De derde Nationale Synode in Dordrecht afgelopen maand leek een positieve bijvangst op te leveren. Tal van reformatorische voormannen zeiden in die periode tegen het Reformatorisch Dagblad dat de kerkelijke verdeeldheid hun “tot schuld” is. Wie hun reacties echter wat beter analyseert, ontdekt dat de broeders vooral veel krokodillentranen huilen.

tekst Jasper van den Bovenkamp

Tal van kerkelijke prominenten dromden begin november samen in de Grote Kerk van Dordrecht. Afgevaardigd vanuit heel diverse kerken en geloofsgemeenschappen lieten ze zich door een gemeenschappelijk verlangen naar het bolwerk van de Reformatie vervoeren: kerkelijke eenheid. Waarom, wanneer, in welke vorm en hoe institutioneel die oecumene precies vorm moet krijgen, daarover denke ieder voorlopig het zijne. Maar dat men samen in kwetsbaarheid naar de gemene deler van het geloof zoekt om een tastbare en zichtbare eenheid vorm te geven, daar ga je als collega-geestelijken niet over liggen eieren.

Wie nauwgezetter leest, ontwaart in de reacties van deze dominees een opmerkelijk patroon

Zou je denken. Het Reformatorisch Dagblad kan inmiddels zo ongeveer een hele krant vullen met de kritieken van reformatorische kopstukken die onder een dun vernislaagje van schuldbelijdenis en jammerklacht soms cryptisch en soms zeer evident laten doorschemeren dat de eenheid van het lichaam van Christus hun zorg niet is.

Ite ite!

Het felst van leer trokken ds. Wim van Vlastuin (Hersteld Hervormde Kerk) en ds. Kees van der Sluijs (Gereformeerde Bond). Zij richtten in een gezamenlijk geschreven opiniestuk (dat dan weer wel) hun pijlen rechtstreeks op de Nationale Synode. “Alsof er buiten ‘Dordt’ wat te verbinden valt!”, fulmineerden ze. “Het wordt almeer duidelijk wat er aan de hand is: een gerehabiliteerde Arminius moet de volle ruimte krijgen om min of meer officieel zijn zegje weer te kunnen doen. Dit alles met een subjectivistisch beroep op het hogepriesterlijk gebed van Jezus in Johannes 17. (…) Terwijl de Nationale Synode van 1618-1619 de arminianen ambtelijk de deur wees, met de woorden: ‘Ite… ite… (ga… ga…)!’ wordt hun nu in Dordrecht via het laagdrempelige ambt aller interkerkelijke gelovigen gezegd: ‘Kom erbij… Doe weer mee!’ Dit achten wij een uiterst bedenkelijke ontwikkeling.”

Liever met de waarheid het graf in, dan met de liefde overleven, zo lijkt de tendens

Hoe verder van Dordt, hoe gevaarlijker het wordt, zo laat hun betoog zich het best samenvatten. Ook andere dominees van reformatorischen huize lieten van zich horen. Zo was er ds. Adri van Heteren van de christelijke gereformeerde kerk in Urk. Op de vraag wat hij van kerkelijke eenheid en kanselruil vindt, antwoordt hij: “Laten we niets forceren. Wat een mens bouwt, leidt vaak tot brokstukken. Dat heeft de geschiedenis wel bewezen. (…) We kunnen best eens ruilen van kansel, maar dan doordeweeks bij bepaalde gelegenheden. Op zondag horen we in ons eigen kerkverband.”

Ds. Anthonie Kort, predikant van de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland, wil helemaal niet somberen, zegt hij, maar de kerkelijke eenheid ligt nou eenmaal niet voor het opgrijpen. Die kan volgens hem slechts worden gevonden “onder het ene levendmakende Hoofd.” “We kunnen elkaar uitsluitend vinden in de zuivere leer van de verzoening met God door het bloedoffer en het kruis van Christus. Het is niet mijn bedoeling om kerken uiteen te drijven, maar het gaat toch om de waarheid. De huidige kerkelijke verdeeldheid is er niet voor niets. Het oordeel ligt over de kerken. Dat is onze schuld.”

