriëntatie afwezig is, bindt de vrije wil zich aan andere zaken, die als het hoogste worden ervaren. Van de Beek schrijft op pag. 275:

Vrijheid heeft dus niet te maken met de mogelijkheid van een arbitraire keuze, maar met handelen volgens je wezen. Wie als oude mens leeft, kan alleen maar vrij handelen als hij de zonde doet. Wetten kunnen dat wel iets intomen, maar dat is via uitwendige dwang. Als het erop aankomt, dan doet de oude mens alleen wat overeenkomt met zijn bestaan onder de zonde, in het Nieuwe Testament vaak weergegeven met woorden als ‘vlees’ of ‘wereld’. De leer van de val houdt in dat dit bestaan niet ons eigenlijke bestaan is. (…) Daarom is leven onder de zonde nooit gelijk te stellen met vrijheid. De enige wijze van bestaan in de vrijheid is als we leven volgens de wil van God, want dat past bij ons wezen. Daartoe leidt ons de Heilige Geest.

Vrijheid om klein te zijn

Van de Beek staat beetje bekend als een somber theoloog, bij wie elke positieve inzet bij de mens wordt afgebroken. Hijzelf vindt dat je pas tot vreugde en ontspanning komt, als je beseft met Christus gestorven te zijn, en opgestaan in Hem. Dan volgt er geen bravoure, want er blijft veel wanhoop en moedeloosheid. Maar dankzij de voorzienigheid van God, is er troost, concludeert hij op pag. 430:

Gods voorzienigheid is niet een inkomensgarantie voort wie als een herenboer rondwandelt door het rijk der natuur. Veeleer is deze een troost voor wanhopige en moedeloze mensen. Voorzienigheid is troost voor de moedeloze ballingen in Babel, zoals ze worden toegesproken door Deutero-Jesaja: ‘Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.’

Activisme is onnodig, goede werken evenmin. We mogen klein zijn, meent Van de Beek, in het perspectief van ‘Mijn genade is u genoeg’:

Als de aarde zelf het ideaal zou zijn, zouden we ons steeds maximaal moeten inzetten – om vervolgens te ervaren dat we onze doelen nooit bereiken. Dat maakt mensen gefrustreerd of cynisch. We kunnen echter in alle rust die dingen doen die wel mogelijk zijn, bevrijd van de dwang van het moeten. ‘Mijn genade is genoeg voor jou’ geldt ook voor het dagelijkse leven, als we gepland hadden een vrije middag te gaan wandelen in het bos en het tegen de verwachting in gaat regenen. Dan lezen we maar een mooi boek. Het grootste deel van het leven bestaat uit zulke simpele dingen. Het leven is het kleine leven van de aarde met kleine mensen en kleine gebeurtenissen. Meer hoeven we niet te willen. We hebben de vrijheid om klein te zijn.’ (pag. 469)

A. van de Beek: Een lichtkring om het kruis. Scheppingsleer in christologisch perspectief, Meinema, € 37,50

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *