Of de protesterende studenten aan de Universiteit van Amsterdam veel succes hebben gehad, weet ik niet. Maar één ding is ze goed gelukt: heel Nederland was wekenlang in de ban van ‘rendementsdenken’.

Als ik het goed begrepen heb, is rendementsdenken heel erg fout en toch is het overal te vinden. Zelfs in de kerk komt het steeds meer voor, zo verzekerde mij een ongeruste predikant. Je vraagt je af hoe dat kan: als bijna iedereen ertegen is, hoe kan het dan overal doordringen? Maar ja, dat kun je je ook afvragen bij corruptie, fraude, roddel en porno. Het kwaad is nu eenmaal niet goed te managen.

Natuurlijk mogen we van studenten best eisen dat zij binnen een redelijk aantal jaren hun diploma halen. Hoge idealen zijn prachtig, maar ze zijn geen excuus om op kosten van Jan Modaal te lanterfanten. Gemiddeld kost een universitaire opleiding de belastingbetaler 73.000 euro. Daarvoor zien we graag een tegenprestatie. Maar hier wordt het lastig, want hoe bepaal je nu de waarde van dit rendement? Hoeveel filosoof, wiskundige of medicus mogen we verwachten voor driekwart ton? Hebben we ons belastinggeld goed besteed als iemand boeiend kan lesgeven over Heidegger of als iemand vakkundig een ontstoken blindedarm kan verwijderen?

Het probleem is natuurlijk dat de waarde van zulke dingen niet goed in geld is uit te drukken. Duur is niet hetzelfde als waardevol. Een omhelzing kost niets, maar heeft veel waarde. De drugshandel vertegenwoordigt ontzettend veel geld, maar is waardeloos. In het NRC Handelsblad van 7 maart, legde Bas Heijne de vinger bij de zere plek van het rendementsdenken: ‘De afgelopen decennia is de taal waarmee we immateriële waarden uitdrukken, ernstig verschraald’. Als je het aan mensen vraagt, wil iedereen het liever hebben over de artistieke waarde van een schilderij dan over de marktwaarde. Maar het lukt steeds minder goed om samen een taal te vinden waarin we dit soort gesprekken kunnen voeren. Heijne: ‘De taal van de cijfers is de enige overgebleven gemeenschappelijke taal’.

Naar mijn idee stuiten we hier op één van de effecten van secularisatie. Als God verdwijnt, verliezen we vroeg of laat het vermogen om nog te kunnen spreken over wat waarde heeft in zichzelf. De werkelijkheid vervlakt; dingen wijzen niet meer boven zichzelf uit. In plaats daarvan komt het economisch esperanto: de taal van nut en rendement. De tragiek van een postchristelijke samenleving is dat we de pijn van dit verlies nog voelen, maar ons machteloos voelen om het terug te draaien. Daarom zou de belangrijkste missionaire taak voor de kerk in onze tijd wel eens kunnen zijn: het in stand houden van een taal die ons in staat stelt om te spreken over immateriële waarden. Immers, genade gaat nu juist over oneindige waarde die niets kost.