De voormannen ds. Jan van Eckeveld van de Gereformeerde Gemeenten en ds. Jochem Roos van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland zitten in een vergelijkbaar schuitje. “Wie zou niet moeten wenen als we op dat alles terugzien?”, zegt Van Eckeveld over de misère van 1953. “Maar wat nu?”, vraagt hij zich even verderop af. Zijn oplossing heeft heel wat bijzinnen nodig: “Als we elkaar werkelijk als schuldenaars ontmoeten over kerkmuren heen, dan zouden er wonderen kunnen gebeuren. (…) Als schuldigen die aan hun eigen kerkelijke schuld genoeg hebben, (…) in het geestelijk herkennen van elkaar en in de smeking of de Heere bij elkaar wil brengen wat bij elkaar hoort. Als we elkaar zo ontmoeten, vallen kerkmuren weg.”

Roos had kort daarvoor al geschreven dat hij bij het klimmen van de jaren de nutteloosheid van “onchristelijke twistgesprekken” steeds meer is gaan inzien. Maar: “Als het (…) gaat over ieder deel van de dierbare Evangeliewaarheid behoren we hiervan geen duimbreed te wijken en eenheid te zoeken met hen die dezelfde waarheid voorstaan.”

Opmerkelijk patroon

Een oppervlakkige lezing van al deze commentaren laat de nietsvermoedende lezer hooguit af en toe een meewarig ‘och’ of ‘ach’ ontvallen. Wie nauwgezetter leest, ontwaart in de reacties van deze dominees een opmerkelijk patroon. Eén: kerkelijke verdeeldheid is een gruwel. Twee: het is om te huilen. Drie: maar ja, ík zie geen uitweg. Vier: moge God het probleem oplossen.

Hoewel ze de verdeeldheid met grote woorden bewenen, blijkt geen van allen zich ten diepste verantwoordelijk te voelen voor de hechting van het verscheurde lichaam van Christus. Daar zal een goddelijk lijmpistool besteld voor moeten worden, en dat kan slechts onder tranen worden afgesmeekt. En dan nog: liever met de waarheid het graf in, dan met de liefde overleven, zo lijkt de tendens.

Als het de reformatorische voormannen ernst is, articuleren ze hun eenheidsbede niet voorzien van allerlei mitsen en maren in de kolommen van de reformatorische huisbode, maar gaan ze eens constructief met elkaar om tafel. Misschien dat een volgende Nationale Synode zich daarvoor kan lenen.

 

3 thoughts on “Reformatorische kerken huilen krokodillentranen over verdeeldheid

  1. Helaas is de eindconclusie nog niet scherp genoeg gesteld. Bij vier had moeten staan: het is alleen oplosbaar als men onze (en dat is dan weer gerelateerd aan namens welke kerk gesproken wordt) leer als de enig ware aanneemt.
    Gaandeweg mijn leven heb ik ontdekt dat in deze kringen de liefde kil is, het oordeel hard en dat God hier maar altijd voor het eigen karretje wordt gespannen…
    Het is een illusie te verwachten dat uit deze kring van waarheideigenaren de liefde warmer gaat worden…

  2. Even los van de inhoud: Waarom “moeten” alle dominees met hun voornaam genoemd worden? Er zijn erbij waarbij hun eigen vrouw hen niet eens zo aanspreekt… Het ND heeft er ook een handje van.

  3. Wie met één vinger wijst, ….. Kortom, lees ik hier dat hetgeen er in Dordt gebeurt, het ene juiste is? Liever commentaar op de inhoud van met name de reactie over: Arminius moest in 1618-1619 eruit en hij mag nu door de achterdeur weer binnen. Of doet die waarheid soms pijn? In het boekje “De spoorweg naar de hemel” van Nathaniël Hawthorne zijn er in IJdelheidskermis ook vele kerken, die verregaand samenwerken. De namen van de predikanten aldaar doen het ergste vrezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *